Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 23 juni 2006 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 23 juni 2006

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 23 juni 2006Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2006-06-23-b2ee

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
23 juni 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

45 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23.06.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drieëntwintig juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : A.R. Nr. 05/2641/A

P. J. K., zonder gekend beroep, geboren te … op …, wonende te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester P. D. F., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester L. A., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. te … op 18 april 2005,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 22 september 2005.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 juni 2006.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 17 december 2004 en uitvoerbaar verklaard op 23 december 2004, nietig te verklaren, dienvolgens verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Beoordeling

Eiser organiseert wielermanifestaties voor amateurs en verkrijgt hierdoor de volgende inkomsten :

- reclame-inkomsten en sponsorgelden,

- subsidies vanwege gemeenten, provincies,

- inschrijvingsgelden vanwege de deelnemers.

Naar aanleiding van een controle is gebleken dat :

- op de beroepsmatig gebruikte bankrekening contante stortingen zijn gebeurd waarvan geen spoor in het dagboek van ontvangsten was terug te vinden,

- er een duidelijke correlatie bestaat tussen voornoemde contante stortingen en de contante ontvangsten op de wedstrijddagen.

Zo is gebleken dat in 2001 een bedrag van … BEF meer in contanten werd gestort.

Er bestaat een duidelijke correlatie tussen voornoemde contante stortingen van … BEF en de contante ontvangsten op de wedstrijddagen zodat deze contante stortingen op de beroepsmatig gebruikte bankrekening terecht werden beschouwd als verdoken meer ontvangsten.

Volgens eiser zijn deze contante stortingen van … BEF afkomstig van :

- giften van zijn schoonouders en zijn vader,

- wisselgelden die na de wedstrijd terug op de bank worden gestort.

De beweringen van eiser zijn echter totaal ongeloofwaardig en leveren geenszins het vereiste tegenbewijs; eiser levert immers niet het minste bewijs, ook niet door vermoedens, dat zijn schoonouders en zijn vader giften hebben gedaan; verder heeft eiser nog steeds geen verklaring gegeven waarom voornoemde wisselgelden een veelvoud zijn van de ontvangsten zelf, niettegenstaande hem dit reeds werd gevraagd bij de controle.

Anderzijds heeft eiser de BTW in aftrek gebracht van prijzen uitgereikt aan wedstrijdwinnaars en aan tombolawinnaars; de aftrek die door de administratie werd verworpen betreft enkel de BTW geheven van prijzen die niet door de inschrijvingsgelden worden betaald.

Als algemene regel geldt dat de BTW van de aankoop van prijzen, die niet door de inschrijvingsgelden worden betaald, niet voor aftrek in aanmerking komt aangezien de afgifte van deze prijzen gebeurt ter uitvoering van een handeling die is vrijgesteld van de BTW of, in voorkomend geval, buiten de toepassingssfeer van de BTW valt.

Het is aan eiser om aan te tonen dat de aangekochte prijzen binnen de voorziene uitzondering valt, doch hij levert hiervan niet het minste bewijs, zodat de aftrek terecht werd verworpen door de administratie.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

N. D. P. W.