Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 09.02.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 03/1409/A Rep. nr. 2004/1802
1. de heer A. C., leraar, en
2. mevrouw M. H., zonder beroep, samenwonende te …, …,
eisers,
voor wie optreedt Meester A. C., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, met kantoren gevestigd te Brugge, Sint-Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van de administratie van de BTW, in de persoon van de BTW-Ontvanger te Oostende, Administratief Centrum, Vrijhavenstraat 1, eerste verdieping, aldaar woonst kiezende,
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …
1. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 7.05.2003.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 12 januari 2004.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren die aan de woning in de …, te … onroerende werken hebben verricht.
Op 8 maart 2001 werd door de heer D. V., assistent van financiën verbonden aan het BTW-controlekantoor te Diksmuide, een plaats bezoek verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer V. voornoemd, op 11 oktober 2002, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).
Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eisers een bedrag gevorderd van 9.213,63 EUR BTW en 920,00 EUR geldboete.
Wegens niet-betaling werd op 5 maart 2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 maart 2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer W. D., e.a. inspecteur bij de BTW te Diksmuide (zie stuk 2 verweerder).
Dit dwangbevel werd op 2 april 2003 bij deurwaardersexploot aan eisers betekend (zie stuk 3 verweerder).
2.2. Eisers vragen dat :
- Het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
- Het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard.
- Minstens de boete wordt herleid tot één tiende.
- Gezegd wordt voor recht dat zij geen BTW in meer verschuldigd zijn en dat het toepasselijke BTW-tarief de 6 % regeling betreft.
2.3. Verweerder vraagt ter zitting dat de vordering van eisers als ongegrond wordt afgewezen en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
Voorafgaandelijk : Overeenkomstig artikel 740 van het gerechtelijk wetboek worden de stukken 5 tot en met 12 van verweerder, die zonder voorafgaande mededeling op de terechtzitting werden overlegd, ambtshalve uit de debatten geweerd.
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Eisers stellen dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing vaneen uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.
3.2.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.
In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.
In het BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : “De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken".
3.2.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.
3.2.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93, nr. 70,6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).
3.2.5. Op basis van het voorgelegde en goedgekeurde bouwplan blijkt dat het hier gaat om een binnen verbouwing en om de uitbreiding van de woning met dakkapellen en met een gelijkvloerse uitbouw van de leefruimte achteraan. Tijdens het plaats bezoek de dato 8 maart 2001 werd dit door de bevoegde ambtenaar vastgesteld. ln zijn verslag vermeldt hij het volgende : "... De woning heeft een volledige nieuwe voorgevel en achteraan werd het woongedeelte uitgebreid. Enkel de beide gemeenschappelijke zijmuren van de rijwoning zijn gebleven".
De rechtbank stelt vast dat de reeks handelingen die door de wetgever werden opgesomd, en waarop het verlaagd tarief van toepassing is, geenszins de vergroting en/of de uitbreiding van een woning uitsluiten.
In casu werd het oude gebouw gesaneerd en vergroot doordat een nieuw vertrek werd toegevoegd en doordat er bestaande vertrekken werden verbouwd. Op basis van de voorgelegde plans en het onderzoek ter plaatse blijkt immers dat de woning werd uitgebreid met dakkapellen en met een gelijkvloerse uitbouw van de leefruimte achteraan. Dergelijke uitbreidingswerken zijn niet van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. Verder is het ook zo dat de kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen dienstig zijn in functie van de veranderingen aan de bestanddelen van het bestaande voorwerp en dat zij op zich geen eigen identiteit hebben verworven. De vloeroppervlakte van het behouden gedeelte van de bestaande woning is bovendien niet kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken.
Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken de omvorming van een woning vormen en geenszins de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook van toepassing op de uitgevoerde werken.
3.2.6. De vordering van eisers is dan ook gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en geacht op tegenspraak ten aanzien van verweerder,
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Weert uit de debatten de stukken 5 tot en met 12 van verweerder.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Vernietigt het bestreden dwangbevel.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eisers niet te begroten bij gebrek aan opgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negen februari tweeduizend en vier.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.