Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 20.12.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND
in de zaak AR nr. 04/838/A van :
de ADV P. BVBA, gevestigd te .., …, vertegenwoordigd door de heer G. D. B., wonende te …, …, zaakvoerder van de ADV P..
eiseres,
in persoon,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 22 november 2005, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. het gedinginleidend verzoekschrift van 12 maart 2004 en
2. de conclusie voor verweerder van 28 juli 2004.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il.DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres werd kennelijk gesticht bij notariële akte van 25 juni 1997, maar is tot op heden nog nooit geregistreerd geweest als BTW-belastingplichtige. In mei 1999 was een aanvraag tot registratie ingediend, maar daarop werd door verweerder niet meteen ingegaan.
Op 10 juli 2000 heeft de heer R. V. dan als zaakvoerder van eiseres bij de diensten van verweerder een aanvraag ingediend voor het bekomen van teruggave van BTW voor een bedrag van 42.041 frank (1.042,17 euro).
Verweerder heeft daarop een onderzoek ingesteld waaruit de volgende gegevens en overtredingen zijn gebleken en naderhand werden weergegeven in het proces-verbaal van 11 juli 2001 :
- In de periode van 30 juli 1997 tot 18 januari 1998 heeft eiseres belastbare handelingen gesteld in het kader van haar economische activiteit waarvoor zij 4 uitgaande facturen opmaakte.
- Volgens die facturen was er een bedrag van 40.191 frank (996,31 euro) BTW verschuldigd door eiseres aan de Schatkist, maar doordat bewezen is dat de eerste factuur definitief oninbaar is, wordt dat bedrag teruggebracht tot 30.785 frank (763,14 euro) BTW.
- Op een aankoopfactuur van eiseres, heeft haar leverancier melding gemaakt van een BTW-registratienummer, terwijl er geen registratie was (het blijkt wel het nationaal nummer van eiseres te zijn).
- Er werd door eiseres geen aangifte van haar activiteit gedaan en evenmin van de stopzetting van haar activiteit.
- Hoewel eiseres daartoe per kwartaal verplicht was, heeft ze nooit BTW-aangiften ingediend.
- Evenmin heeft eiseres ooit voor 31 maart van het kalenderjaar dat volgt op het jaar van de belastbare handelingen, een BTW-listing overgemaakt.
In dat proces-verbaal van 11 juli 2001 heeft verweerder de volgende sommen verschuldigd verklaard :
- 30.785 frank of 763,14 euro BTW
- 303.000 frank of 7.436,81 euro boete en
- de wettelijke interest op 30.000 frank vanaf 21 april 1998.
De boete van 303.000 frank is een totaal van diverse boetes, met name :
- 3.000 frank of 74,37 euro afgeronde, verminderde proportionele boete;
- 20.000 frank of 495,79 euro verminderde niet-proportionele boete wegens niet-aangifte van de aanvang van werkzaamheden en de niet aangifte van de stopzetting van werkzaamheden;
- 80.000 frank of 1.983,15 euro boete voor het niet indienen van de BTW-aangifte van vier kwartalen (2de, 3de en 4de kwartaal 1997 en 1ste kwartaal 1998) en
- 200.000 frank of 4.957,87 euro boete voor het niet indienen van de BTW-listing voor de jaren 1997 en 1998.
Bij gebrek aan vrijwillige betaling door eiseres, werd op 15 april 2002 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 18 april 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd. Omdat werd rekening gehouden met een tegoed van eiseres op rekening-courant (voor een bedrag van 2.646,11 euro), werden de cijfers in dat dwangbevel aangepast.
Als conclusie werd getrokken dat nog de volgende bedragen verschuldigd waren :
- 763,14 euro BTW;
- 5.151,04 euro geldboete;
- de wettelijke interest zowel op de verschuldigde BTW als op de nog verschuldigde geldboete en
- de vervolgingskosten.
Na aanmaning per aangetekende brief van 20 oktober 2003, heeft eiseres per brief van 3 december 2003 om kwijtschelding van boetes en interest gevraagd.
Op 29 januari 2004 deelde verweerder aan eiseres mee dat hij beslist had om uitzonderlijk een vermindering van de boete toe te staan tot een bedrag van 2.478,93 euro op voorwaarde dat de nog verschuldigde sommen onmiddellijk en definitief zouden vereffend worden na ontvangst van een aangepast betalingsbericht.
