Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 4 oktober 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 4 oktober 2004

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 4 oktober 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2004-10-04-fbda

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
4 oktober 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

110 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 04.10.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brugge, VIJFDE KAMER, heeft het hiernavolgende vonnis verleend :

In de zaak 93/1570/A Rep. nr. 2004/12713

C. J., aannemer van bouwwerken, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder het nummer …;

eiser,

voor wie is verschenen meester A. D., loco meester R. D., beiden advocaat te …;

tegen :

1. H. G., werktuigkundige, wonende te …, …;

2. M. C., wonende te …, …;

verweerders,

voor wie is verschenen meester V. V. D. B., advocaat te …, loco meester advocaat te L. V., advocaat te ….

EN IN DE ZAAK : 99/527/A

C. J., aannemer van bouwwerken, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder het nummer …;

eiser,

voor wie is verschenen meester A. D., loco meester R. D., beiden advocaat te …;

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met burelen te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4;

eerste verweerster,

voor wie is verschenen meester J. V. d. P., advocaat te …;

2. M. C., wonende te …, …;

tweede verweerster,

voor wie is verschenen meester V. V. D. B., advocaat te …, loco meester advocaat te L. V., advocaat te ….


I. Rechtspleging

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding van 21 mei 1993 voor de terechtzitting van 04 juni 1993.

Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 17 mei 2004.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Toepassing werd gemaakt van de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

II. Voornaamste feitelijke gegevens en voorgaanden

In de zaak met Algemene, Rolnummer 93/1570/A ging eiser over tot dagvaarding van verweerders ten einde hen solidair, minstens gezamenlijk te horen veroordelen om aan hem te betalen het bedrag van (omgerekend) 22.021,10 euro, meer een bedrag van (omgerekend) 22.02,04 euro, zomede de intresten en de kosten van het geding. Minstens vordert eiser de toekenning van een provisie van (omgerekend) 7.436,81 euro, mits de aanstelling van een gerechtsdeskundige ten einde een project van afrekening op te maken.

Eiser overweegt dat hij aanvaard heeft om in opdracht en voor rekening van verweerders en volgens de plannen en bestekken van architect J. V. afbraak- en verbouwingswerken uit te voeren aan het gebouw ter …, ….

Op het plakwerk na, zijn deze werken volgens eiser voltooid, doch hij heeft het werk stil gelegd toen bleek dat verweerders - onder voorwendsel van betwisting van de nochtans door de architect goedgekeurde rekeningen - betaling bleven weigeren van forse bedragen waarop eiser reeds recht heeft en welke hij berekent op hogergenoemde som van (omgerekend) 22.021,10 euro, te verhogen met het forfaitair schadebeding van (omgerekend) 7.436,81 euro.

In besluiten van 04 juni 1993 hebben verweerders deze vordering betwist. Zij betogen er dat de door eiser uitgevoerde werken niet alleen gebrekkig zijn, doch bovendien is de eindafrekening totaal onjuist en met name niet conform de gemaakte afspraken.

Verweerders begrijpen ook niet waarom eiser de aanstelling van een gerechtsdeskundige vraagt, nu hiertoe reeds eerder beslist werd en wel bij beschikkingen in kort geding, verleend door de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, respectievelijk op 23 april 1993 en op 07 mei 1993.

Volgens verweerders is de afrekening van eiser voorbarig en zij verwijzen reeds naar de opmerkingen van architect V.; volgens diens bevindingen zouden verweerders in totaal slechts (omgerekend) 94.641,58 euro moeten betalen met inbegrip van de meerwerken, dan wanneer verweerders alsdan reeds 99.158,65 euro betaald hadden, alle bedragen exclusief BTW. Derhalve beschouwen verweerders de eis voorbarig en ongegrond.

In besluiten van 31 augustus 1998 betoogt eiser dat deskundige S. zijn eindverslag neerlegde op 22 oktober 1996. Na een controle liet de BTW-administratie weten dat het bedrag van de uitgevoerde werken niet op 6 % BTW beliep, doch wel op 19,5 %.

Vervolgens bespreekt eiser het deskundig verslag op cijfermatig gebied. Hij is het niet eens met de deskundige bevindingen en stelt vast dat de deskundige niet de nodige opmetingen verrichtte. Eiser trekt er de aandacht op dat er enorme verschillen bestaan tussen de diverse ramingen van de deskundige; het verschil tussen het hoogste en het laagste bedrag beloopt op ongeveer(omgerekend) 24.789,35 euro.

