Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 7 oktober 2009 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 7 oktober 2009

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 7 oktober 2009Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2009-10-07-e66c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
7 oktober 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

66 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 07.10.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 08/3009/A

1. de heer D. G., en zijn echtgenote,

2. mevrouw K. E.,

beiden samenwonende te …, …,

eisers

voor wie optreedt Meester D. J., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

1. de F.O.D. FINANCIËN, in de persoon van de heer e.a. inspecteur van het BTW-Controlekantoor, DIKSMUIDE, met burelen gevestigd te 8600 DIKSMUIDE, Wouwemweg 49,

2. de F.O.D. FINANCIËN, in de persoon van de heer Directeur van de Directie BTW BRUGGE, met burelen gevestigd te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,

verweerders, hierna genoemd “verweerder”

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 24.09.2008.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 2.09.2009.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Eisers hebben aan de woning in de …, te …, onroerende werken verricht.

In 2008 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Op 6 mei 2008 en 31 juli 2008 werden eisers in kennis gesteld dat het verlaagd tarief van 6 % niet kon worden toegepast.

Tegen die beslissingen werd op 24 september 2008 een verzoekschrift neergelegd.

2.2. Eisers vragen dat :

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Voor recht wordt gezegd dat zij toepassing mogen maken van het verlaagd tarief van 6 %.

- Het administratief standpunt wordt gewijzigd en dat voor recht wordt gezegd dat de brieven van 6 mei 2008 en 31 juli 2008 geen rechtsgevolgen kunnen teweegbrengen.

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eisers als onontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

3.1.1. De rechtbank stelt vast dat de vordering is ingesteld overeenkomstig het 1385undecies van het gerechtelijk wetboek (specifieke vereisten voor een ontvankelijke vordering in fiscale aangelegenheden).

Verder hadden eisers op het moment van het instellen van die vordering de vereiste hoedanigheid en een reeds verkregen en dadelijk belang in de zin van de artikelen 17 en 18 van het gerechtelijk wetboek (gemeenrechtelijke vereisten). De administratie had immers uitdrukkelijk gesteld dat het verlaagd tarief niet van toepassing kon zijn en had eisers reeds gesommeerd om de aannemers te vragen om gecorrigeerde facturen op te stellen.

3.1.2. Verweerder voert verder geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Eisers stellen dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

3.2.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.8. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat anjer "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt : 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het K.B. nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende: "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte"

3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).

3.2.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven. Eisers willen gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden dragen zij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat er een volledig nieuw gedeelte aan de oude woning werd toegevoegd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte (140 m2 ) is kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken (301,60 m2) .

Het oude gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte met twee bouwlagen dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd en dat een belangrijk deel van de binnen- en buitenmuren volledig werd afgebroken. De oude woning werd duidelijk herschapen in een moderne villa.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2.6. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen. In hoofde van verweerder worden zij begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag zeven oktober tweeduizend en negen.

N. H., rechter, voorzitter van de Kamer;

L. D. P., rechter;

A. H., rechter ;

N. L., griffier.

N.L. A. H. L. D. P. N. H.