Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 3 juni 2011 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 3 juni 2011

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 3 juni 2011Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2011-06-03-6580

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
3 juni 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

54 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 03.06.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op drie juni tweeduizend en elf in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :

P. W., rechter,

N. V., griffier,

Inzake AR nr. 09/8040/A

Gemeente S., vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met kantoren gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel,

a) op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

b) in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Controlekantoor te Boom, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2850 Boom, J. Van Cleemputplein 7;

verwerende partij,

verschijnende bij meester L. A., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 december 2009,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 15 januari 2010,

- de conclusies en stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 6 mei 2011.


De vordering strekt ertoe de terugbetaling te bevelen van de per 20 oktober 2009 onder voorbehoud van alle rechten en zonder nadelige bekentenis betaalde 230.874,80 EUR BTW, te verhogen met de wettelijke intresten vanaf datum van betaling en de gerechtelijke rente vanaf datum van neerlegging van het fiscaal verzoekschrift en de kosten van het geding.

Beoordeling

Sinds 1 januari 2005 zijn drinkwatermaatschappijen verplicht om het aan haar abonnees geleverde water te saneren, hetgeen zij onder meer kunnen doen door overeenkomsten af te sluiten met de gemeenten die immers over de nodige infrastructuur beschikken.

Bij administratieve beslissingen van 28 maart 2006 en 24 november 2006 werd onder meer bepaald dat :

- de gemeenten de hoedanigheid verkrijgen van belastingplichtige vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij effectief wordt gesloten;

- wat de herziening in het voordeel van de gemeenten van de aftrek van de BTW geheven van bedrijfsmiddelen, namelijk de rioolinfrastructuur, betreft, rekening moet gehouden worden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onder meer het arrest van 2 juni 2005 in de zaak W. Z. V. (zaak C-378/02), zoals trouwens reeds voordien was bepaald in de administratieve beslissing van 20 december 2005; uit deze rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon een goed heeft gekocht in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige en hij vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt en dit goed als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit gebruikt, het hem niet is toegestaan om de belasting geheven van de aankoop van dit goed volledig of gedeeltelijk in aftrek te brengen;

- de gemeenten die de hoedanigheid van belastingplichtige verkregen vóór 1 juli 2005 zich nog kunnen beroepen op het vroegere administratieve standpunt dat aan belastingplichtigen de mogelijkheid bood om een gedeelte in aftrek te brengen van de belasting geheven van de verkrijging van een bedrijfsmiddel aangekocht of verkregen toen zij nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden;

- de gemeenten die aldus de hoedanigheid van belastingplichtige slechts verkregen vanaf 1 juli 2005 bijgevolg geen herziening in hun voordeel kunnen krijgen van de BTW geheven op de bedrijfsmiddelen die ze hebben aangekocht toen ze nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden;

- het bewijs van de ondubbelzinnige bedoeling van de gemeente om belastbare handelingen te verrichten inzake het inzamelen en afvoeren van afvalwaters (anders gezegd van haar bedoeling een overeenkomst te onderschrijven met de drinkwatermaatschappij) kan geleverd worden door documenten waaruit zonder twijfel die bedoeling blijkt; dit is inzonderheid het geval wanneer er een uittreksel is van het besluit van de gemeenteraad waaruit de eensgezindheid van de gemeentelijke overheid blijkt om bedoelde diensten te verrichten voor zover uiteraard de overeenkomst waarmee de drinkwatermaatschappij heeft ingestemd op een later tijdstip daadwerkelijk ondertekend wordt; andere officiële documenten (briefwisseling, mededelingen enz.) waarvan de datum niet in twijfel kan getrokken worden, kunnen terzake ook als bewijs dienen; bijgevolg, vanaf het tijdstip dat zowel de gemeente als de drinkwatermaatschappij hebben ingestemd met de overeenkomst·inzake het inzamelen en afvoeren van afvalwater ontstaat de hoedanigheid van belastingplichtige voor die gemeente, zelfs indien op dat tijdstip het contract door de partijen nog niet werd ondertekend.

Eiseres heeft op 19 mei 2006 een overeenkomst gesloten met de drinkwatermaatschappij waarvoor de beslissing bij eenparigheid werd gestemd in de gemeenteraad van 27 april 2006.