Het verschil tussen de berekening van eiser en deze van de deskundige op p. 93 vindt volgens eiser zijn oorzaak in de nalatige, onwillige en gemakzuchtige werkwijze van de deskundige, die uitging van gissingen of van onjuiste gegevens.

Eiser benadrukt ook regelmatig dat de juistheid van de door hem aangerekende hoeveelheden nadrukkelijk als juist bevonden werd door architect V., waarvan toch mag worden aangenomen dat hij de werken op de voet ,volgde en dat hij het nodige deed om de afrekening van de aannemer te controleren.

Met betrekking tot de aangerekende BTW stelt eiser dat hij de aanslagvoet van 6 % gehanteerd heeft op basis van de verklaring van verweerders.

Aldus komt eiser tot de bevinding dat verweerders hem nog een saldo van (omgerekend en alles inbegrepen) 46.681,05 euro verschuldigd zijn, onder voorbehoud van eventuele BTW-boetes en vermeerderd met de kosten van het geding.

In besluiten van 19 april 2001 zetten verweerders uiteen dat zij zich ingevolge vochtproblemen in het gebouw genoodzaakt gezien hebben om zich opnieuw tot de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge te wenden, hetgeen aanleiding gaf tot de beschikking van 17 september 1998, waarbij aan expert S. een aanvullende opdracht toevertrouwd werd. Wegens ziekte heeft de deskundige deze opdracht niet volledig kunnen afwerken, doch wel voor 90 %.

Aldus bespreken verweerders het tweede verslag S., hetwelk aanleiding geeft tot tal van bijkomende verrekeningen en zij komen tot de slotsom dat eiser hen het bedrag van (omgerekend) 3.607,57 euro verschuldigd blijft, meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, waaronder de expertisekosten. Verweerders zetten nog uiteen dat zij bereid zijn de expertiseverslagen te aanvaarden, doch slechts inde mate dat eiser daarover geen verdere betwisting voert. Tevens vorderen zij de voorlopige uitvoerbaarheid van het te verlenen vonnis met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Zij stellen een tegeneis in die zin en vorderen de afwijzing van de hoofdvordering als ongegrond.

In besluiten van 10 januari 2002 antwoordt eiser dat hij het niet eens wat met het feit dat er een tweede expertise bevolen werd. Ook de wijze waarop de deskundige zijn tweede opdracht uitvoerde, gaf volgens eiser aanleiding tot tal van betwistingen, die hij opsomt.

Eiser verwijt deskundige S. dat hij obstinaat weigerde om enige waarde te hechten aan de opmetingen en afrekeningen die opgemaakt en goedgekeurd werden door architect V.; al even obstinaat weigerde de deskundige bovendien om de juistheid van bepaalde (door de architect als juist erkende) beweringen van eiser na te gaan via een destructief onderzoek; volgens eiser hechtte de deskundige al te gemakkelijk geloof aan de beweringen van verweerders.

Bovendien poogde de deskundige herhaaldelijk om van eiser te bekomen dat hij bepaalde aanpassingswerken zou uitvoeren in de loop van het deskundig onderzoek, zonder dat vooraf duidelijkheid verschaft werd in de zin zoals verder gespecifieerd door eiser.

Tevens weigerde de deskundige volgens eiser om, naar aanleiding vaneen beperkt destructief onderzoek dat hij bevolen had in het kader van de tweede opdracht, een aantal vaststellingen te acteren die conclusies uit het eerste onderzoek (waar destructief onderzoek geweigerd werd) tegenspraken.

Eiser bespreekt vervolgens de verdere afwikkeling van de tweede expertise, waarbij de deskundige zijn verrichtingen staakte ingevolge gezondheidsproblemen. Volgens eiser was deze tweede expertise in een patstelling beland.

In rechte voert eiser aan dat de zaak samenhangend is met de zaak onder Algemene Rolnummer 99/527/A (het geschil met de BTW-administratie).

Eiser betwist de afrekening van verweerders; hij verwijst hiertoe vooreerst naar zijn vorige besluiten. Bovendien is het expertiseverslag van 22 oktober 1996 nietig, gelet op de medewerking van een derde (arch. H.).

Het tweede expertiseverslag is volgens eiser in wezen en juridisch onbestaand; het is niet afgewerkt en het is zelfs niet onder eed bevestigd.

