---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 10 september 2003"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 10 september 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2003-09-10-a670"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 10 september 2003 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

10 september 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

62 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10.09.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien september tweeduizend en drie in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**L. B.**, rechter, voorzitter van de kamer; (Belg, meer dan 30 jaar oud, eerst ingeschreven advocaat ter zitting aanwezig, zetelende bij belet van alle werkelijke en plaatsvervangende rechters).

**N. V.**, rechter;

**W. C.**, advocaat;

**N. D.**, adjunct-griffier.

Inzake : AR nr. **99/5362/A**

Meester **H. B.**, advocate, kantoorhoudende te …, …, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van CVBA **E. T. P.**, groothandel in elektronisch materieel, ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, …, in faling verklaard bij vonnis van 13 maart 2003 gewezen door de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

**EISENDE PARTIJ**

## GEDINGHERVATTENDE PARTIJ

\- persoonlijk verschijnend.

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**,

**1.** Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het 1 ste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei nr. 4,

**2.** in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, wiens secretariaat gevestigd te 1000 Brussel, Bisshoffsheimlaan 38.

**VERWERENDE PARTIJ**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeunvaarder **P. V. N.** te … op 13 september 1999 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 1 en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **J. F.** te … op 13 september 1999 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 2.

\- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 30 september 2002.

\- de akte van gedinghervatting neergelegd ter zitting op 25 juni 2003.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 25 juni 2003.

---

Ten name van CVBA **E. T. P.** is er op 11 mei 1999 een proces­verbaal ter zake BTW opgemaakt, en dat blijkt te zijn gehecht aan een dwangbevel van 23 juli 1999, wat dan in zijn geheel blijkt te zijn betekend met gerechtsdeurwaardersexploot van 13 augustus 1999.

CVBA **E. T. P.** heeft met gerechtsdeurwaardersexploot van 13 september 1999 laten dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering.

In het geding staat ook gerechtsdeurwaarder **G. P.** vermeld als procespartij, maar uit geen gegeven blijkt dat hij gedagvaard is. Enkel werd een exploot hem betekend.

De vordering is toelaatbaar.

Ter zitting van 25 juni 2003 heeft zich de curator van het op 22 mei 2003 geopende faillissement van CVBA **E. T. P.** aangeboden, en heeft het geding hervat.

De curator herneemt de grieven van de verzetsakte.

De verzetsakte verwijst vooreerst naar een brief van 18 juni 1999 van de toenmalige raadsman van CVBA **E. T. P.**, brief die evenwel niet wordt voorgelegd, zodat er geen tekening mede kan worden gehouden.

De verzetsakte stelt verder dat aan CVBA **E. T. P.** 'op onregelmatige en op ongemotiveerde wijze het recht aftrek van de door haar regulier aan de betrokken leveranciers betaalde BTW werd ontzegd'.

In het bewijskrachtige BTW-proces-verbaal (stuk 1 verweerder) leest de rechtbank nochtans dat bij onderzoek van inkomende facturen bij CVBA **E. T. P.** werd vastgesteld dat deze facturen niet voldeden aan de ter zake BTW opgelegde wettelijke en reglementaire voorwaarden, zulks in detail en met opgave van de vastgestelde euvels.

De verzetsakte betwist tenslotte de opgelegde boete ter hoogte van 200 %.

Het proces-verbaal motiveerde deze volle boete onder de stelling van bedrieglijk opzet en het oogmerk te schaden, louter met de mededeling : “zoals blijkt uit voormelde vaststellingen”.

CVBA **E. T. P.** heeft van diverse leveranciers waarvan het BTW vervallen was, een veelvoud aan facturen ontvangen.

Uit die loutere vaststellingen, zonder dat daarover enige verdere toelichting wordt verschaft, volgt echter geenszins dat CVBA **E. T. P.** met bedrieglijk opzet en het oogmerk te schaden zou hebben gehandeld.

Zo de verbalisant zich vergenoegt met een loutere verwijzing naar het niet voldaan zijn van voorwaarden van het recht op aftrek van voorbelasting, en zich verder de moeite spaart om over te gaan tot minimale onderbouwing van het aanwezig zijn van de voorwaarden om over te gaan tot het toepassen van een volle boete, verdient zulks geen honorering.

Zulks is des te meer het geval waar de boete weliswaar door de wet van rechtswege op het dubbel van de rechten wordt bepaald, maar waar de wetgeving onder KB nr.41 inzake BTW uitdrukkelijk een volledig uitgewerkte modulering bepaalt al naargelang de concrete ernst van de inbreuk.

De rechtbank wordt op die wijze niet in staat gesteld om haar volle rechtsmacht ter zake de beoordeling van de wettelijkheid van de opgelegde boete te beoordelen, en ze kan dan ook slechts op basis van de wel voorliggende gegevens oordelen.

Daarbij moet abstractie worden gemaakt van de in de tijd immers latere strafvonnissen die verweerder nog voorlegt, en die aldus niet kunnen hebben gediend ter onderbouwing van de reeds eerder opgelegde boetes. Een invulling van voorgehouden opzet kan niet a posteriori, aldus na het opleggen van de boete, geschieden.

Hooguit hadden de rechterlijke uitspraken een voorheen correct opgelegde boete kunnen. bevestigen, terwijl er hier geen sprake is van een voorheen correct opgelegde boete.

Verweerder kan geenszins worden gevolgd waar hij op blad 7 van zijn conclusie stelt "dat aanlegster actief betrokken is in een BTW-carrousel 'zoals blijkt uit' het proces-verbaal".

Deze stelling kan door verweerder niet in ernst worden voorgehouden, zoals hogerop reeds is gebleken, nu dat proces-verbaal niet de minste concrete motivering van opzet of bedrieglijk oogmerk blijkt te bevatten.

Op basis van dat proces-verbaal kunnen immers enkel veelvuldige inbreuken ter zake aftrek worden vastgesteld, zonder meer.

Bij lezing van [artikel 1, eerste lid, 2° van KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) inzake BTW, blijkt Tabel H van toepassing te zijn, dat een boete bepaalt van 10 % op de hier voorliggende inbreuken.

De boete moet op basis van de wet en de reglementering aldus worden herleid tot 10 %.

De uitbreiding van eis die de curator nog stelt ter zake vrijgave van een - ten laste van eiseres op verzoek van verweerder onder beslag liggende - teruggave van vennootschapsbelasting en toebehoren, vult niet onder de bevoegdheid van deze rechtbank, vormt in tegendeel louter een zaak van uitvoering.

### Beschikkend gedeelte

**0M DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Verklaart de vordering toelaatbaar,

Verklaart de vordering ongegrond wat betreft de betwisting van de fiscaal gevorderde rechten en de daarop betrekking hebbende fiscale intrest,

Verklaart de vordering grotendeels gegrond wat betreft de fiscale boete en de daarop betrekking hebbende fiscale intrest, herleidt de boete tot 10 % en de daarop betrekking heb­ bende fiscale intrest, en verbiedt de uitvoering van het dwangbevel tot het meerdere beloop,

Verklaart zich niet bevoegd wat betreft de uitbreiding van eis die wordt gesteld door de curator in haar hoedanigheid,

Veroordeelt elke partij tot de helft van de kosten van het geding, deze aan de zijde van eiseres in hun geheel vereffend op (151,90 + 200,87 =) 352,77 EUR explootkosten dagvaarding en nihil bij wijze van rechtsplegingsvergoeding, en aan de zijde van verweerder in hun geheel vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding,

Verwijst de zaak voor verder gevolg naar de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

**N. D.** **W. C.** **N. V.** **L. B.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
