Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 15 mei 2007 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 15 mei 2007

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 15 mei 2007Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2007-05-15-e082

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
15 mei 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 15.05.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER , heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/3825/A Rep. nr. 2007/6834

de NV SWD, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester J. V. W., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het 2e BTW-Ontvangkantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester F. H. (balie …) loco Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding d.d. 19 december 2003.

Gelet op het verwijzingsvonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 13 december 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 17 april 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE …, voor de activiteit van de fabricage en de herstelling van auto-onderdelen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

In 1979 heeft eiseres een gebouw laten optrekken en de BTW hierop voor een bedrag van … BEF (… EUR) in aftrek gebracht. Deze aftrek werd door de administratie verworpen. Een dwangbevel werd door de administratie uitgevaardigd op 25 april 1984.

Op 3 september 1984 werd door de rekenplichtige van het bevoegde BTW­ontvangkantoor te Kortrijk een hypothecaire inschrijving genomen tot zekerheid van een totaal bedrag van … BEF (… EUR), zijnde het BTW-bedrag van … BEF (… EUR), vervallen intresten t.b.v. … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) als toebehoren.

Ingevolge een bezwaarschrift van eiseres werd voor het gebouw een beroepsgedeelte aanvaard van 44,4 % en werd het verschuldigde BTW-bedrag verminderd tot … BEF (… EUR), te vermeerderen met intresten en een geldboete. Bij gebreke aan betaling werd op 4 december 1986 een nieuw dwangbevel uitgevaardigd.

Tegen dit laatste dwangbevel werd door eiseres op 2 juni 1987 verzet met dagvaarding aangetekend.

Bij vonnis d.d. 24 oktober 1991 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk werd dit verzet ongegrond verklaard. Het hoger beroep door eiseres ingesteld tegen dit vonnis, werd bij arrest d.d. 18 november 1996 door het Hof van Beroep te Gent onontvankelijk verklaard.

Op 30 september 1997 werd bij beslissing van de gewestelijk directeur van de BTW te Brugge een deel van de boete kwijtgescholden en werd een gedeeltelijke vrijstelling verleend voor de intresten.

Op 19 januari 1998 heeft eiseres het verschuldigde saldo betaald 'onder voorbehoud van al hun rechten'.

Op 6 maart 1998 heeft de administratie aan eiseres laten weten dat de handlichting van de hypotheek enkel kan bekomen worden mits het gestelde voorbehoud schriftelijk wordt ingetrokken.

Op 8 juli 2002 werd handlichting van de hypotheek verleend.

Met een schrijven d.d. 28 oktober 2002 aan de administratie stelt eiseres gerechtigd te zijn op een schadevergoeding wegens het ten onrechte langdurig vestigen van een hypotheek voor een veel te hoog bedrag op haar eigendom.

Op 19 december 2003 gaat eiseres over tot dagvaarding.

2. Eiseres vraagt dat :

- verweerder veroordeeld wordt tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van een bedrag van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten;

- verweerder minstens wordt veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan eiseres van een bedrag van … EUR;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, spijts elke voorziening en zonder borgstelling of kantonnement.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. voorafgaandelijk

1.1. In haar besluiten d.d. 17 januari 2006 stelt eiseres dat het dwangbevel op verkeerde gegevens stoelde en als nietig moet beschouwd worden.

1.2. De rechtbank stelt vast dat het verzet tegen dit dwangbevel d.d. 4 december 1986 door de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk met een vonnis van 24 oktober 1991 ongegrond werd verklaard. Het hoger beroep tegen dit vonnis werd bij arrest d.d. 18 november 1996 van het Hof van Beroep te Gent niet ontvankelijk verklaard. Het vonnis d.d. 24 oktober 1991 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk heeft dus kracht van gewijsde.

Eiseres kan de nietigheid van het dwangbevel d.d. 4 december 1986 dan ook niet meer inroepen.

2. schadevergoeding

2.1. Om aanspraak te kunnen maken op een schadevergoeding dient eiseres een fout te bewijzen in hoofde van verweerder. Eiseres dient ook haar schade te bewijzen en het oorzakelijke verband tussen de fout en de schade.

2.2. Volgens eiseres bestaat de fout van verweerder uit het ten onrechte langdurig vestigen van een hypotheek voor een veel te hoog bedrag.

2.3. Er is geen discussie over het feit dat een hypothecaire inschrijving werd gevestigd voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR) op 3 september 1984. De reden tot het vestigen van de hypotheek was het openstand bedrag ingevolge het dwangbevel d.d. 25 april 1984. Eiseres bewijst niet dat het dwangbevel werd uitgevaardigd op basis van manifest onjuiste bedragen.

