---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 14 december 2007"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 14 december 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2007-12-14-fb2b"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 14 december 2007 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

14 december 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

42 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.12.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien december tweeduizend en zeven in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, griffier.

**In zake : AR nr. 07/6316/A**

**F. D. S. J. C.**, geboren te … op 1 april 1970, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, wonende te …, ….

**eisende partij,**

\- persoonlijk verschijnend.

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer gewestelijk directeur van de administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen,

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16 oktober 2007,

\- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 29 november 2007.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 30 november 2007.

---

De vordering strekt ertoe om de schulden met betrekking tot :

\- dwangbevel Reg. 127/5044, uitgevaardigd op 26 augustus 2005 en uitvoerbaar verklaard op 2 september 2005,

\- dwangbevel Reg. 127/5345, uitgevaardigd op 4 juni 2007 en uitvoerbaar verklaard op 11 juni 2007,

\- dwangbevel Reg. 127/5346, uitgevaardigd op 4 juni 2007 en uitvoerbaar verklaard op 11 juni 2007,

met 200,00 EUR per maand af te korten.

## Beoordeling

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 wet 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit)- konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiser tot afbetalingstermijnen is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991) is de ontvanger, als rekenplichtige van de schatkist, aansprakelijk voor de invordering van de belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.

Uit voornoemd artikel 66 volgt dat eiser geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en dat de mogelijkheid om afbetalingstermijnen te bekomen een gunstmaatregel is die enkel kan verleend worden door de ontvanger der belastingen; het toestaan van afbetalingstermijnen gebeurt immers onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de ontvanger der belastingen valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de ontvanger een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de ontvanger zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be, Cass. 17 april 2000, Arr. Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, **R.W.** 1998-99, 1142).

Nu eiser geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en nu voornoemd artikel 66 aan de ontvanger der belastingen een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent het toestaan van afbetalingstermijnen, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de ontvanger.

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om afbetalingstermijnen toe te staan.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 371,85 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 185,92 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

**N. D.** **P. W.**
