Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 27.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend
In de zaak 07/3092/A Rep nr 2011/8418
DE VZW – Z. V. D. B. J., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …
eiseres,
voor wie optreedt Meester D. D. F., advocaat te …, … en Meester S. C., advocaat te …, …
tegen :
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, dienst invorderingen, afdeling BTW op vervolging van de e.a. Inspecteur van de BTW-ontvangkantoor te Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4
alwaar woonstkeuze wordt gedaan
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te …, …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 17 oktober 2007.
Gelet op het tussenvonnis d.d. 29 december 2008 uitgesproken door deze rechtbank en kamer.
Gelet op het arrest d.d. 29 oktober 2009 van het Grondwettelijk Hof ( arrestnr. 169/2009)
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 6 juni 2011.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis d.d. 29 december 2008.
III. BEOORDELING
A. betreffende de grond
1. In het tussenvonnis d.d. 29 december 2008 werd de eis toelaatbaar verklaard en werd een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.
2. Bij arrest d.d. 29 oktober 2009 werd door het Grondwettelijk Hof het volgende gesteld :
" - Paragraaf 1 ,A, d), van rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, in de redactie eraan gegeven bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit nr. 20 in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen niet voor het verlaagde BTW-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat psychiatrische verzorgingstehuizen voor het verlaagde BTW-tarief van 6 pct. in aanmerking kwamen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet."
3. Zoals gesteld in het tussenvonnis d.d. 29 december 2008 is de rechtbank van oordeel dat onder 'verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg' niet begrepen zijn de psychiatrische verzorgingstehuizen.
De psychiatrische verzorgingstehuizen zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet begrepen onder 'opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid'. Uit niets blijkt dat psychiatrische patiënten 'personen in moeilijkheden' betreffen. In deze interpretatie van de wetgeving vallen de psychiatrische verzorgingstehuizen dan ook niet onder het verlaagd BTW-tarief van 6 %
4. Door in een verlaagd BTW-tarief te voorzien beoogde de wetgever niet alleen de bouwsector te stimuleren, maar streefde de wetgever ook een sociaal doel na, namelijk de sociale huisvesting te ondersteunen. Zowel de verblijfsinrichtingen voor bejaarden als de psychiatrische verzorgingstehuizen behoren tot de sector van de sociale huisvesting. Beide staan namelijk in voor het verblijf en de opvang, in de regel op duurzame wijze, van hulpbehoevende personen. De omstandigheid dat enkel in de verblijfsinstellingen voor bejaarden het verblijf en de opvang leeftijdsgebonden zijn doet daaraan niets af.
Psychiatrische verzorgingstehuizen verschillen niet fundamenteel van bejaardentehuizen, wat betreft verblijf en opvang van hulpbehoevenden in het kader van sociale huisvesting. Het is dan ook niet redelijkerwijze verantwoord beide categorieën van instellingen aan een verschillend BTW-tarief te onderwerpen wat betreft de werken aan onroerende goederen die voor de opvang worden aangewend. De omstandigheid dat beide categorieën van instellingen verschillend georganiseerd zijn wat betreft investeringen, kosten, personeelsbestand en infrastructuur, is niet van dien aard om het verschil in behandeling te verantwoorden.
Rubriek X van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (bekrachtigd bij wet van 27 mei 1971) zoals gewijzigd bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 juni 1992 (bekrachtigd bij artikel 51 van de wet van 28 december 1992) schendt derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Grondwettelijk Hof 29 oktober 2009, arrestnr. 169/2009).
De administratie heeft zodoende ten onrechte het tarief van 21 % toegepast op de aannemingswerken uitgevoerd in de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 aan de psychiatrische verzorgingstehuizen geëxploiteerd door eiseres. Het betwiste dwangbevel d.d. 7 juni 2007 is derhalve nietig. De eis in hoofdorde is gegrond.
5. Slechts indien het dwangbevel niet nietig zou verklaard worden, heeft eiseres in ondergeschikte orde een eis ingesteld tot het bekomen van een schadevergoeding. Gezien de rechtbank ingaat op de eis om het dwangbevel nietig te verklaren, dient de rechtbank niet meer te oordelen omtrent de ondergeschikte eis.
B. Betreffende de kosten
Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Deze eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen 500.000 en 1.000.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR (geïndexeerd) bedraagt.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis gegrond in volgende mate.
Vernietigt het dwangbevel d.d. 7 juni 2007 en zegt voor recht dat aan het betreffende dwangbevel geen gevolg mag worden gegeven.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van … EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet, vanaf datum betaling (zijnde 26 juni 2007) tot de datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag, zevenentwintig juni tweeduizend en elf.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
C. S. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.