Er is ook geen betwisting dat ingevolge een bezwaar een nieuw dwangbevel werd uitgevaardigd voor het verlaagde bedrag van … BEF (… EUR) te vermeerderen met intresten en een geldboete.

In het kader van het bezwaar deelt staatssecretaris Walthiel van Financiën in een brief d.d. 5 september 1985 mee dat het verzoek tot handlichting van de hypothecaire inschrijving gedeeltelijk kan worden ingewilligd in die zin dat de bedragen tot zekerheid waarvan hypothecaire inschrijving werd genomen tot beloop van de verminderde navordering zullen teruggebracht worden.

2.4. De rechtbank stelt vast dat de hypothecaire inschrijving op 3 september 1984 terecht werd gevestigd voor een bedrag van … BEF (… EUR), maar door de administratie diende verlaagd te worden vanaf het inwilligen van het bezwaar, Dit is evenwel om onduidelijke redenen niet gebeurd.

Uit het feitenrelaas blijkt verder dat eiseres op 19 januari 1998 het verschuldigde saldo heeft betaald. De administratie gaat evenwel niet over tot handlichting omdat zij wil dat eiseres schriftelijk afstand doet van het voorbehoud dat zij gemaakt heeft bij de betaling. Uit de voorgelegde stukken kan de rechtbank niet opmaken of eiseres schriftelijk afstand heeft gedaan van dit voorbehoud. Uit de stukken blijkt wel dat pas op 8 juli 2002 handlichting werd verleend.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de administratie vanaf 19 januari 1998 geen reden had om geen handlichting te verlenen. Eiseres had alle openstaande bedragen betaald en er diende dan ook geen zekerheid meer gesteld te worden. Het voorbehoud kan geen reden zijn om geen handlichting te verlenen.

2.5. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder een fout heeft begaan door in 1985 het bedrag van de hypothecaire inschrijving niet te verlagen en door in januari 1998 geen handlichting te verlenen van de hypothecaire inschrijving.

2.6. Door de fouten van verweerder heeft eiseres volgens haar in 1985 geen hypothecair krediet t.b.v. … BEF (… EUR) verkregen bij de toenmalige N. M. v. K. a. d. N. (NMKN) waardoor zij een aantal investeringen niet kon realiseren.

Als bewijs legt eiseres een schrijven d.d. 26 mei 1987 van notaris V. van … neer, waarin deze stelt dat hij vanwege NMKN op 12 maart 1985 een kredietdossier ten gunste van eiseres heeft ontvangen, maar dat dit dossier werd teruggestuurd naar NMKN met de vermelding van de hypothecaire inschrijving genomen door verweerder.

Verder legt eiseres een schrijven d.d. 20 juni 1985 van het toenmalige NMKN neer waarin deze stelt dat de kredietopeningsakte pas kan worden verleden wanneer een bewijs wordt voorgelegd dat het openstaande BTW-bedrag en de intresten werden betaald en de hypothecaire inschrijving werd opgeheven.

2.7. Eiseres vergeet evenwel dat de hypothecaire inschrijving na het inwilligen van het bezwaarschrift alleen te hoog was. Er was ook na het inwilligen van het bezwaar nog altijd een openstaand BTW-bedrag dat door eiseres niet was betaald.

Uit niets blijkt dat, indien de administratie na het inwilligen van het bezwaar de hypothecaire inschrijving had verlaagd, eiseres wel een hypothecair krediet had verkregen. Eiseres bewijst ook niet dat zij eventueel bij andere bankinstellingen naar een hypothecair krediet heeft geïnformeerd. Verder bewijst eiseres niet welke investeringen zij wilde doen en bewijst zij evenmin dat deze investeringen niet gebeurd zijn door het niet verkrijgen van het krediet.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat eiseres na het inwilligen van het bezwaar ook nooit heeft aangedrongen op de verlaging van de hypothecaire inschrijving. Eiseres bewijst dan ook niet dat zij schade heeft geleden door het niet verlagen van de hypothecaire inschrijving.

Eiseres bewijst ook niet dat zij schade heeft geleden door dat de hypothecaire inschrijving niet werd gelicht in januari 1998. De rechtbank stelt ook vast dat eiseres tussen januari 1998 en juli 2002 niet heeft aangedrongen bij de administratie op de handlichting van de hypothecaire inschrijving.

2.7. Eiseres bewijst zodoende niet dat zij schade heeft geleden die te wijten zou zijn aan de fouten van verweerder.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vijftien mei tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.