Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 14 maart 2003 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 14 maart 2003

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 14 maart 2003Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2003-03-14-de3d

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
14 maart 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

66 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.03.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien maart tweeduizend en drie in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 01/6580/A

NV J. C. S., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester J. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

1. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan het Kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, en de dienst belast met het ontvangen van de aktes te Brussel, Bischoffheimlaan 38.

2. Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, wiens kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

Verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het tussenvonnis van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 25 oktober 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 februari 2003.


Gelet op het tegensprekelijk tussenvonnis van 25 oktober 2002, waarbij ingevolge het verzoekschrift van eiseres, neergelegd ter griffie op 25 september 2002, de heropening van de debatten werd bevolen teneinde partijen toe te laten debat te voeren.

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 12 juli 2001, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Eiseres werd op 17 september 1997 opgericht met als doel "de invoer en uitvoer, de aankoop en verkoop van de handel in het algemeen van- en in paarden; alsmede de industriële teelt van paarden... Deze opsomming is niet beperkend zodat de vennootschap alle handelingen kan stellen die, op welke wijze ook, kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van haar doel."

Op 14 oktober 1997 deed eiseres bij de BTW-administratie aangifte van de aanvang van werkzaamheid waarin verklaard werd dat zij vanaf 1 oktober 1997 een werkzaamheid zal uitoefenen waarvoor zij BTW-belastingplichtige wordt, namelijk dekstation voor paarden.

Eiseres was de voortzetting van een eenmanszaak die vanaf 1 maart 1995 als BTW-belastingplichtige geregistreerd was.

In 1997 had deze eenmanszaak de hierna volgende opbrengsten, namelijk :

- prijzengelden sportwedstrijden 894.008 BEF

- andere opbrengsten 328.368 BEF

Ook eiseres nam deel aan sponwedstrijden zodat volgens de administratie de BTW-aftrek beperkt moest worden volgens de regels van de gemengde belastingplicht.

Gelet op het arrest van 20 januari 2000 van het Haf van Cassatie inzake de belastingplicht van stoeterijen deelde de administratie op 19 september 2000 mee dat het dossier kon worden afgesloten.

Bij telefax van 26 september 2000 deelde de administratie echter mee dat, in tegenstelling tot voornoemd schrijven van 19 september 2000, de gewestelijke directeur na analyse van voornoemd arrest van het Hof van Cassatie besloten had het standpunt met betrekking tot de gemengde belastingplicht van eiseres te handhaven.

Eiseres fokte enerzijds paarden en bood sperma te koop aan en nam anderzijds deel aan sportwedstrijden. Uit een voorgelegde voorraadlijst van juni 1999 is gebleken dat eiseres op dat ogenblik 11 sportpaarden en 16 fokpaarden had (zie voorgestelde regularisatie van de administratie bij brief van 24 november 2000).

Er werd vastgesteld dat eiseres in de periode van 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1998 de hierna vermelde ontvangsten heeft gehad, namelijk :

- prijzengelden sportwedstrijden 4.187.776 BEF

- verhuring stal 59.250 BEF

- verkoop auto's 80.000 BEF

- andere opbrengsten sport 25.640 BEF

- fokkerij en sperma 188.679 BEF

Beoordeling

Op de terechtzitting van 14 februari 2003 heeft eiseres gevorderd om de bladzijden 4, 5, 6 en 7 van de conclusie na heropening debatten van verweerder uit de debatten te weren.

Het doel van de heropening van de debatten is de partijen de gelegenheid te geven over het aangegeven onderwerp hun argumenten uit te werken en hun verdediging op te bouwen.

Ingevolge het verzoekschrift van eiseres, neergelegd ter griffie op 25 september 2002, heeft de rechtbank de heropening van de debatten bevolen zodat de partijen dan ook enkel de gelegenheid werd gegeven om over de door eiseres in het verzoekschrift aangegeven nieuwe gegevens of nieuwe stukken hun argumenten uit te werken en hun verdediging op te bouwen.

Het staat ontegensprekelijk vast dat verweerder op de bladzijden 4, 5, 6 en 7 van de conclusie na heropening debatten, zijnde ''II. Ten Gronde", argumenten heeft uitgewerkt die niet het minste betrekking hebben op deze nieuwe gegevens of nieuwe stukken.

Bijgevolg dienen de bladzijden 4, 5, 6 en 7 van de conclusie na heropening debatten van verweerder, zijnde "Il. Ten Gronde", uit de debatten te worden geweerd.

Het feit dat eiseres met sportpaarden deelnam aan sportwedstrijden en prijzen behaalde is ongetwijfeld een wijze om haar paarden bekendheid te doen krijgen en de verkoopwaarde van haar paarden en hun sperma te verhogen.

Het is niet relevant dat eiseres in de periode van 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1998 4.187.776 BEF prijzengelden ontving uit de sportwedstrijden en slechts 188.679 BEF uit de verkoop van paarden en sperma, nu eiseres slechts op 17 september 1997 werd opgericht en zij de voortzetting was van een vroegere eenmanszaak die ook pas op 1 maart 1995 was gestart.

Als jonge onderneming moest eiseres haar naam en bekendheid nog vormen, wat klaarblijkelijk ook één van de redenen was waarom zij haar paarden aan wedstrijden liet deelnemen.

Een correctieopgave van 29 november 1999 (overtuigingstuk 5 van verweerder) toont trouwens aan dat eiseres in 1999 reeds minstens 2.744.967 BEF (exclusief BTW) ontving uit de verkoop van paarden en/of sperma.

Bijgevolg blijkt uit de feitelijke omstandigheden dat de deelname aan sportwedstrijden en het ontvangen van sportgelden een onderdeel was van de economische activiteit van de paardenfokkerij van eiseres zodat de aan haar verleende diensten in verband met deze deelname aan sportwedstrijden gebruikt werden voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting en het uitgesloten is dat eiseres in de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het wetboek van BTW aanspraak op aftrek bestaat. Eiseres is aldus geen gemengde belastingplichtige (Cass. 20 januari 2000, F.J.F. 2001/27 en Cass. 13 oktober 2000, F.J.F. 2000/296).

Voor de beoordeling van huidige betwisting heeft de rechtbank niet het minste rekening gehouden met de door eiseres voorgelegde nieuwe stukken zodat zij dan ook niet dient na te gaan of deze stukken bewijskrachtig zijn en voldoende waarborgen bieden voor een objectieve beoordeling van de gerealiseerde opbrengsten.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Weert de bladzijden 4, 5, 6 en 7 van de conclusie na heropening debatten van verweerder zijnde "II. Ten Gronde'', uit de debatten.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Verklaart het dwangbevel, uitgevaardigd op 12 juli 2001, van nul en generlei waarde in de mate dat eiseres als gemengde belastingplichtige wordt beschouwd en in de mate dat hierdoor BTW wordt nagevorderd en hierop een geldboete en intresten worden gevorderd.

Beveelt de herberekening van het dwangbevel.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres begroot op 296,95 EUR dagvaardingskosten, 327,22 EUR rechtplegingsvergoeding en 55,78 EUR rechtsplegingsvergoeding heropening debatten en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 296,95 EUR dagvaardingskosten, 167,33 EUR rechtsplegingsvergoeding en 55,78 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

N. D. P. W.