Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.03.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien maart tweeduizend en één in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
G. G., griffier.
In zake : AR nr. 95/2186/A
1. D. K., wonende te …, …,
2. R. V. D. M., voorheen wonende te …, …, thans te …, …,
beiden in hun hoedanigheid van erfgenamen van de heer G. V. D. M., overleden op 8 september 1998, laatst wonende te …, …,
- eisende partijen,
- geding hervattende partijen,
- verschijnende bij Meester H. V. O., advocaat, loco Meester F. M., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
de Belgische Staat, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur der BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Heer Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Financiecentrum, Italiëlei 4 bus 4,
verwerende partij,
verschijnende bij Meester M. P., advocaat, loco Meester M. V. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeunvaarder C. S., loco gerechtsdeunvaarder P. G. te Antwerpen op 9 mei 1995;
- de akte van gedinghervatting, neergelegd ter griffie op 15 september 2000;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 februari 2001.
Gegevens en voorgaanden
1. Een BTW-controle in verband met ene NV A. - handelaarster in bieren en waters en gebruikelijk leverancier van de rechtsvoorganger van huidige gedinghervattende eisers - is aanleiding geweest tot een proces-verbaal van 13 september 1993 inzake BTW ten name van deze vennootschap (stuk 1 voor verweerder).
Naar aanleiding van het vermelde proces-verbaal is - ter controle van de rechtsvoorganger van eisers - op 1 juli 1994 diens door de BTW-wetgeving opgelegde boekhouding met betrekking tot de periode 1 juli 1989 tot 31 december 1992 overhandigd aan een BTWcontroleambtenaar, zulks op verzoek van deze laatste.
Na onderzoek van deze boekhouding heeft de controleambtenaar een eigen proces-verbaal opgemaakt op 12 april 1995, ten name van de vermelde rechtsvoorganger (stuk 2 voor verweerder), waarbij in hoofde van deze laatste een omzetverhoging werd weerhouden voor de jaren 1989, 1990 en 1991, meeromzet die dan op zijn beurt aanleiding gaf tot een navordering van BTW
De controle-ambtenaar gaf in datzelfde proces-verbaal het eerdere proces-verbaal van 13 september 1993 ten laste van A. NV op als rechtsgrond tot de vermelde omzetverhoging. Rechtstreekse in de gecontroleerde boekhouding van de rechtsvoorganger van eisers aangetroffen onregelmatigheden werden niet vermeld of weerhouden.
2. Een dwangbevel als invorderingstitel werd opgemaakt op 14 april 1995 (stuk 3 voor verweerder), uitvoerbaar verklaard op 17 april 1995, en aangetekend ter kennis gebracht van de belastingplichtige met zending van 19 april 1995 (stuk 4 voor verweerder).
3. Met gerechtsdeurwaardersexploot van 9 mei 1995 voorzag de rechtsvoorganger van eisers zich bij de rechtbank in verzet tegen het dwangbevel. De ontvankelijkheid van deze voorziening is op zich niet in betwisting. Er loopt wel discussie over de vraag of huidige eisers wel rechtsgeldig hervatting van geding deden na het tijdens het geding voorgekomen overlijden van oorspronkelijke eiser, G. V. D. M..
In rechte
1. Verweerder is van oordeel dat de gedinghervatting niet op vormelijk juiste wijze is geschied, waardoor dan in zijn stelling de vordering zelf onontvankelijk zou zijn.
De ontvankelijkheid van de vordering zelf wordt beoordeeld bij de gedinginleiding, zodat een latere gebeurtenis deze vordering niet meer ontoelaatbaar kan maken. Het is de geldigheid van de latere gedinghervatting op zich die moet worden onderzocht. Een ongeldige gedinghervorming heeft louter tot gevolg dat er geen rekening mee wordt gehouden, aldus blijkt uit art. 815 Ger.W.
Art. 816 Ger. W. vereist dat een gedinghervatting gebeurt overeenkomstig de regels van de artikelen 742 en 743 van hetzelfde Wetboek. Deze artikelen behelzen de neerlegging van processtukken. Art. 816 bepaalt niet dat de in dat artikel vermelde “akte” niet de vorm van een conclusie mag hebben waarin de hervatting is opgenomen. De nietigheid die art. 816 bepaalt, heeft betrekking op de gevolgen van het ontbreken van de ter gedinghervatting noodzakelijke gegevens, waaromtrent op zich door verweerder geen opwerping is geschied.
