Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 28 februari 1990 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 28 februari 1990

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 28 februari 1990Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brugge-1990-02-28-e693

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
28 februari 1990

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

70 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 28.02.1990

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

in·de zaak AR nr. 21546

D. G., textielfabrikant, wonende te …, …;

eiser,

voor wie is opgetreden meester P.H. D., advocaat te …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, in de persoon van de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te Brugge, Lange Rei nr. 52, voorheen en thans Vincke-Dujardinstraat, 4;

verweerder,

voor wie is opgetreden de heer J. L., destijds advocaat te ….

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 27 september 1979 aan verweerder betekend.

Partijen werden gehoord bij monde van hun raadsman in openbare terechtzitting.

Gehoord het Openbaar Ministerie in de lezing van zijn schriftelijk advies in openbare terechtzitting.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door de partijen overgelegde bundels.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

II. TEN GRONDE

II.I. De bijzonderste gegevens der zaak

De vordering van eiser strekt ertoe terugbetaling te bekomen op basis van het principe van de onverschuldigde betaling van een som van 538.125 frank, meer de rente toepasselijk inzake BTW vanaf het ogenblik der betaling tot op het ogenblik der terugbetaling, meer de kosten van het geding.

De terugbetaling wordt gevorderd van een gespreide betaling verricht door eiser aan verweerder nadat verweerder aan eiser op 7 september 1976 een dwangbevel betekende met een mede betekend proces-verbaal, weliswaar niet ondertekend noch door de opsteller noch door de hoofdcontroleur.

Dit dwangbevel werd betekend ingevolge een controle door verweerder d.d. 13 november 1976, waarbij werd vastgesteld dat eiser op 1 januari 1974 zijn éénmanszaak had ingebracht in een vennootschap, de NV F., zonder de bedrijfsgebouwen in te brengen.

Verweerder oordeelde in zijn controle dat een herziening noodzakelijk was omwille van het feit dat eiser eigenaar was gebleven van zijn gebouwen en deze gratis ter beschikking had gesteld van de NV F., de vennootschap waarin zijn éénmanszaak was ingebracht.

Daar eiser voordien BTW in verband met deze gebouwen had afgetrokken, vorderde verweerder bij toepassing van artikel 48 en 49 van het Wetboek van BTW gedeeltelijke terugbetaling van deze bedragen.

II.2. Bespreking

II.2.1. De door eiseres ingeroepen nietigheid van het dwangbevel

Uit het dossier blijkt dat het afschrift van het proces-verbaal d.d. 4 mei 1976, waarna het dwangbevel d.d. 7 september 1976 bij wijze van motivering verwijst, geen melding maakt van de handtekening van de opstellers van het proces-verbaal op het origineel.

Conform het advies van het Openbaar Ministerie dient beschouwd dat, indien in het dwangbevel voor de motivering verwezen wordt naar een proces-verbaal dat er samen mee betekend werd, het proces-verbaal de enige wettelijke basis vormt voor de vervolging door de Staat.

Het proces-verbaal en het dwangbevel vormen dan een onafscheidelijk geheel en de nietigheid van het proces-verbaal brengt de nietigheid van het dwangbevel mee.

Er dient derhalve te worden besloten tot de nietigheid van het betekend dwangbevel.

Deze nietigheid werd reeds opgeworpen in de inleidende verzetsakte dagvaarding van eiser en met name in de tweede paragraaf van het dispositief en daarenboven kan deze nietigheid niet gedekt worden bij toepassing van artikel 864, 2e lid van het Gerechtelijk Wetboek, daar het om een absolute nietigheid gaat die enkel en alleen zou kunnen gedekt worden door artikel 864, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek, hetgeen in casu niet het geval is.

II.2.2. Gevolgen van deze nietigheid

De vraag dient gesteld in welke mate de nietigheid van het dwangbevel een impact heeft op de vordering in terugbetaling zoals gevraagd door eiser.

In casu dient te worden nagegaan hoe eiser ertoe kwam spontaan te betalen.