In hun syntheseconclusie van 16 september 2003 bespreken verweerders de voorgaand en zij hernemen hun standpunten en hun tegeneis. Zij betwisten de tekortkomingen die eiser aan de expert verwijt met betrekking tot het eerste verslag; volgens hen zijn de verwijten aan het adres van de deskundige ongegrond. Bovendien mocht hij zich laten bijstaan door architect H.; dit brengt volgens verweerders geenszins de nietigheid van het verslag mee.

Ook de kritiek van eiser op het tweede expertiseverslag is volgens verweerders ongegrond. Het is volgens hen niet nodig dat de tweede expertise ab ovo overgedaan wordt. Enkel het laatste door expert S. voorgenomen destructief onderzoek zou nog kunnen bevolen worden, waarbij de relevantie evenwel in vraag moet gesteld worden. Verweerders herinneren er aan dat eiser zich tegen dit onderzoek verzette; het aanvullend onderzoek zou enkel in het voordeel van verweerders kunnen resulteren en betrokkenen zetten dit nader uiteen.

Verweerders menen ook dat er aanleiding is tot voeging van de zaak met de BTW-procedure.

In .ondergeschikte orde zetten verweerders hun standpunt uiteen voor het geval een nieuw expert wordt aangeduid met het oog op het voorgenomen destructief onderzoek. Uiterst ondergeschikt betwisten verweerders het door eiser gevorderd strafbeding en de verbrekingsvergoeding.

Verweerders hebben hun middelen nog verder verdiept en toegelicht in navolgende besluiten en zij relateren dat architect H. de stagiair was van expert S., onder verwijzing naar stuk 16.

In de zaak onder Algemene Rolnummer 99/00527/A betekende.(huidige) eiser aan de Belgische Staat (voorts ook "verweerder" genoemd) verzet tegen het dwangbevel van 08 januari 1996 dat hem op 22 januari 1999 betekend werd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge. Tevens werden (huidige) verweerders mede gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring.

In besluiten van 15 oktober 1999 stelt verweerder vast dat de betwisting enkel betrekking heeft op de vraag of de door eiseruitgevoerde werken betreffende het onroerend goed aan de … te … dienen beschouwd te worden als een nieuwbouw, dan wel als een verbouwing voor de bepaling van het toepasselijk BTW-tarief (namelijk 19,5 %, dan wel 6 %).

In essentie komt het standpunt van verweerder er op neer dat hij de werken in onroerende staat niet als omvormings- of verbouwingswerken kan beschouwen, aangezien het gebouw werd afgebroken en nieuw gebouw. Dit feitelijk gegeven wordt door verweerder uitvoerig nader toegelicht en gesteund op de facturen die aan de bouwheer uitgereikt werden, het attest dat door de bouwheer afgeleverd werd, de inlichtingen van de gemeente … betreffende de bouwvergunning en de aangifte die door de bouwheer ingediend werd bij de Administratie van het Kadaster.

De bewering van eiser, als zou het gebouw steunen op de bestaande funderingen met behoud van de bestaande zij- en draagmuren, wordt volgens verweerder pertinent tegengesproken door de vaststellingen in het proces-verbaal van 18 augustus 1995 en verweerder bespreekt dit in detail. Volgens verweerder gaat het aldus duidelijk om een nieuwbouw, zodat het verlaagd tariefgeen toepassing kan vinden.

Verweerder voegt er nog aan toe dat het hangend rechtsgeding nopens de aannemingsprijs geen invloed heeft op de beslechting van het fiscaal geschil. Voorlopig wordt immers de gefactureerde aannemingssom als maatstaf van heffing genomen voorde berekening van de verschuldigde BTW. Aldus besluit verweerder tot de ongegrondheid van het verzet en de veroordeling van eiser tot de kosten van het geding.

In besluiten van 06 maart 2000 besluit eiser tot samenvoeging van beide zaken. Volgens hem laat verweerder na om te preciseren waar en hoe hij uit de aangehaalde stukken een bewijs, of een aanduiding vindt dat het in casu ging om nieuwbouw in de door de wet bedoelde zin. Hij licht zijn standpunt nader toe en overweegt nog dat de onjuistheid van de onderstelling, of bewering van verweerder zal blijken uit de gegevens van het geding onder Algemene Rolnummer 93/570/A.

