Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 4 oktober 2002 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 4 oktober 2002

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 4 oktober 2002Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2002-10-04-a5f6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
4 oktober 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

74 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 04.10.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste kamer

AR 99/5480/A

VERZET TEGEN DWANGBEVEL

EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK

IN DE ZAAK :

de heer T. M., wonende te …, …;

eiser,

vertegenwoordigd door mr. C. loco mr. M. B., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 52;

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L. V. B. loco mr. M. V. A., advocaat te …, …;

In deze zaak, in beraad genomen op 13 september 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder F. K. te …, houdende verzet tegen dwangschrift en dwangbevel, betekend op 7 mei 1999;

- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 14 november 2000 en op 14 mei 2002;

- de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 25 april 2002.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 13 september 2002, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

In het begin van de jaren 1990 woonde de heer M., huidig eiser, te … zijnde een taalgrensgemeente. Hij stelt Franstalig te zijn, geen Nederlands te kennen en nadien verhuisd te zijn naar ….

In de beoogde periode was de heer M. werkzaam ais schilder en decorator, en was hij in die hoedanigheid onderworpen aan de BTW. Op 31 december 1999 heeft de heer M. zijn activiteit stopgezet.

Op 22 januari 1993 en op 18 oktober 1993 ontving de heer M. het bezoek van de heer H. D. S., eerstaanwezend verificateur van het controlekantoor te Brussel-Omtrek, die een controle uitoefende inzake de naleving van de BTW-reglementering tijdens de periode van 1 januari 1989 tot 31 januari 1991, uitgebreid tot het nazicht van de tarieven in 1992.

De heer D. S. stelde dat de heer M. verscheidene inbreuken had begaan op het vlak van de BTW-reglementering. Deze inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave in de Nederlandse taal, die de heer M. op 18 oktober 1993 voor akkoord ondertekende en waarbij hij zich akkoord verklaarde om een bedrag van 10.765,87 euro (434.294 BEF) te betalen.

De dag nadien stuurde de heer M. een aangetekende brief, waarin hij zijn akkoord introk.

Op 24 oktober 1994 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat aan de heer M. ter kennis werd gebracht bij aangetekende brief van 28 oktober 1994.

Op 14 april 1999 werd het dwangbevel aan de heer M. betekend, waarin hem de betaling werd gevraagd van het bedrag van 10.765,87 euro (434.294 BEF). Bovendien werd van de heer M. een geldboete van 2.664,86 euro (107.500 BEF) gevorderd, terwijl op de verschuldigde BTW van rechtswege en interest van 0,80 % per maand verschuldigd was.

Op 7 mei 1999 ging de heer M. over tot dagvaarding.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser vraagt voor recht te zeggen dat het dwangbevel, dat hem op 14 april 1999 door plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder P. D. werd betekend, nietig is en dat er geen gevolg aan dit dwangbevel kan worden aangegeven.

Verder vraagt hij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Verweerder vraagt het verzet van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en hem in zijn eis af te wijzen.

B. BEOORDELING

1) Wat de gegrondheid van de vordering van eiser betreft

1.1. Eiser verwijst naar art. 12, laatste lid van de Gecoördineerde Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat letterlijk luidt als volgt :

"In de taalgrensgemeenten wenden de diensten zich tot de particulieren in die van beide talen - het Nederlands of het Frans - waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd".

En art. 13, § 1, lid 1 van dezelfde Gecoördineerde Wetten bepaalt :

"Iedere plaatselijke dienst, die in het Nederlandse of in het Franse grondgebied gevestigd is, stelt de akten, die particulieren betreffen, in de taal van zijn gebied".

Volgens eiser is het document getiteld 'correctieopgave' een document waarbij een openbare dienst zich tot de betrokkene, wendt in de zin van art. 12, laatste lid van voornoemde Gecoördineerde Wetten van 18 juli 1966, en geen akte. Eiser meent dat de akten die particulieren betreffen, de akten zijn die een algemeen karakter hebben, weze het omdat die akten meerdere particulieren betreffen, weze het omdat die akten door derden kunnen worden ingeroepen of betwist. In casu betreft het kwestieuze document de relatie tussen het ministerie van Financiën en één particulier, en heeft het document een strikt individueel karakter. Geen enkele derde kan zich bemoeien met de relatie tussen de betrokkene en het Ministerie van Financiën.

Derhalve meent eiser dat de taal diende te worden gebruikt waarvan hij het gebruik had gevraagd (het Frans). Noch het feit dat hij niet onmiddellijk reageerde, noch het feit dat hij het verhaal in het Nederlands indiende kunnen, naar zijn oordeel, de in art. 58 van voornoemde Gecoördineerde Wetten van 18 juli 1966 bepaalde nietigheid beïnvloeden.