Zoals blijkt uit de overtuigingsstukken van eiser, werd hem door verweerder een schuldbekentenis voorgeschoteld. Hierop antwoordde de raadsman van eiser, met het voorstel dat hij geen schulderkenning zou ondertekenen, maar dat er gewoon wordt betaald onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige bekentenis (brief 20 juli 1977 eiser aan Administratie, waarbij uitstel wordt gevraagd door de raadsman van eiser om de zaak nader te onderzoeken).

Bij brief van 16 augustus 1977 verduidelijkt de raadsman van eiser zijn standpunt.

Hierbij vraagt de raadsman van eiser het bedrag af te lossen, mits maandelijkse aflossing van 25.000 frank per maand.

Er wordt daar verder het volgende aan toegevoegd :

“Dit alles wordt evenwel gedaan zonder enige nadelige bekentenis en onder voorbehoud van al zijn rechten. Inderdaad ik heb nog niet kunnen onderzoeken of zijn zaak juridisch anders op te lossen is, dan door de administratie is voorbehouden..”.

“Teneinde echter onze goede wil te tonen, en duidelijk te maken dat het er ons niet om te doen is steeds maar de zaak uit te stellen, zonder dat wij zelf een inspanning ter oplossing doen, zou mijn cliënt alvast met de maandelijkse afbetalingen aanvangen, echter steeds onder het gemaakte voorbehoud en zonder te bekennen dat de belasting verschuldigd is.

Mocht dan blijken dat wij een ander standpunt moeten innemen dan de administratie, dan zou het reeds betaalde worden terug gevorderd…".

Bij brief van 12 september 1977 aanvaardt de administratie de maandelijkse afkortingen van 25.000 frank, maar vraagt de ondertekening van een schuldbekentenis.

In casu kan niet getwijfeld worden aan het feit dat verweerder bij de opeising van de betaling ter goeder trouw was.

Artikel 1378 dient derhalve a contrario te worden toegepast (DE PAGE, o.c. blz.-25 nr. 20).

Er kunnen dus slechts intresten verschuldigd zijn vanaf de datum waarop op rechtsgeldige wijze wordt aangemaand (artikel 1153 Burgerlijk Wetboek).

Ten onrechte verklaart eiser dat de brieven, gericht aan de administratie in 1977, waarbij gewag wordt gemaakt van een eventuele terugvordering, als rechtsgeldige aanmaning kan weerhouden worden.

De eerste rechtsgeldige aanmaning is dan ook de betekende dagvaarding op 27 september 1979, zodat enkel gerechtelijke intresten vanaf·die datum verschuldigd zijn.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende in Eerste Aanleg en op tegenspraak.

Alle meeromvattende besluiten verwerpend als niet dienend, onontvankelijk en ongegrond.

Gezien het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in hiernavolgende mate gegrond.

Verklaart het oorspronkelijk door verweerder betekend dwangbevel d.d. zeven september negentienhonderd zesenzeventig, nietig.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van vijfhonderdachtentwintigduizendhonderdvijfentwintig (528.125) frank, meer de gerechtelijke intresten vanaf zevenentwintig september negentienhonderd negenenzeventig.

Veroordeelt verweerder eveneens tot de terugbetaling van de door eiser aangezuiverde kosten, zijnde :

- betekening 7 september 1976 : 1.927 frank;

- hypothecaire inschrijving 14 september 1976 776 frank;

- hypothecaire inschrijving 15 september 1976 801 frank.

Veroordeelt verweerder tenslotte tot de kosten van het geding, welke niet worden begroot in hoofde van verweerder; daar deze ze zelf moet dragen en begroot deze kosten in hoofde van eiser op :

- dagvaarding : 2.386 frank;

- rechtsplegingsvergoeding : 9. 600 frank;

Totaal 11.986 frank.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting, in het gerechtsgebouw te Brugge, op achtentwintig februari negentienhonderd negentig.

Aanwezig zijn :

P. D. K., alleenrechtsprekend plaatsvervangend rechter;

G. V. W., griffier.

D. V. W. P. D. K.