Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 18 oktober 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 18 oktober 2004

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 18 oktober 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2004-10-18-7539

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
18 oktober 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

53 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 18.10.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak : 03/590/A

de heer V. L., veehandelaar, (H.R. Brugge nr.49.860), wonende te …, …,

eiser

voor wie optreedt Meester M. M., advocaat te …

TEGEN

De FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,

verweerder

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …

l. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 19 februari 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 20 september 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van veehandelaar.

Op 28 maart 2002 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 2000.

Door de controlerende ambtenaar werd op 3 december 2002 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen m.b.t. de in aftrek gebrachte belasting op de aankopen bij de heer L. werden geacteerd.

Op 6 december 2002 werd door de met invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 13 december 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. d. R., directeur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 18 december 2002 bij aangetekend schrijven aan eiser ter kennis gebracht.

2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de … EUR rechtsplegingsvergoeding. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat er akte wordt verleend van het feit dat hij voorbehoud wenst te maken om de erven van de heer J. L. in tussenkomst en vrijwaring te roepen in deze zaak.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiser diende op 23 juli 1973 een aangifte van aanvang van werkzaamheid in voor de op 1 juli 1973 aangevatte activiteit van veefokker. Hij opteerde hierbij voor de bijzondere regeling voor landbouwondernemers (ingesteld bij artikel 57 W.BTW en KB nr. 22 van 15 september 1970).

Volgens de specifieke voorwaarden omschreven in artikel 5 van het KB nr. 22 van 15 september 1970 mag de koper van de goederen de belasting berekend tegen het tarief dat voor de handeling geldt in aftrek brengen mits de betaling ervan aan de landbouwondernemer gestaafd wordt conform de bepalingen van artikel 4, § 1 of § 2 van hetzelfde KB. Eén van die voorwaarden is dat de naam en het adres van de landbouwondernemer en de vermelding dat deze laatste onderworpen is aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducten op het stuk vermeld zijn. Daarenboven moet één der exemplaren van het stuk voor akkoord ondertekend worden door de landbouwondernemer. De koper kan op grond van dat ondertekend exemplaar de betaling van de forfaitaire compensatie aan de landbouwondernemer als aftrekbare belasting beschouwen.

In het proces-verbaal van 3 december 2002 stelt verweerder dat de BTW die eiser sinds 1998 heeft betaald op aankopen van vee bij de heer L., met woonplaats te …, …, onterecht in mindering heeft gebracht omwille van de niet vermelding op de aankoopborderellen van de onderwerping aan de forfaitaire landbouwregeling van de verkoper en omwille van de niet-ondertekening van de aankoopborderellen door diezelfde verkoper.

3.2.2. Het is de belastingplichtige zelf die het bewijs moet leveren dat het door hem uitgeoefende recht op aftrek bestaat. Het is met andere woorden eiser, en niet verweerder, die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek vervuld zijn. Dit bewijs wordt geleverd door het bestaan van de effectieve handelingen aan te tonen en door in het bezit te zijn van de stukken die dit staven en die de nodige garantie bieden om de inning van de belasting en de controle ervan mogelijk te maken.

In casu dienen de stukken te beantwoorden aan de bepalingen van artikel 4 van het KB nr. 22 van 15 september 1970.

Door de verbaliserende ambtenaar werd vastgesteld dat op geen enkel aankoopborderel werd vermeld dat de verkoper L. aan de forfaitaire regeling voor landbouwproducenten (KB nr. 22 van 15 september 1970) onderworpen was. Tevens werd vastgesteld dat voormelde borderellen niet ondertekend waren door diezelfde verkoper. Uit voormelde documenten blijkt dus op geen enkele wijze de hoedanigheid en de identiteit van de verkoper. Door het ontbreken van de handtekening van de verkoper bieden zij ook geen enkele waarborg nopens de aard en de hoeveelheid van de handeling en de overeengekomen prijs.

De ontbrekende vermeldingen zijn dan ook van die aard dat ze niet toelaten aan verweerder om een efficiënte controle te houden. Verweerder heeft dan ook terecht de aftrek geweigerd.

Het is verder zonder meer duidelijk dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. In casu verdient het legaliteitsbeginsel voorrang omdat er in hoofde van de belastingplichtige geen gerechtvaardigde verwachtingen werden gecreëerd naar aanleiding van het feit dat verweerder in het verleden nooit enige opmerking heeft gemaakt i.v.m. de conformiteit van de aankoopborderellen gelet op de uitdrukkelijke wetsbepalingen die de belastingplichtige geacht wordt te kennen.

3.2.3. Het verzet van eiser dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.2.4. Indien eiser meent dat hij recht heeft om de betaalde BTW te recupereren van de erven L., staat het hem vrij om zijn vorderingsrecht t.a.v. hen uit te oefenen. Er is dan ook geen enkele reden om aan eiser voorbehoud te verlenen om in deze zaak de ervan L. in tussenkomst en vrijwaring te roepen.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Zegt verder voor recht dat er geen grond bestaat om aan eiser voorbehoud te verlenen om in deze zaak de erven L. in tussenkomst en vrijwaring te roepen.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op achttien oktober tweeduizend en vier.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N.L. N. H.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 22 art. 41 voorkomen
KB nr. 22 art. 51 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

2