Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 19 april 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 19 april 2004

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 19 april 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2004-04-19-59f3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
19 april 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

43 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 19.04.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negentien april tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 01/4744/A

E.-B. NV, met nationaal nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester A. R. loco meester J. N., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCH E STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur van de registratie en domeinen te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 juli 2001,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 8 december 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in bun middelen en gezegden ter zitting van 22 maart 2004.


De belastingdienst van de BTW heeft ten name van huidig eiseres een bijzondere rekening geopend voor de periode 31 augustus tot 30 november 2000, zulks uit oorzaak van het niet tijdig betalen van uit eigen aangiftes van eiseres blijkende verschuldigde BTW.

Te dier gelegenheid werd een boete opgelegd ter hoogte van, bij narekening, 10 % van de niet betaalde BTW op in absolute cijfers toen 13.850.658 BEF, aldus 1.385.000 BEF, dit laatste bedrag nu te lezen als 34.333,25 EUR.

Een en ander is met aangetekende brief van 29 januari 2001 medegedeeld aan eiseres (haar stuk 1).

Met gemotiveerd en gedocumenteerd informeel bezwaarschrift van 11 maart 2001 (stuk 2 eiseres) heeft eiseres de gewestelijk directeur verzocht om kwijtschelding dan wel minstens vermindering van de boete en verder om betalingsuitstel 'tot uiterlijk 30 april 2001'.

De directeur heeft het bezwaar beschouwd als vallend onder zijn administratieve rechtsmacht, met dan inkleding van het verzoek als een verzoek in het kader van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, artikel 9, en heeft hij dan de boete behouden op 10 % zoals gemoduleerd door KB nr.41 inzake BTW (beslissing 26 april 2001, stuk 3 eiseres).

Eiseres heeft zich met op 24 juli 2001 ter griffie van deze rechtbank neergelegd verzoekschrift gewend tot de rechtbank.

Eiseres stelt dat ze reeds in het administratieve stadium heeft voorgesteld om haar toenmalige BTW-tegoed aan te wenden tot aanzuivering van de boete.

De rechtbank stelt vast dat zulks alvast geen uitstaans heeft met de vraag naar de wettelijke verschuldigdheid op zich van de toegepaste boete.

Eiseres voert uitgebreid aan dat de weigerende beslissing van de directeur niet naar vereiste van de wet van 29 juli 1991 zou zijn gemotiveerd, maar die grief is steriel, nu zij geen belang aanvoert bij de vernietiging van die beslissing, omreden dat ze hoe dan ook toegang heeft tot de rechtbank om haar grieven tegen de in haren hoofde toegepaste boete uiteen te zetten en ter beoordeling aan de rechtbank voor te leggen.

Eiseres put zich ook uit in de motivering dat de toegepaste boete een strafrechtelijk karakter heeft, wat klopt naar maatstaven van internationaal recht, en wat precies meebrengt dat de rechtbank over de boete dient te oordelen met volle rechtsmacht (vgl. Arbitrage hof 12 juni 2002, nr. 96/002, BS 17 augustus 2001), zonder evenwel te mogen oordelen naar maatstaf van loutere opportuniteit (vgl. Cass. 24 januari 2002, C00.0307N + C00.0599N).

De grief van eiseres dat de straf niet in verhouding zou staan met de overtreding, zij het in percentage, zij het in absolute cijfers, kan niet worden bijgetreden, nu de boete reeds conform KB nr. 41 inzake BTW is gemoduleerd en op die wijze is teruggebracht tot slechts 1/20 van de wettelijk bepaalde boete, die niet alleen een bestraffend, maar daarnaast ook een preventief en een vergoedend karakter heeft.

Het motief van eiseres dat zij door buitenlandse klanten niet tijdig was of zou zijn betaald, wat haar zou hebben gehinderd bij het tijdig voldoen van haar BTW-schuld, is in strijd met het wettelijk voorschrift dat de BTW moet zijn voldaan binnen de aangiftetermijn, ongeacht haar goede trouw, welke laatste geen recht op kwijtschelding of vermindering opent (vgl. Hof van Beroep Antwerpen, Vijfde Kamer, 6 november 2003, 2002/AR/1559).

Het was aan eiseres om zich dusdanig te organiseren dat zij haar wettelijke verplichting ter zake tijdige betaling van de BTW kon voldoen.

Het gegeven dat de boete als absoluut bedrag hoog ligt, houdt slechts verband met het hoge omzetcijfer van eiseres, waarbij zij verhoudingsgewijs niet zwaarder werd gesanctioneerd dan een BTW-belastingplichtige met in absolute bedragen lagere omzetten.

De vordering is bijgevolg toelaatbaar maar niet gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond, en wijst eiseres er van af,

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze enkel·aan de zij de van verweerder begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.