Bij brief van 10 maart 2008 stelde eiseres dat zij meent op basis van objectieve feitelijke elementen te kunnen aantonen dat zij voor de ondertekening van de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij reeds de intentie had om belastbare handelingen te verrichten en ter staving hiervan voegde zij bij haar brief kopie van de respectieve verslagen en briefwisseling tussen haar en de drinkwatermaatschappij; volgens deze brief voldeed eiseres aldus aan de in voornoemde administratieve beslissingen van 28 maart 2006 en 24 november 2006 gestelde voorwaarden om de "historische BTW" te herzien over een periode van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari 2005; eiseres verzocht de bevoegde controledienst zijn standpunt hieromtrent schriftelijk te willen mededelen zodat zij hierover de nodige rechtszekerheid kon hebben.

Bij brief van 10 juli 2008 antwoordde de bevoegde controledienst uitdrukkelijk dat de historische aftrok in de eerstvolgende BTW-aangifte, mocht worden opgenomen in het vak 62; hetgeen eiseres deed.

Bij brief van 27 november 2008 kwam de bevoegde controledienst echter terug op zijn eerder gegeven akkoord en stelde deze controledienst dat de historische aftrok ten onrechte werd opgenomen in het vak 62 en diende rechtgezet te worden door opname in het vak 61 van de eerstvolgende BTW-aangifte.

In het kader van het gemeenschappelijke stelsel van BTW moeten de nationale belastingdiensten het vertrouwensbeginsel in acht nemen, zelfs al werd de historische aftrek van BTW onwettig aanvaard door de administratie; hierbij moet in de eerste plaats worden uitgemaakt of de handelingen van de administratieve instanties bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt; indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet in de tweede plaats worden nagegaan of dit vertrouwen gewettigd is waarbij het aan de nationale rechter staat om te beoordelen of de belastingplichtige redelijkerwijze kon aannemen dat de instantie, die de historische aftrek van BTW aanvaardde, bevoegd was om zich daarover uit te spreken (vergelijk H.v.J. 14 september 2006 inzake C-181/04 tot en met C-183/04, http://eur-Iex.europa.eu/nl/index.htm ).

Te dezen heeft de historische aftrek van BTW, die op 10 juli 2008 uitdrukkelijk werd aanvaard door de belastingdienst, die alle noodzakelijke feitelijke gegevens kende, bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer ongetwijfeld een redelijk vertrouwen gewekt dat de herziening van de aftrek van de BTW correct werd toegepast.

Verder staat het ongetwijfeld vast dat de belastingdienst, die op 10 juli 2008 uitdrukkelijk aanvaardde dat de historische aftrok in de eerstvolgende BTW-aangifte mocht worden opgenomen in het vak 62, bevoegd was om zich daarover uit te spreken en dat het vertrouwen van eiseres dan ook gewettigd was.

Bijgevolg moet de administratie het vertrouwensbeginsel in acht nemen, zelfs al werd de historische aftrek van BTW onwettig aanvaard, zodat zij op haar eerder gegeven akkoord dan ook niet kon terugkomen.

Doordat de administratie haar houding later plots wijzigt en deze herziening van de aftrek van de BTW niet meer aanvaardt, werd het bij eiseres opgewekte vertrouwen en haar recht op rechtszekerheid geschonden.

Aangezien de bevoegde belastingdienst de herziening van de aftrek van de BTW uitdrukkelijk heeft aanvaard, dient zij de gewettigde verwachtingen die zij bij eiseres heeft gewekt in te lossen.

De overige grieven dienen niet verder onderzocht te worden, daar zij, indien gegrond, niet tot een ruimere veroordeling kunnen leiden.

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zijn beide partijen in hun conclusies akkoord met een bedrag van 5.000,00 EUR. waarvan de rechtbank akte kan verlenen.

Gelet op de indexering dient het bedrag echter wel verhoogd te worden met 10 % zodat dit bedrag thans 5.500,00 EUR bedraagt.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van het bedrag van 230.874,80 EUR, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres begroot op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 5.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

N. V. P. W.

Aangehaalde teksten

2