---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 21 september 2007"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 21 september 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2007-09-21-9570"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 21 september 2007 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

21 september 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

45 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 21.09.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig september tweeduizend en zeven in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, griffier.

**In zake : AR nr. 07/4217/A**

**BVBA BZ & T**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **K. D. P.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 juni 2007,

\- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 13 juli 2007,

\- de conclusie van eisende partij neergelegd ter griffie op 14 september 2007 bij fax en ter zitting van 14 september 2007.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de Ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 september 2007.

---

De hoofdvordering strekt ertoe het bestreden dwangbevel Reg. 127/5228, uitgevaardigd op 12 april 2007 en uitvoerbaar verklaard op 13 april 2007, van nul en generlei waarde te verklaren, eiseres op hoofdvordering een uitstel van betaling te verlenen à rato van 3.000,00 EUR per maand vanaf de maand augustus 2007, teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres op hoofdvordering ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding, en verweerder op hoofdvordering te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd ter griffie op 13 juli 2007, heeft verweerder op hoofdvordering een tegenvordering gesteld die ertoe strekt eiseres op hoofdvordering te veroordelen tot betaling aan verweerder op hoofdvordering van een schadevergoeding van 750,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding.

## Beoordeling

## Betreffende de afbetalingstermijnen

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 wet 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiseres op hoofdvordering tot afbetalingstermijnen is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991) is de ontvanger, als rekenplichtige van de schatkist, aansprakelijk voor de invordering van de belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.

Uit voornoemd artikel 66 volgt dat eiseres op hoofdvordering geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en dat de mogelijkheid om afbetalingstermijnen te bekomen een gunstmaatregel is die enkel kan verleend worden door de ontvanger der belastingen; het toestaan van afbetalingstermijnen gebeurt immers onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de ontvanger der belastingen valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de ontvanger een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de ontvanger zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be , Cass. 17 april 2000, **Arr.Cass.** 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, **R.W.** 1998-99, 1142).

Nu eiseres op hoofdvordering geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en nu voornoemd artikel 66 aan de ontvanger der belastingen een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent het toestaan van afbetalingstermijnen, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de ontvanger.

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om afbetalingstermijnen toe te staan.

## Betreffende de tegenvordering

Een tergend en roekeloos geding onderstelt een bewust misbruik van het geding of een werkelijk onverschoonbare lichtzinnigheid bij het gebruik ervan hetgeen te dezen bewezen is nu eiseres op hoofdvordering een totaal ongegronde procedure in werking heeft gesteld en op kennelijk ondoordachte wijze deze vordering heeft ingesteld, hetgeen een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding rechtvaardigt, die door de rechtbank naar billijkheid begroot wordt op 750,00 EUR.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

rechtdoende op **tegenspraak**,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de hoofdvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Verklaart de tegenvordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot betaling van de som van 750,00 EUR aan verweerder op hoofdvordering wegens tergend en roekeloos geding.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder op hoofdvordering begroot op 364,41 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

**N. D.** **P. W.**