In aanvullende besluiten verzet verweerder zich tegen de samenvoeging van de zaken; ten grande betoogt hij dat uit alle voorhanden zijnde stukken en verklaringen ondubbelzinnig naar voor komt dat het oud gebouw werd afgebroken en dat er een nieuw gebouw werd opgericht.

Volgens verweerders is op de bouwwerken het BTW-tarief van 6 % verschuldigd en zij voeren onder meer aan dat de bestaande constructie niet volledig werd afgebroken, hetgeen zij toelichten aan de hand van enkele feitelijke elementen. Beide zijgevels bleven staan, gemeenschappelijk met de buren, zo ook een deel van de achtergevel; de funderingen van de voor- en achtergevel zijn eveneens blijven staan, zomede de fundering van het gelijkvloers; ook de kelders werden behouden en er is geen volumevermeerdering gerealiseerd ten opzichte van de vroegere situatie. De wezenlijke elementen van de structuur van het oud gebouw bleven behouden; het werd slechts gedeeltelijk afgebroken.

Tevens verwijzen zij naar het attest van architect V. de dato 30 juli 1992. Zij gedragen zich naar het oordeel nopens de gevorderde samenvoeging. In ondergeschikte orde benadrukken verweerders dat zij ter goeder trouw handelden en zij verzoeken dat hen geen intresten, noch boete zou ten laste gelegd worden. Zij verwijzen nog naar hun schrijven om advies de dato 05 oktober 1992. In latere besluiten stellen verweerders vast dat het verzoek tot kwijtschelding van de boete zonder voorwerp is en dat de Rechtbank onbevoegd is met betrekking tot de vrijstelling van intresten.

Verweerder heeft zijn standpunt in navolgende besluiten nog uitvoerig toegelicht en hij voegt eraan toe dat de boete niet meer kan kwijt gescholden worden, aangezien dit reeds gebeurd is door een beslissing van de Gewestelijke Directeur te Brugge de dato 02 februari 2004. De rechter is niet bevoegd om vrijstelling van intresten te verlenen.

Eiser en verweerders legden nog besluiten neer op 05 maart 2004, respectievelijk 10 maart 2004 en bij beschikking van 22 maart 2004 werd onderhavige zaak aan de Voorzitter van de Rechtbank voorgelegd in toepassing van artikel 88, § 2 Ger. W., hetgeen aanleiding gaf tot de beschikking van 28 april 2004, waarbij de zaak met Algemene Rolnummer 99/527/A verwezen werd naar onderhavige kamer om er gevoegd te worden met het dossier gekend onder Algemene Rolnummer 93/1570/A.

III. Beoordeling

Gelet op de samenhang en mede gelet op de zo even aangehaalde presidentiële beschikking, is er aanleiding om beide zaken te voegen.

In de zaak onder AR nr. 93/1570/A

Het eerste verslag van deskundige S. is niet nietig om reden dat de deskundige zich zou hebben laten bijstaan door een medewerker, in casu architect H. (confer de brief van de deskundige aan de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brugge de dato 03 november 2000, ongenummerd stuk in het bundel van verweerders). Weliswaar dient de gerechtsdeskundige zijn taak persoonlijk uit te voeren, doch dit neemt niet weg dat het hem toegelaten is om zich te laten bijstaan door medewerkers die onder zijn directe leiding en verantwoordelijkheid werken (zie bv. Guldix, E., e.a., "Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen", Intersentia, 2000, p. 51 ). Nergens blijkt dat de deskundige aan voornoemde medewerker andere dan ondergeschikte taken zou toevertrouwd hebben, of dat de medewerker standpunt zou ingenomen hebben over het voorwerp van de expertise. Het is juist dat het tweede verslag S. nietig is als verslag van gerechtelijke expertise, al was het maar omdat het niet voorzien is van de wettelijke eedformule; het is niet ondertekend en het verslag was ook niet volledig beëindigd.

De nietigheid van het (tweede) verslag brengt niet met zich mede dat daaraan geen enkele bewijswaarde zou kunnen gehecht worden. Geen enkele rechtsregel verhindert de rechter immers om het onderzoek, de gedane vaststellingen en het uitgebracht advies te beschouwen als bestaande feiten, waarin hij bewijskrachtige, feitelijke vermoedens kan vinden (vergelijk : Guldix, E., o.l.c., p. 72).

De kritiek van eiser op de voorliggende verslagen kan niet bijgetreden worden. Bij het eerste verslag heeft deskundige S. wel degelijk rekening gehouden met alle standpunten nopens de eindafrekening, ook met het eindafrekeningsvoorstel van architect V.. Het is duidelijk dat bepaalde posten (zoals grondwerken, ondergronds metselwerk, riolering) niet fysiek kunnen opgemeten worden. Ten onrechte verwijt eiser de deskundige dat hij geen destructief onderzoek gevoerd heeft om toch tot metingen te kunnen overgaan; dergelijk onderzoek zou het doel ver voorbij schieten. Het is ook niet juist dat de deskundige zich zou gebaseerd hebben op gissingen, of berekeningen op basis van onzekere factoren.

Dat architect V. de door eiser aangerekende hoeveelheden uitdrukkelijk als juist zou erkend hebben, kan niet teruggevonden worden in het stuk 8, waarnaar eiser verwijst. Dit stuk betreft een meetstaat, die uiteraard vóór de aanvang der bouwwerken opgemaakt werd.

In zijn eindafrekeningsvoorstel ,(stuk I, 15 verweerders) wijkt architect V. overigens op vele punten af van de berekeningen van eiser.

Het tweede verslag S. werd inderdaad niet volledig afgewerkt. De deskundige wenste nog een beperkt destructief onderzoek te voeren nopens de oorzaak van de vochtschade in de kleine slaapkamer op het gelijkvloers. In zijn voorverslag (p. 55, punt 13.4.) had hij deze schade toegeschreven aan de gebrekkige afdekking van de annexes aanpalend eigendom; hiervoor was eiser volgens de deskundige niet verantwoordelijk, doch de deskundige sloot niet uit dat de vochtschade eventueel mede veroorzaakt werd door andere factoren dan de slechte toestand van de gemene muur.

Het gepland destructief onderzoek beoogde dus enkel om na te gaan of de aannemer eventueel mede aansprakelijk kon gesteld worden voor die vochtschade (zie brief van deskundige S. de dato 10 oktober2000, ongenummerd stuk in het bundel van verweerders). Dit bijkomend onderzoek (dat niet is doorgegaan) zou derhalve enkel tot het voordeel van verweerders hebben kunnen strekken; zij dringen ter zake evenwel niet aan. Eiser heeft zich steeds verzet tegen dit bijkomend, beperkt destructief onderzoek.

De Rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden niet nodig dat er nog bijkomend deskundig onderzoek verricht wordt.

In het algemeen sluit de Rechtbank zich aan bij de bevindingen van deskundige S., zowel met betrekking tot het eerste verslag, als met betrekking tot het tweede verslag.

Met betrekking tot de BTW-aanslagvoet kan enkel vastgesteld worden dat partijen overeengekomen zijn dat eiser 6 % BTW. zou aanrekenen. Dit blijkt uit de offerte van 16 september 199 I (zie laatste bladzijde stuk 1 eiser met de uitdrukkelijke vermelding : 6 %)

Op de facturen van eiser wordt ook telkens 6 % BTW aangerekend; deze facturen leveren tegen de leverancier die ze uitreikt, het bewijs op van het bestaan van de overeenkomst zoals die uit de vermeldingen op de factuur blijkt (vergelijk : Dirix, E. & Ballon, G., "De Factuur", Story, 1985, n° 181). Ook in de andere afrekeningen en in de briefwisseling van namens eiser wordt telkens de aanslagvoet van 6 % gehanteerd (stuk 4, 6 eiser; zie ook de dagvaarding).

Nu de aldus vastgestelde aanslagvoet deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen, is eiser niet gerechtigd om opeens de hogere aanslagvoet van 19,5 % op te leggen (zie op p. 5 van zijn besluiten van 31 augustus 1998).

Uit de overtuigingsstukken van verweerders (I, 14) komt naar voor dat zij achtereenvolgens 500.000 fr. + 1.000.000 fr. + 1.590.000 fr. + 530.000 fr. + 530.000 fr. betaalden, samen 4.150.000 frank, thans 102.875,81 euro. Deze betalingen werden in aanmerking genomen door de deskundige, die op p. 93 van het eerste verslag tot de conclusie komt dat verweerders aan eiser verschuldigd blijven wegens openstaand saldo op de aannemingssom (inclusief BTW) het bedrag van 480.479 frank, thans 11.910,76 euro. Het is niet bewezen dat verweerders zich verbonden hebben tot de algemene factuurvoorwaarden van eiser. Evenmin zijn zij enige verbrekingsvergoeding verschuldigd.

