Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 17 april 2013 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 17 april 2013

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 17 april 2013Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2013-04-17-dfad

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
17 april 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

66 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 17.04.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zeventien april tweeduizend dertien in openbare zitting van de 4 F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : A.R. Nr. 11/7784/A

F. D. BVBA

ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

EISENDE PARTIJ

- verschijnend bij meester P. W. loco meester F. V., kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij mevrouw I. F., in hoedanigheid van inspecteur,

- eveneens verschijnende bij mevrouw F. D. R., in hoedanigheid van eerstaanwezend inspecteur.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 december 2011,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 januari 2012,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 april 2013.


Een ter zake BTW bevoegd ambtenaar verrichtte medio 2011 controle ten aanzien van eiseres, zulks met betrekking tot 2008, 2009, 2010 en de eerste twee kwartalen 2011.

Van daar uit voerde zij overtreding aan inzake tarifering van de gepresteerde diensten.

Zij formuleerde navordering van rechten, tot 10 % (aldus 1/20) herleide boete en intrest vanaf 21 juli 2011.

Op 8 september 2011 werd hierover correctieopgave verzonden.

Eiseres aanvaardde deze opgave niet middels brief van 25 oktober 2011.

De navordering werd dan op 25 november 2011 in een proces-verbaal gegoten.

Ontvanger BTW Antwerpen 3 vaardigde op 25 november 2011 dwangschrift, met aangehecht dwangbevel, uit.

Het werd op 29 november 2011 uitvoerbaar verklaard.

Het werd middels dwangbevel van 8 december 2011 betekend met bevel tot betalen.

Eiseres legde op 15 december 2011 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer.

Afschrift van het dwangbevel met bijlagen is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

Eiseres concludeerde laatst op 31 oktober 2012.

Verweerder concludeerde laatst op 27 november 2012.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde

De discussie spint rond de diensten die eiseres levert aan particulieren (buiten de diensten aan scholen) in een fitnesscentrum.

Het gaat hierbij om klanten die worden gegroepeerd na afneming van proeven en verstrekking van advies/adviezen.

Door een computerprogramma wordt een persoonlijk oefenschema uitgewerkt dat bepaalt aan welke toestellen moet worden geoefend en alsdan hoelang, om vervolgens via muzieksignaal naar een volgend toestel te worden doorverwezen.

De klant wendt een chipkaart aan om, via de programmatie, te kunnen oefenen op het toestel.

Hierbij wordt een doorschuifmethode gehanteerd binnen groepsverband, per oefenbeurt van telkens een uur op vooraf bepaalde dagen en uren voor ten hoogste 24 personen.

Om de twaalf weken worden fysieke proeven afgenomen om desnoods bij te sturen.

Eiseres past(e) 21 % toe voor het beweegadvies, de proeven, begeleiding van 'cooling­down' en dies meer (a).

Zij pas(te) 6 % toe voor wat zij noemt de prijs tot het verlenen van recht op toegang (b).

Naar haar zeggen lever(t)(de) dit binnen het geheel een verhouding van 20 % voor (a) versus 80 % voor (b) op.

Hoe er concreet tot deze verhouding wordt gekomen, legt ze niet uit.

Er kan alvast van uit worden gegaan dat het gaat om een complexe dienst.

De belastingdienst, en met hem nu verweerder, verwijzen inhoudelijk naar de publiciteit van eiseres (stuk 4 webstek, stuk 5 folder).

Die publiciteit strooit gul met termen als 'persoonlijke begeleiding', 'aandacht', 'training op afspraak', 'individueel oefenprogramma', en 'altijd aanwezig'heid van de Fitclass Pro (lees : begeleider) tijdens de Fitclass-lessen en ook nog : "Omdat er maximaal 24 deelnemers per les zijn, kan de Fitclass Pro voldoende aandacht aan jou besteden".

Het lijkt erop dat eiseres geen klanten heeft buiten zulke vorm van programma (dit buiten de fitnessclass voor scholen die door partijen als te dezen niet relevant wordt bestempeld).

Daaruit volgt noodzakelijkerwijze dat de dienst uitsluitend een dienst met begeleiding vormt.

Van individuele klanten die louter toegang verkrijgen om zonder vermelde begeleiding over te gaan tot fitnessoefeningen, is buiten dit alles te dezen geen sprake.

Aldus is 21 % van toepassing op de complexe dienst, nu de dienst valt buiten rubriek XXVIII van Tabel A van de Bijlage bij KB 20 inzake BTW (krachtens art.52 der Programmawet van 27 december 2006 tot wijziging van art.1 van vermeld KB).

De toegepaste boete van 10 % (1/20 van de basisboete) staat conform de modulering van KB 41 inzake BTW volop in verhouding tot de feiten.

De toegepaste boete vindt immers volop oorzaak binnen de door eiseres bewust gewilde gang van zaken.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de rechtsvordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

N. D. L. B.