Eiser meent dan ook dat de tenuitvoerleggingsmaatregelen, die werden ondernomen op basis van een nietig document, eveneens nietig zijn.

1.2. Volgens verweerder is de correctieopgave een akte in de zin van art. 13, § 1, lid 1 van de Gecoördineerde Wetten van 18 juli 1966. Nu de BTW-controle Brussel­Omtrek dient te worden beschouwd als zijnde gevestigd in het Nederlandse taalgebied, werden de correctieopgave en het dwangbevel, volgens hem, terecht in het Nederlands opgesteld.

Verweerder wijst erop dat het exploot van verzet tegen het dwangbevel door eiser in het Nederlands werd betekend.

Bovendien gebeurde de betekening van het dwangbevel samen met een vertaling van het betekeningsexploot, het dwangbevel en de correctieopgave, zodat de zaak, naar het oordeel van eiser, zonder voorwerp is.

Ten slotte doet verweerder nog opmerken dat het feit dat de correctieopgave werd opgesteld in het Nederlands in feite irrelevant is, nu de grond van vervolging de schulderkentenis betreft van eiser die door hem in de Franse taal werd opgesteld, werd gedateerd en ondertekend.

Deze schulderkentenis luidt letterlijk als volgt :

"Bon pour la somme de 434.2941,- Quatre cent trente quatre mille deux cent nonante quatre francs handtekening, le 18 octobre 93 T. M.".

1.3. De rechtbank is van oordeel dat onder de term 'akte' in de zin van art. 13, § 1, lid 1 van de Gecoördineerde Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het algemeen wordt verstaan, het geschrift waarin een handeling wordt opgetekend en dat dient om die rechtshandeling te bewijzen. Volgens de Raad van State zijn akten alle stukken die dienen tot vaststelling van een rechtshandeling. Aangifteformulieren voor de directe belastingen, een vraag om inlichtingen door de controleur aan de belastingplichtige, een aanslagbiljet inzake onroerende voorheffing zijn geen akten in deze zin (zie : RENARD, R., Talen in bestuurszaken, in de bedrijven en in de sociale betrekkingen, in A.P.R., Gent, E. Story-Scientia, 1983, nr. 110, p. 76, met de aldaar geciteerde referenties).

Hetzelfde geldt voor een bericht van wijziging (zie : Brussel, 14 maart 1996, F.J.F., 1996, n° 96/149, p. 303; J.D.F., 1997, 167).

Naar het oordeel van de rechtbank geldt net hetzelfde voor wat een correctieopgave betreft. Deze kan bijgevolg niet worden beschouwd als een 'akte' in de zin van art. 13, § 1, lid 1 van voornoemde Gecoördineerde Wetten, maar is een document waarbij een openbare dienst zich tot de betrokkene wendt in de zin van art. 12, laatste lid van voornoemde Gecoördineerde Wetten, zoals eiser terecht voorhoudt.

Uiteraard dient eiser aan te tonen dat hij zich heeft bediend of het gebruik heeft gevraagd van het Frans (zie : Brussel, 14 maart 1996, voormeld), maar de rechtbank stelt vast dat dit door verweerder niet wordt betwist.

Nu de rechtbank vaststelt dat de correctieopgave in de verkeerde taal werd opgesteld, dient de nietigheid ervan te worden vastgesteld. Deze nietigheid strekt zich uit tot alle tenuitvoerleggingsmaatregelen, die werden ondernomen op basis van dit nietig stuk.

Bijgevolg meent de rechtbank dat het feit dat het exploot van verzet tegen het dwangbevel door eiser in het Nederlands werd betekend zonder belang is. Hetzelfde geldt voor het feit dat de betekening van het dwangbevel samen met een vertaling van het betekeningsexploot, het dwangbevel en de correctieopgave is gebeurd. Evenmin doet naar het oordeel van de rechtbank ter zake dat eiser in de Frans taal een schulderkentenis heeft opgesteld. Deze heeft betrekking op hetgeen in de correctieopgave werd opgenomen, en dit stuk is, zoals gezegd, nietig.

2) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiser om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de heer M. ontvankelijk en gegrond.

Zegt voor recht te zeggen dat het dwangbevel, dat op 14 april 1999 door plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder P. D. aan de heer M. werd betekend, nietig is en dat er geen gevolg aan dit dwangbevel kan worden gegeven.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van de heer M. op (414,75 (80,09 dagvaarding + (334,66 RPV), en in zijnen hoofde op € 426,28 (€ 91,62 betekening dwangbevel + (334,66 RPV).

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 4 oktober 2002,

waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleen rechtsprekend rechter,

mevrouw C., afgevaardigd adjunct-griffier.

C. V.