Op dit saldo dienen de bedragen die lastens eiser weerhouden worden in het tweede expertiseverslag in min verrekend te worden, namelijk 265.702 fr. + 1.208 fr. + 20.098 fr. + 324.000 fr. + 15.000 fr. (p. 90 eerste verslag) = 626.008 fr. of 15518,33 euro.

Aldus blijft eiser na compensatie van hoofd- en tegeneis aan verweerders verschuldigd (overeenkomstig de laatste syntheseconclusie van verweerders, op p. 5) het bedrag van 3.607,57 euro, meerde gerechtelijke intresten op dit bedrag vanaf 20 juli 1998 en de kosten van het geding, aan de zijde van verweerders begroot op 16.543,41 euro.

In de zaak met AR nr. 99/527/A

Uit het expertiseverslag S., zomede uit de andere bouwdocumenten (meetstaat, prijsofferte) komt naar voor dat verweerders een volledig nieuw gebouw opgetrokken hebben, na afbraak van het bestaand gebouw. Enkel de gemene zijgevels werden behouden, maar de fundering van het oud gebouw werd volledig verwijderd en uitgegraven om een nieuwe fundering aan te brengen en er een nieuw gebouw op te trekken.

Van enige verbouwing in de zin van de BTW-wetgeving is er aldus geen sprake, zodat de door eiser uitgevoerde werken hadden moeten gefactureerd worden aan de BTW-aanslagvoet van 19,5 %, in plaats van 6 %.

Het verzet van eiser is aldus ongegrond en hij wordt veroordeeld tot de kosten van het geding die aan de zijde van verweerder gevallen zijn.

Verweerders (net als eiser trouwens) wisten naar het oordeel van de Rechtbank maar al te goed daler in feite een nieuwbouw opgetrokken werd, zodat de werken aan 19,5 % BTW hadden moeten gefactureerd worden (ondanks de verklaring volgens stuk 10 eiser) en ook al werd het anders overeengekomen.

In die omstandigheden past het om hen in vrijwaring te veroordelen zoals hierna verder bepaald en overeenkomstig hetgeen in de verzetsakte gevorderd wordt. In ondergeschikte orde (namelijk als de Rechtbank zou vaststellen dat het verzet van C. J. ongegrond is en dat inderdaad de BTW-aanslagvoet van 19,5 % had moeten toegepast worden) verzetten verweerders zich niet tegen de vrijwaringsvordering, ook niet op cijfermatig gebied.

De kosten van de verzetsprocedure vallen evenwel niet ten laste van verweerders, aangezien het verzet van C. J. ongegrond bevonden wordt.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtbank, recht doende op tegenspraak en in eerste aanleg.

Voegt de zaken gekend onder algemene rolnummers 9311570/A en 99/527/A samen om in één vonnis te worden beoordeeld.

Verklaart de hoofdvordering en de tegenvordering in de zaak onder AR nr. 93/1570/A ontvankelijk en na compensatie van hoofd- en tegeneis.

Veroordeelt C. J. om te betalen aan H. G. en M. C. het bedrag van 3.607,57 euro (drieduizend zeshonderd en zeven euro en zevenenvijftig eurocent), meer de gerechtelijke intresten op dit bedrag aan de wettelijke rentevoet vanaf 20 juli 1998 tot de datum van volledige betalingen de kosten van het geding, die aan de zijde van H. G. en M. C. begroot worden op de som van 16.543,41 euro.

Laat de kosten aan de zijde van C. J. in deze procedure ten zijnen laste, zodat ze niet verder dienen begroot te worden.

Verklaart het verzet van C. J. in de zaak onder AR nr. 99/527/A ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt H. G. en M. C. om C. J. te vrijwaren voor de bedragen die hij aan de Belgische Staat dient te betalen krachtens de betekeningbevel op 22 januari 1999 van het dwangbevel de dato 08 januari 1996 voor het bedrag van (omgerekend) 8.148,95 euro, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de door C. J. verrichte betalingen.

Veroordeelt C. J. tot de kosten aan de zijde van de Belgische Staat, begroot op 342,09 euro wettelijke rechtsplegingsvergoeding.

Laat de overige kosten van het verzet, zoals gevallen aan de zijde van C. J., ten zijnen laste, zodat deze kosten niet verder begroot dienen te worden.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op vier oktober tweeduizend en vier.

Aanwezig :

M. D., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van de kamer;

F. V., griffier.

M. D. F. V.