---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 13 december 2000"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 13 december 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-2000-12-13-96c6"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 13 december 2000 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

13 december 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

58 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 13.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hierna volgend vonnis verleend**

In de zaak **98/2251/A** Rep. nr. 2000/3439

**de heer F. V. W.**, arbeider, wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie optreedt Meester **L. G.**, advocaat te …

tegen :

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging van de e.a inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30; die keuze van woonplaats doet bij zijn ambtsgenoot te BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op deinleidende dagvaarding houdende verzet de dato 1 april 1998.

Gelet op de verwijzing van de zaak de dato 6 december 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van daze rechtbank.

De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Partijen warden gehoord in hun middelen bij mohde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 13 november 2000.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiser is een niet-belastingplichtige particulier die aan zijn woning in de …, te … onroerende werken heeft verricht.

Op 19.08.1997 werd door de heer **E. B.**, bestuursassistent verbonden aan het controlekantoor te Tielt, een plaatsbezoek verricht met het oog, op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW, van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer **B.** voornoemd, op 9 december 1997, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van 278.438 BF aan BTW en een bedrag van 27.000 BF aan geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 30 juli 1998 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 3 augustus 1998 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer **R. V.**, e,a. inspecteur a.i. bij de BTW te Tielt (zie stuk 2 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 13 augustus 1998 bij deurwaardersexploot aan eiser betekend (zie stuk 3 verweerder).

**2.2.** De vordering van eiser strekt ertoe :

\- te horen zeggen dat huidig verzet ontvankelijk en gegrond is.

\- dienvolgens te horen zeggen dat voornoemd dwangbevel niet kan worden uitgevoerd en dat de daarin vermelde sommen niet verschuldigd zijn.

\- verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van eiser begroot op 2.950 BF dagvaardingskosten en 12.600 BF rechtspIegingsvergoeding.

\- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande elke voorziening, zonder borgsteliing en met uitsluiting van kantonnement.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 12.900 BF rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

**3.1.** Eiser stelt dat het in casu niet gnat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

**3.2.** Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20, van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee.gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de adminIstratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt ih welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken".

**3.3.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

**3.4.** Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw. , Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).

**3.5.** Tijdens het plaatsbezoek en op basis van de voorgelegde bouwplans werd door de bevoegde ambtenaar vastgesteld dat de vloeroppervlakte van het behouden gedeelte van de bestaande woning, zijnde 101,10 m 2 (61,32 m 2 op gelijkvloers en 39,78 m 2 op de verdieping) kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken, zijnde 216,09 m 2 (125,27 m 2 op gelijkvloers en 90,82 m 2 op de verdieping) (stuk 1 verweerder).

De rechtbank stelt vast dat de reeks handelingen die door de wetgever werden opgesomd, en waarop het verlaagt tarief van toepassing is, geenszins de vergroting en/of de uitbreiding van een woning uitsluiten.

In casu werd het oude gebouw vergroot doordat er nieuwe vertrekken werden toegevoegd en doordat er bestaande vertrekken werden uitgebreid. Op basis van de voorgelegde plans en het onderzoek ter plaatse blijkt dat op het gelijkvloers een w.c., gang en een keuken en op het eerste verdiep twee slaapkamers aan de bestaande woning werden toegevoegd. Tevens werd de oude garage afgebroken en vervangen door een ruimere garage.

De kwestieuze uitbreidingswerken zijn, in tegenstelling met wat verweerder voorhoudt, niet van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. Verder is het ook zo dat de kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen dienstig zijn in functie van de veranderingen aan de bestanddelen van het bestaande voorwerp en dat zij op zich geen eigen identiteit hebben verworven.

Het is duidelijk dat voormelde werken de omvorming van een woning vormen en geenszins de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan oak van toepassing op de uitgevoerde werken.

**3.6.** De vordering van eiser is dan ook gegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond.

Vereletigt het bestreden dwangbevel.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiser begroot op 12.600 BF rechtsplegingsvergoeding en 2.950 BF dagvaardingskosten.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **dertien december tweeduizend**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**
