---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 11 juni 2008"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 11 juni 2008."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2008-06-11-6282"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 11 juni 2008 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

11 juni 2008

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

51 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 11.06.2008

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In zake : AR nr. **07/5059/A**

**E. BVBA**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **K.-W. A.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de gewestelijk directeur te Antwerpen, waarvan de burelengevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **L. A.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 augustus 2007,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 december 2007,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 mei 2008.

---

De vordering strekt ertoe de directorale beslissing van 29 mei 2007 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens het verzoek tot kwijtschelding van de BTW-boete ten bedrage van 1.910,00 EUR integraal gegrond te verklaren, kwijtschelding te verlenen van deze BTW-boete, eiseres te ontslaan van de ten onrechte betaalde BTW-boete en de terugbetaling te bevelen van de door eiseres reeds betaalde bedragen en/of door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de boete van 1.910.00 EUR

Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres de verschuldigde BTW niet tijdig heeft betaald.

Krachtens [artikel 3 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art3) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wordt volledige kwijtschelding van de geldboeten verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie.

Te dezen heeft de administratie bij aangetekende brief, gedateerd op 7 februari 2007 doch verzonden op 14 februari 2007, eiseres aangemaand de verschuldigde BTW te betalen; op 15 februari 2007 heeft de postbode een bericht gelaten op het adres van eiseres, doch eiseres heeft de aangetekende brief niet afgehaald (stuk 5 van verweerder).

De administratie deed aldus al het nodige opdat haar brief eiseres zou bereiken; eiseres heeft de aangetekende brief, die naar het juiste adres werd verzonden alwaar de postbode een bericht heeft gelaten, niet afgehaald; indien eiseres geen kennis heeft genomen van de brief van administratie, is dit uitsluitend aan haar eigen tekortkomen te wijten en kan dit geenszins verweten worden aan de administratie.

Aangezien eiseres de verschuldigde BTW slechts heeft betaald nadat voornoemde aangetekende brief op haar adres werd aangeboden, is er geen sprake van dat zij haar toestand spontaan heeft rechtgezet voor enige tussenkomst van de administratie zodat voornoemd [artikel 3 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art3) van 30 januari 1987 dan ook niet van toepassing is.

De geldboete van 10 %, die werd opgelegd ingevolge de niet-tijdige betaling van de BTW, is wettelijk en voldoende gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Verder is de rechtbank van oordeel dat het loutere feit, dat eiseres de verschuldigde BTW zou betaald hebben vooraleer een bijzondere rekening werd opgemaakt, geen reden is om deze boete kwijt te schelden of te verminderen gezien de betaling hoe dan ook laattijdig was en er geen sprake is van spontane rechtzetting.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :

\- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger.W.);

\- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger.W.);

\- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.

Te dezen wordt gevorderd kwijtschelding te verlenen van de BTW-boete ten bedrage van 1.910,00 EUR en eiseres te ontslaan van de ten onrechte betaalde BTW-boete; weliswaar wordt ook gevorderd om de terugbetaling te bevelen van de door eiseres reeds betaalde bedragen en/of door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten, doch er wordt niet nader gepreciseerd welke som zou betaald zijn en welk bedrag eiseres terugvordert zodat dit bedrag aldus niet wordt bepaald.

Bijgevolg wordt gevorderd om het bedrag van de BTW-boete niet te moeten betalen en om een niet nader bepaald bedrag terug te betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.

Bijgevolg is de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt.

Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.

Aangezien de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., staat het vast dat dit geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.

Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus 1.200,00 EUR, het minimumbedrag 75,00 EUR en het maximumbedrag 10.000,00 EUR.

Op de terechtzitting van 28 mei 2008 heeft eiseres verzocht om het basisbedrag te verminderen ingeval zij in het ongelijk wordt gesteld.

Gelet op de lage complexiteit van de zaak en het verzoek van eiseres om het basisbedrag te verminderen zijn er dan ook redenen om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot 400,00 EUR.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 400,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

**N. D.** **P. W.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens
