Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 07.04.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zeven april tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde E kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : A.R. Nr. 96/10621/A
1. …, …,
- handelaar, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met BTW-nummer … thans wonende te …, … in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen in datum van 8 februari 1996 (volgens dagvaarding),
- handelaar, thans wonende te …, … (volgens laatste conclusie van eisende partij).
eerste eisende partij
- niet verschijnend.
2. L. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, in datum van 8 februari 1996.
oorspronkelijk tweede eisende partij q.q.
Bij brief van tweede eisende partij neergelegd ter griffie op 22 juni 2000 wordt melding gemaakt dat het faillissement van eerste eisende partij werd ingetrokken bij vonnis: van de rechtbank van koophandel van 2 mei 1996.
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen l, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij
- verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
En in zake : A.R. Nr. 96/10692/A
1. …, …
- handelaar, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer … met BTW-nummer …, thans wonende te …, …, in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen in datum van 8 februari 1996 (volgens dagvaarding).
- handelaar, thans wonende te …, …
eerste eisende partij
- niet verschijnend.
2. L. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, in datum van 8 februari 1996.
oorspronkelijk tweede eisende partij q.q.
Bij brief van tweede eisende partij neergelegd ter griffie op 22 juni 2000 wordt melding gemaakt dat het faillissement van eerste eisende partij werd ingetrokken bij vonnis van de rechtbank van koophandel van 2 mei 1996.
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen I, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4.
verwerende partij
- verschijnende bij meester 0. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het tussenvonnis van de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27 januari 2003,
- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 4 februari 2003.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de verwerende partij in haar middelen en gezegden ter zitting van 24 maart 2003.
Overwegende dat eerste eisende partij niet is verschenen.
Eerste eiser heeft onder beide rolnummers zelf rechtsvorderingen ingesteld op een ogenblik waarop hij diende te worden geacht niet het bestuursrecht over zijn vermogen te hebben, met name althans bekeken vanuit het juridisch standpunt van dat ogenblik.
Tweede eiseres, vanuit het standpunt van dat ogenblik curator van bet ten name van eerste eiser toen openstaande faillissement, kon in die toenmalige hoedanigheid alvast niet worden beschouwd als zijn lasthebber (vgl. Antwerpen 3 mei 1999, P & B 2000, 145).
Tweede eiseres heeft gemeld, en na het tussenvonnis nog eens herhaald, geen hoedanigheid meer te bezitten wegens intrekking van het faillissement met intrekkingsvonnis van 2 mei 1996, gegeven waaruit eerste eiser het bestuur over zijn vermogen heeft herwonnen met terugwerkende kracht, aangezien hij door de intrekking van het faillissement wordt geacht niet in staat van faillissement te zijn geweest.
Er dient van daaruit te worden besloten tot toelaatbaarheid van de vorderingen in hoofde van eerste eiser, en tot nimmer aanwezig geweest zijnde hoedanigheid in hoofde van tweede eiseres.
Uit de overtuigingsstukken van verweerder blijkt dat de verjaring van de fiscale vorderingen telkenmale op. correcte wijze is gestuit, met name zijn stukken 2, 5, 7, 8 en 9, zonder dat eerste eiser daarop nog tegenspraak voert.
Ten gronde heeft eerste eiser evenmin tegenspraak gevoerd op de fiscale vorderingen die door verweerder zijn geformuleerd in processen-verbaal en in bijzondere rekeningen.
De vorderingen van eerste eiser - die overigens gelijk zijn aan de vorderingen van tweede eiseres - dienen bijgevolg ongegrond te worden verklaard.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende bij verstek ten opzichte van eerste eiser en op tegenspraak ten opzichte van verweerder en het vonnis van 27 januari 2003 verder uitwerkend,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vorderingen toelaatbaar maar ongegrond wat eerste eiser betreft,
Stelt vast dat de vorderingen op het standpunt van de inleiding ervan toelaatbaar waren wat tweede eiseres betreft, dat evenwel de vereiste vorderingshoedanigheid in hoofde van tweede eiseres teloor ging als gevolg van de intrekking van het faillissement van eerste eiser bij het vonnis van 2 mei 1996 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen,
Veroordeelt eerste eiser tot de kosten van het geding, deze aan zijn zijde niet begroot en door verweerder begroot in conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.