Deze gegevens vindt de rechtbank alleszins terug in de weliswaar aanvullende conclusie voor de eisende partij, zodat er geen sprake is van nietigheid. Een en ander blijft gelden, zelfs al gaat die aanvullende conclusie volgens opgave namens de nalatenschap van …, in de persoon van …". De rechtbank is voldoende ingelicht over de reden van de gedinghervatting en over de namen, adressen en hoedanigheden van de gedinghervatters, en de akte onder de vorm van conclusie heeft haar doel bereikt, en heeft verweerder in genendele schade toegebracht. De gedinghervatting is alzo, ondanks haar ongelukkige formulering en vorm, geldig geschied. De met naam en toenaam vermelde erven V. D. M. zijn de huidige gedingpartijen.
2. Ten gronde
De vermelding door eisers dat de handelszaak na de controle op een bepaald ogenblik te koop is gesteld en uiteindelijk ook is verkocht door hun rechtsvoorganger met klaarblijkelijk stopzetting van zijn BTW-plicht (BTW …), is voor de oplossing van voorliggend geschil niet relevant.
Het is niet in betwisting dat laatstgenoemde zich in de controleperiode voor de behoeften van zijn toenmalige handelszaak (uitsluitend) bevoorraadde bij de hoger vermelde NV A.. Eisers betwisten echter dat er indertijd meer is afgenomen dan blijkt uit de ten aanzien van hun rechtsvoorganger gecontroleerde boekhouding die zelf geen onregelmatigheden uitwees. Ondergeschikt tonen eisers zich gegriefd over de opgelegde boete, in het bijzonder ook over het feit dat de oorspronkelijk weerhouden boete ad 20 % op de hoofdsom, werd verhoogd wegens het uitvaardigen van een dwangbevel.
3. Onderzoek
3.1. De naar aanleiding van een onderzoek bij derden (hier de gebruikelijke leverancier) gevonden gegevens leveren in algemene zin niet automatisch bewijs op ten laste van de belastingplichtige, tenzij uit verder onderzoek blijkt dat deze gegevens constitutief zijn voor het invullen van een door de wet toegelaten bewijsmiddel, waaronder feitelijke vermoedens.
Bij onderzoek en controle van de boekhouding van de rechtsvoorganger van eisers is geen onregelmatigheid in die boekhouding zelf aangetroffen. Zulks blijkt impliciet maar zeker uit het proces-verbaal van 12 april 1995 dat is opgesteld ten name van de belastingplichtige zelf. De basis voor dit laatste proces-verbaal werd volledig geput uit het eerdere proces-verbaal van 13 september 1993 dat ten laste van de leverancier was opgemaakt. Het blijft daarom nog te onderzoeken of bepaalde en met elkaar overeenstemmende andere gegevens leiden tot een ingevuld feitelijk vermoeden, dienstig tot naheffing ten laste van de rechtsvoorganger van eisers.
3.2. De discussie tussen partijen omtrent de bewijskracht van processen-verbaal inzake BTW is vanuit voorgaande overwegingen eenvoudig op te lossen. Die bewijskracht geldt immers wel voor de juistheid van de acteringen van de door de taxatie-ambtenaren bij de leverancier gedane vaststellingen, maar niet noodzakelijk zomaar voor de intrinsieke juistheid van de aldaar opgetekende boekhoudkundige en informatica-gegevens zelf. Daartoe dienen die gegevens eerst op hun waarde te worden beoordeeld.
3.3. Verweerder stelt dat de door hem naar voren geschoven gegevens leiden tot het bewijs door feitelijk vermoeden van zwartafnames door de rechtsvoorganger van eisers ten behoeve van zijn toenmalige handelszaak. Het gegeven op zich dat van de 81 gecontroleerde afnemers van NV A., er 69 hebben of zouden hebben toegegeven dat zij aldaar zwartafnames hebben gedaan, vormt op zichzelf genomen uiteraard geen bewijs tegen eisers.
Wel is als element gebleken dat deze afnemers allemaal zwartafnames deden onder eenzelfde systeem van informaticaverwerking dat bij de vermelde leverancier werd aangetroffen. Het gegeven dat er in hoofde van de rechtsvoorganger van eisers over de latere jaren 1992 en 1993 nooit enig debat is aangegaan, zegt op zich dan weer niets over de voorliggende jaren.
3.4. Verweerder baseert zich op de door hem in detail uiteengezette onderlinge samenhang van de bij de leverancier bevonden gegevens, en op het verband dat deze gegevens naar zijn oordeel het verband aanwijzen tussen deze bevonden gegevens en het bedrijf (handelszaak) van de rechtsvoorganger van eisers.
Dit verband is weliswaar niet uiteengezet in het meervermelde P.V. van 12 april 1995, maar het wordt wel uiteengezet in het eraan gehechte P.V. van 13 september 1993. Indien deze gegevens het bewijs opleveren, werden ze bovendien tijdig binnen de heffingstermijn aangewend.