Bij gebreke aan betaling door eiseres, liet verweerder op 1 april 2004 overgaan tot betekening en bevel voor de bedragen vermeld in het dwangbevel van 15 april 2002.
Ondertussen had eiseres al met haar verzoekschrift van 12 maart 2004 haar vordering ingesteld.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank de opgelegde boeten en interesten volledig zou kwijtschelden.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BESPREKING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Kwijtschelding van de boete
Eiseres beroept zich in wezen op haar goede trouw en op het feit dat één van haar zaakvoerders een oplichter bleek te zijn, dat zij tegen hem klacht heeft neergelegd en dat dit tot de veroordeling van die zaakvoerder heeft geleid. Ook roept ze in dat ze geen financiële middelen heeft en dat haar huidige zaakvoerders al wat verschuldigd is zullen moeten in de vennootschap inbrengen om het geld ter beschikking te hebben. Ook zou de boekhouder waarop eiseres beroep zou gedaan hebben om de zaak recht te trekken, in gebreke zijn gebleven.
Verweerder benadrukt in wezen dat hij slechts de wettelijke bepalingen heeft toegepast. Hij roept in dat de nalatigheden van een eigen zaakvoerder en van de door eiseres zelf gekozen boekhouder, niet tegenstelbaar zijn aan verweerder.
De rechtbank kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde administratieve geldboetes.
De rechtbank is van oordeel dat hier in wezen een vergelijkbare benadering mogelijk is als in strafzaken. Met name blijkt eigenlijk dat de optelling van de verschillende boeten voortvloeien uit één en dezelfde laakbare gedraging, namelijk waarin eiseres zich als BTW-belastingplichtige gedraagt voor het uitreiken en ontvangen van facturen, maar voor het overige haar plichten niet nakomt (niet-indienen van aangiften en BTW-listings en vooral niet betalen van de BTW). Het blijft onmiskenbaar dat dit ernstige feiten zijn waarvoor een boete verantwoord is, te meer dat eiseres dit alles doelbewust moet gedaan hebben : zij had immers een BTW-nummer aangevraagd maar er nooit één gekregen. Gelet op de eerder beperkte omvang van de activiteiten die eiseres hoe dan ook slechts heeft ontplooid en de beperkte omzet, moet de totale geldboete voor alle overtredingen, wil ze aangepast en redelijk zij, beperkt worden tot een bedrag van 2.500 euro. Daarbij kan verduidelijkt worden dat de aanrekening die gebeurd is van het tegoed op rekening-courant, opnieuw zal moeten gebeuren, rekening houdend met enerzijds een boete van 2.500 euro en een bedrag verschuldigd aan BTW van 763,14 euro.
2.2. Kwijtschelding van interest
De wettelijke interest is niets anders is dan een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Interest op een BTW-schuld en op BTW-boetes is op zich een schuld die de belastingplichtige moet betalen.
Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks die schuld kwijt te schelden. De rechtbank kan dan ook alleen nagaan of de beslissing van de administratie (in toepassing van artikel 84, 2de lid WBTW) om - wanneer het haar gevraagd werd - niet in te gaan op een vraag tot kwijtschelding van interest gebeurd is binnen de wettelijke beperkingen en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank is van oordeel dat er bezwaarlijk enige schending van het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel of enig andere beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden door van eiseres interest op de BTW-schuld en de boetes te vorderen die door de wet is voorzien.
Door de vertraging in de betaling van de hoofdsom, is verweerder enerzijds in de onmogelijkheid om het geld aan te wenden. Anderzijds kan die vertraging eiseres helpen om het hoofd te bieden aan andere schuldeisers, die gebeurlijk minder inschikkelijk zijn.
In die omstandigheden gaat de rechtbank niet in op de vordering tot kwijtschelding van interest.
3. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
IV.UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
De rechtbank zegt daarop voor recht dat het dwangbevel dat op naam van eiseres werd uitgevaardigd op 15 april 2002 onder RCIV nr. … slechts geldig en uitvoerbaar is wat de geldboete betreft voor zover er wordt uitgegaan van een totaal bedrag aan geldboeten van tweeduizend vijfhonderd euro (2.500 EUR), met behoud van de verschuldigde BTW op een bedrag van 763,14 euro, de wettelijke interesten zowel op BTW als op de boete en de kosten, bedragen waarop het tegoed van de rekening-courant van eiseres voor een bedrag van 2.646,11 euro moeten worden aangerekend.
De rechtbank verwijst elk van de partijen in haar eigen gerechtskosten in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op twintig december tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.