Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 26 oktober 2009 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 26 oktober 2009

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 26 oktober 2009Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2009-10-26-5ac2

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
26 oktober 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

66 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 26.10.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zesentwintig oktober tweeduizend en negen in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van·het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : A.R. Nr. 06/7274/A

B. B.V.B.A.,

ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

EISENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester I. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester R. V. loco meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23 november 2006,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 30 juli 2008,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 september 2009.


Eiseres baat een pretpark uit.

Een bevoegd ambtenaar verrichtte in oktober 2004 aangekondigd BTW-controle bij eiseres.

Het betreft de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2003 en “de inschrijving van een groot bedrag in Vak 62 van de BTW-aangifte voor februari 2004” met het oog op teruggaaf.

Over de periode 1 april 2001 tot en met 31 maart 2003 blijkt naderhand een correctieopgave te zijn opgemaakt die eind oktober 2004 voor akkoord werd ondertekend.

Over de via de aangifte verrichte vraag tot teruggaaf werd een afzonderlijke correctieopgave opgemaakt waarover geen akkoord kon worden bereikt.

Terzake de vaststellingen die hadden geleid tot de afzonderlijke correctieopgave werd op 29 augustus 2006 proces-verbaal opgemaakt.

Het blijkt dat eiseres voor ter beschikking stelling van parkeerruimte in de periode van april 1999 tot november 2003 steeds 21 % BTW had aangerekend en dat ze via vermelde aangifte vraag tot teruggaaf formuleerde door aanspraak op toepassing van slechts 6 % BTW.

Deze vraag tot teruggaaf via aangifte werd door de belastingdienst ontzegd via navordering, ter correctie van die aangifte.

Voor de inmiddels verlopen periode van 1 december 2003 tot 31 maart 2006 werd op zelfde grondslag navordering geformuleerd voor het niet toegepaste tariefverschil.

Alzo werd gekomen tot de rechten, een conform KB 41 inzake BTW tot 10 % herleide boete, tenslotte intrest vanaf 21 april 2006.

Bij blijvend niet akkoord vaardigde de Ontvanger op 25 oktober 2006 dwangbevel uit.

Het werd op 27 oktober 2006 uitvoerbaar verklaard en dan middels aangetekende brief van 7 november 2006 ter kennis van eiseres gegeven.

Raadsman voor eiseres legde op 23 november 2006 verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neer.

Afschrift van dwangbevel, het eraan gehechte proces-verbaal ende kennisgeving zijn aan het verzoekschrift gehecht.

Partijen concludeerden laatstelijk in 2009 met elk een syntheseconclusie.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde loopt de discussie aldus over toepassing van tarief.

Eiseres verdedigt het standpunt dat het gaat om een 'geïntegreerde dienst' waarbij de parking als bijzaak de hoofdzaak van toegang tot het pretpark volgt.

Verweerder stelt dat het gaat om afzonderlijke diensten met elk hun eigen tarifering.

Uit de uitleg van partijen is met moeite uitte maken hoe ter plaatse de precieze werkwijze is.

Het parkeerterrein zou buiten het eigenlijke pretpark liggen, er wel op aansluiten.

Het zou ter uitrijden afgesloten zijn door middel van slagbomen.

Wie parkeert kan blijkbaar wel vrij het parkeerterrein oprijden, zou evenwel aan de kassa van het pretpark voor … Euro een 'jeton' moeten aanschaffen ter inbrenging in een automaat ter opening van de slagboom bij het wegrijden.

Of men dit schijfje afzonderlijk kan aanschaffen, aldus zonder toegang tot het pretpark, is niet echt duidelijk, maar uit de uitleg van partijen kan toch worden afgeleid dat dit niet kan.

Er wordt geen voorbeeld voorgelegd van een kasticket, noch van enig uitgehangen reglement (niet betwist lijkt toch dat autocars en fietsers alvast gratis stallen).

Bepalend is te dezen dat eiseres tot het pretpark ook toegang verleent aan mensen die niet met de auto komen en die bijgevolg geen gebruik maken van de geboden parkeergelegenheid.

Met andere woorden betaalt de bezoeker die met de auto komt en tegelijk verkiest zijn wagen op het parkeerterrein te stallen voor de stalling, anderen dan uiteraard niet.

Toegang tot het pretpark is alzo te dezen niet bepalend, nu zulks ook zonder parkeren kan.

Niet relevant is daarbij het gegeven" dat de inningwijze voor parking en pretparkingang op een enkele plaats en op een samenvallend ogenblik is gesitueerd.

Ten overvloede is de parkeerprijs forfaitair (vast bedrag) per auto en wordt hij niet beïnvloed door het aantal inzittenden ervan die al of niet toegang verlangen tot het pretpark.

De slagboom bij wegrijden lijkt bij dit alles louter bedoeld om vrij (lees : onbetaald) parkeren te beletten.

Uit wat voorafgaat dient te worden besloten dat eiseres de parkeervergoeding kunstmatig wil onderbrengen in de toegangsprijs tot het pretpark, als vormende één onlosmakelijk geheel.

Enige prejudiciële vraag is bij dit alles niet nodig ter oplossing van het geschil.

Partijen namen standpunt in ter zake de rechtsplegingvergoeding.

De vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel dan wel tot onwettig verklaring van de erin geformuleerde fiscale vordering is niet waardeerbaar, en er ligt te dezen geen reden voor tot afwijking op het basisbedrag;

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op … (…) Euro bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

N. D. L. B.