Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 6 februari 2007 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 6 februari 2007

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 6 februari 2007Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2007-02-06-7062

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
6 februari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

56 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 06.02.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/3629/A Rep. nr. 2007/1927

de heer V. G., handelaar (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester B. S. (balie Kortrijk) loco Meester L. G., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging van de Administratie van de Invordering, Sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het dwangbevel d.d. 4 oktober 2005, dat werd betekend op 17 oktober 2005.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie d.d. 13 december 2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van het door verweerder overlegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 2 januari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de uitbating van een groot- en kleinhandel in diverse brandstoffen en petroleumproducten. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Uit de stukken blijkt dat eiser op 12 januari 2006 een openstaande BTW-schuld heeft ten bedrage van in totaal 2.950.969,62 EUR uit hoofde van 2 RCIV-nrs. Enkel het RCIV-nr. … voortspruitende uit een bijzondere rekening van 30.04.2005 tot 31.07.2005 is thans in het geding; Deze bijzondere rekening werd opgemaakt voor een bedrag van 6.302,56 EUR (BTW-bedrag) en 630,00 EUR (boete wegens niet tijdige betaling).

Voor deze bedragen, te vermeerderen met intresten en kosten, werd op 4 oktober 2005 een dwangbevel uitgevaardigd. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 oktober 2005 door de ambtenaar aangewezen door de gewestelijke directeur van de Belastingen over de toegevoegde waarde te Brugge. Het dwangbevel werd betekend op 17 oktober 2005 aan eiser.

Fiscaal verhaal werd door eiser aangetekend bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 13 december 2005.

2. Eiser beperkt zijn vordering op de zitting van 2 januari 2007 tot de vraag :

- dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- dat -gezegd wordt voor recht dat de bedragen opgenomen in het dwangbevel uitgevaardigd op 4 oktober 2005 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 oktober 2005 door eiser mogen worden afbetaald in 20 maal;

- dat verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder vraagt dat de vordering ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

B. Betreffende de grond

1. Volgens verweerder is alleen de BTW-ontvanger bevoegd om een afbetalingsplan toe te staan. Dit principe vindt volgens verweerder zijn oorsprong in artikel 66 van het Koninklijk Besluit van 17 juli 1991, houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en dit artikel is geen fiscale wet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W. De regel van artikel 1244, 2° lid B.W. is bovendien enkel van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst, volgens verweerder.

2. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat tot de Wet van 23 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken heeft geleid, bepaalt dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de werkelijkheid van om het even welke individuele toepassing van de belastingnorm. In de Memorie van Toelichting is o.m. te lezen dat tot deze geschillen o.m. behoren “het (niet) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 gecoördineerde wetten op de rijkscompatibiliteit)” (Part. St Kamer, 1997-98, 1341/1 en 1342/1, bespreking van art. 4, p. 35).

Een belastingplichtige die betalingsmodaliteiten vraagt voor de uitvoering van een dwangbevel inzake BTW, betwist de facto de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel. Wanneer de administratie weigert de uitvoering van een dwangbevel (geheel of gedeeltelijk) op te schorten, is er wel degelijk sprake van een fiscaal geschil in de zin van artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W.

3. De rechtbank stelt vast dat er geen beletsels zijn om in het fiscaal recht de gemeenrechtelijke principes m.b.t. uitstel van betaling te hanteren.

Wanneer het, zoals in het fiscaal recht, gaat om een verbintenis die ontstaat uit de wet, is er in wezen geen enkele reden om artikel 1244 B.W van die verbintenis uit te sluiten.

Vermits artikel 1244 B.W. uitdrukkelijk stelt dat er van zijn bepalingen door geen enkel beding kan van afgeweken worden, heeft de wetgever te kennen gegeven dat artikel 1244, 2° lid B.W. van openbare orde is.

In de mate deze overwegingen leiden tot de confrontatie van twee principes van openbare orde, namelijk dat uit artikel 1244 B.W. en dat van de toepassing van het fiscaal recht, is er niet noodzakelijk een conflict : de openbare orde kan er immers belang bij hebben dat de fiscale verbintenissen vaneen belastingplichtige niet leiden tot zijn sociale uitsluiting.

4. Verweerder roept in dat de voorwaarden van artikel 1334 Ger.W. niet voldaan zijn. De rechtbank is van mening dat dit artikel hier niet van toepassing is. Het dwangbevel is (na uitvoerbaarverklaring) een uitvoerbare titel op grond waarvan de administratie beslag op roerend en onroerend goed kan leggen. Dat maakt evenwel van het dwangbevel nog geen authentieke akte. Aldus is de belastingplichtige niet gebonden aan de vervaltermijn van 15 dagen, ook al is het dwangbevel een bevel dat de weg voor een beslagprocedure opent.

5. De rechtbank moet bij toepassing van artikel 1244 B.W. omzichtig te werk gaan. Tevens dient hij de toestand van partijen en de reeds genoten respijttermijnen in acht te nemen.

In casu brengt eiser geen enkel element voor betreffende zijn financiële toestand of zijn inkomsten. De schuld is reeds anderhalf jaar openstaand en blijkbaar heeft eiser nog geen poging tot afbetaling gedaan. Eiser haalt ook geen enkele reden aan waarom hij aanspraak zou kunnen maken op een afbetalingsplan.

Rekening houdend met het totaal gebrek aan stukken betreffende de financiële toestand van eiser, de reeds genoten opschorting gedurende de procedure en het feit dat het bedrag opgenomen in het dwangbevel d.d. 4 oktober 2005 slechts een zeer klein deel is van de totale openstaande schuld, gaat de rechtbank niet in op het verzoek tot afbetaling.

C. Betreffende de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel1017, 1° lid Ger.W. moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zes februari tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.