Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 28.04.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgende vonnis verleend :
In de zaak 06/1168/A Rep. nr. 2008/6495
1.de heer L. J., zonder gekend beroep, en zijn echtgenote,
2.mevrouw V. H., zonder gekend beroep, beiden samenwonende te …, …,
eisers,
Voor wie is opgetreden Meester D. L. (balie Brugge) loco Meester C. B., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de AOIF, sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het verzoekschrift houdende verzet dwangbevel d.d. 11 april 2006.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 31 maart 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren en eigenaars van een gebouw gelegen te …, ….
Eisers verkrijgen op 30 augustus 2001 een bouwvergunning tot het afbreken van garage + bijgebouwen en het verbouwen en uitbreiden van de bestaande woning.
Op 17 april 2002 werd door ambtenaren bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit bij onderzoek vastgesteld dat : “er een bijgebouw werd opgericht van twee verdiepingen (gelijkvloers + 1 verdieping) in “Ytongblokken” gehecht aan het bestaand gebouw en aanpalend aan het woonhuis te …". De vaststelling werden opgenomen in een proces-verbaal d.d. 23 mei 2002, waarbij een plannetje is gevoegd.
Naar aanleiding van vermelde vaststellingen werd een toezicht·gestart door M. D., financieel-assistent bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in die hoedanigheid verbonden aan het derde controlekantoor van de BTW te Brugge. Vastgesteld wordt dat de werkzaamheden in onroerende staat werden gefactureerd tegen het verlaagd tarief van 6 %. Uit het onderzoek van het bouwdossier wordt besloten dat de gedane werken niet voldeden aan de voorwaarden gesteld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970. Een correctieopgave werd aan eisers toegestuurd op 5 augustus 2005. Eisers gaan niet akkoord met de correctieopgave en op 3 november 2005 wordt door vermelde ambtenaar een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is opgenomen dat eisers verschuldigd zijn als BTW … EUR, als boete … EUR en moratoire intresten vanaf de kennisgeving of betekening vaneen dwangbevel.
Op 1 december 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 9 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door K. S., e.a. inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 5 april 2006 betekend aan eisers.
Tegen dit dwangbevel tekenden eisers verzet aan op 11 april 2006.
2. Eisers vragen dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het dwangbevel teniet wordt gedaan, minstens ongegrond wordt verklaard en gezegd wordt voor recht dat eisers ervan bevrijd zijn;
- subsidiair gezegd wordt dat de geldboete ten onrechte werd opgelegd;
- uiterst subsidiair voor recht gezegd wordt dat geen geldboete en intresten verschuldigd zijn wegens langdurig stilzwijgen van verweerder;'
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan het basisbedrag.
3. Verweerder vraagt dat de eis van eisers ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. werk in onroerende staat: toepassing van het verlaagd tarief van 6 %
1.1. Eisers stellen dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over een omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed, zodat de werken onderworpen zijn aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %.
1.2. Volgens verweerder betreft het geen omvorming van een gebouw. Na uitvoering van de werken bedraagt het oude gedeelte slechts 31,44 % van de totale bebouwde oppervlakte. De werken steunen niet op oude dragende muren, en meer algemeen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw. De voorwaarden om het tarief van 6,% te genieten zijn dus niet vervuld.
1.3. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.
In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder “omvorming” wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken. Volgens voormelde aanschrijving wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw.
In BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan namelijk worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte.
1.4. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.
Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn; een gelijke behandeling garanderen.
Het onderscheid tussen werken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de werken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106 nr. 3).
1.5. Door partijen worden plannen neergelegd.
Uit de plannen blijkt dat het voorste gedeelte van de huidige woning bestaat uit het oude gedeelte (gelijkvloers en verdieping). De muren van dit oude gedeelte werden voor een deel behouden. Dit oude gedeelte bestaat uit een garage en wasplaats (gelijkvloers) en een logeerkamer en hobbyruimte (verdieping). De oppervlakte van het oude gedeelte werd wel verkleind (een aanzienlijk aantal oude muren werden afgebroken).
Achter en tegen het behouden oude gedeelte werd een nieuw gedeelte gebouwd. Nieuw gebouwd zijn een kelder, inkom, wc, leefruimte, keuken en ontbijthoek (gelijkvloers); nachthal, wc, badkamer en 2 slaapkamers (verdieping). Het huidige gebouw heeft geen zolder (tweede verdieping) wat volgens eiseres het oude gebouw wel had.
Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat er een volledig nieuw gedeelte aan het oude gedeelte werd aangebouwd dat in omvang groter is dan wat behouden werd. De oppervlakte van het behouden gedeelte bedraagt immers slechts 100,44 m2 en is kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken, zijnde 319,68 m2. Er kan hierbij geen rekening gehouden worden met het oude gedeelte dat werd afgebroken en er dus niet meer is.
Het behouden oude gedeelte (zijnde gelijkvloers garage en wasplaats en op de verdieping logeerkamer en hobbyruimte) is niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte dat de volledige leefruimte, keuken, badkamer en slaapkamers bevat en dus functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt uit de plannen dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd.
Dergelijke uitbreidingswerken zijn van dien aard dat het oude gedeelte nog slechts bijzaak is. De uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven.
De oude woning werd herschapen in een riante woning waarin men de oorspronkelijke woning niet meer kan herkennen.
Het is dan ook duidelijk dat de werken niet de omvorming van een woning zijn maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagd tarief van 6 % is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.
1.6. Verder merkt de rechtbank nog op dat de overheid kan niet gebonden zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van verweerder kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.
Op grond van de voorliggende stukken is duidelijk dat verweerder in het verleden geen verkeerde inlichtingen heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eisers het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat zij het tarief van 6 % correct hebben toegepast.
2. boete
2.1. Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van … EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
2.2. De rechtbank is van oordeel dat een administratieve boete van 10 % gepast is. Eisers dienden immers te weten dat de uitgevoerde werken aan de woning niet konden in aanmerking komen voor het verlaagd tarief van 6 %.
Zoals reeds gesteld kan de overheid niet gebonden zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van verweerder kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast en een boete wordt opgelegd.
Op grond van de voorliggende stukken is duidelijk dat verweerder in het verleden geen verkeerde inlichtingen heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eisers het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat zij het tarief van 6 % correct hebben toegepast.
Een boete moet ook een ontradend effect hebben.
2.3. Rekening houdend met alle elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de boete van 10 %, en voor een bedrag van … EUR, in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.
3. intresten
3.1. De wettelijke intresten zijn een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. lntresten op een BTW-schuld is een schuld die de belastingschuldige moet dragen.
3.2. Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks deze schuld kwijt te schelden.
C. Betreffende de kosten
Gezien eisers in het ongelijk worden gesteld, moeten zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.
De waarde van de eis situeert zich tussen 10.000 en 20.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR bedraagt.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag achtentwintig april tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.