Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 24 maart 2009 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 24 maart 2009

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 24 maart 2009Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2009-03-24-3205

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
24 maart 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

63 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 24.03.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/1126/A Rep. nr. 2009/3993

de heer L. A., arbeider, wonende te …, …,

eiser,

die voorheen als raadsman had Meester F. V. B., advocaat met kantoor te …, …, doch thans zonder instructies zijnde, eiser die tevens niet is verschenen noch iemand voor hem,

tegen :

De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van :

1. de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

2. de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 13.04.2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen bij monde van zijn raadsman in de openbare terechtzitting van 24.02.2009.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser heeft aan de woning in de …, te …, onroerende werken verricht.

In 2000 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd op 13 december 2000, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van 20.465,84 EUR BTW en 2.032,73 EUR geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 19 december 2000 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 19 december 2000 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 2 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 10 maart 2005 bij deurwaardersexploot aan eiser betekend.

2.2. Eiser vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding(basisbedrag).

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de·onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiser stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

3.2.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting 'van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt : 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden, aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook: Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).

3.2.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eiser is het wezenlijke gebleven. Eiser wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt hij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat er een volledig nieuw gedeelte aan de oude woning werd aangebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte is kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken.

Het oude gedeelte is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte met twee bouwlagen dat thans meer dan 70 % uitmaakt en functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd. Bijna alle dragende muren werden volledig nieuw opgetrokken. De werken steunen derhalve niet op de oude dragende muren.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2.6. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in. het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van verweerder worden zij begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag). De waarde van de vordering situeert zich immers tussen de 20.000,01 en de 40.000,00 EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vierentwintig maart tweeduizend en negen.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.