3.5. Verweerder geeft toe dat hij geen bestel-bevestigingen met betrekking tot zwartafnames kan voorleggen in de verhouding tussen de gebruikelijke leverancier NV A. en haar gebruikelijke afnemer V. D. M..
Hij verwijst wel naar het gegeven dat bij de leverancier zowel kon worden aangekocht in effectieve groothandel als in dagontvangsten voor kleinhandel, en hij drinkt in dat verband op het treffend karakter van “de wijze waarop het bestel- en facturatieprogramma (bij de leverancier) was geconcipieerd in samenhang met de dagontvangstenlijsten, en verder op de chronologie zowel in de facturen als in de gedetailleerde dagontvangstenlijsten" (zijn eerste conclusie, blz. 3 onderaan, en zijn aanvullende conclusie, blz. 17 onderaan).
In dat verband geeft hij dan weer wel toe dat expliciete verwijzingen op de dagontvangstenlijsten naar klanten ontbreken (zijn eerste conclusie, blz. 3 onderaan), maar hij drukt wel op het feit dat de vaststellingen bij de leverancier zijn geschied door het controleren van de officiële boekhouding aldaar (zijn tweede conclusie, blz.4 midden-onder), gegeven dat op zichzelf genomen niet in betwisting is.
Hij wijst erop dat “aan vrijwel elke gefactureerde levering (aan de BTW-belastingplichtige) een extra niet-gefactureerde levering verbonden (kan) worden op basis van de vergelijking van het stramien op de dagontvangstenlijsten met de opgestelde facturen van dezelfde dag", en verder op de hogerop reeds vermelde, gelijklopende chronologie in de facturen en de dagontvangstenlijsten (zijn eerste conclusie, blz.7 midden, en zijn aanvullende conclusie, blz. 5 midden). Zulks weliswaar in zoverre er hoe dan ook op zulke data gefactureerd werd (zijn eerste conclusie, blz. 4 onderaan), en aldus in zoverre dat er een factuur in datum samenviel met een dagontvangst.
Hij werkt ten name van de rechtsvoorganger van eisers (onder telkens opgave van een factuurnummer op diens naam en aan diens adres) een voorbeeld uit in eerste conclusie, en een ander in zijn aanvullende conclusie, met ter staving telkens verwijzing naar door hem voorgelegde overtuigingsstukken.
Het valt bij dit alles ook op dat bij de leverancier - vanaf minder dan een maand na de aldaar verrichte controle - de dagontvangstenlijsten niet meer per individuele levering aan een klant werden opgesteld, maar enkel nog in dagtotaal werden getotaliseerd per dranksoort (waarvoor hij ook verwijst naar zijn overtuigingsstukken; zijn eerste conclusie, blz. 4 bovenaan).
Ten overvloede blijkt verder dat het informaticasysteem bij de leverancier toeliet om middels indrukking naar keuze van drie verschillende toetsen (F1, F2 en F3) gedeeltelijk te factureren, niet te factureren of volledig te factureren (zijn eerste conclusie, blz. 7). Deze feitelijke vaststellingen komen eveneens voor in het proces-verbaal van 13 september 1993 (stuk 1 voor verweerder) dat ten laste van de leverancier is opgesteld.
Vanuit de vergelijking tussen enerzijds de officiële bij de leverancier uitgaande facturen ten aanzien van de rechtsvoorganger van eisers, en anderzijds de bevindingen van de verbalisant onder wat werd geconstateerd bij het dagontvangstennummer ten aanzien van diezelfde rechtsvoorganger op dezelfde data, komt een gehéél van leveringen tot uiting ten name van genoemde belastingplichtige.
Het prijsverschil tussen de dranken op factuur en de dranken in dagontvangsten, is ten deze zonder relevantie voor de bewijskracht zelf van dit feitelijke vermoeden.
In besluitvorming leiden de hogerop uiteengezette gegevens aldus tot een bewijsvoering door middel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van art. 1353 B.W., die in genendele in tegenspraak zijn met de hogerop gedane vaststelling, dat er in de door de rechtsvoorganger van eisers ter controle voorgelegde boekhouding, op zich geen corresponderende documenten werden aangetroffen die lieten blijken van zwartafnames. Het niet bestaan (en bijgevolg het ook niet voorleggen) van bestelbevestigingen met betrekking tot contantaankopen door de afnemer, doet geen afbreuk aan het ingevulde feitelijke vermoeden. Het proces-verbaal van 13 september 1993 ten name van de leverancier vermeldt immers als vaststelling, dat diens chauffeur leverde tegen dadelijke betaling, waarna pas een factuur werd opgesteld (stuk 1 voor verweerder, blz. 1 onderaan en blz. 2 bovenaan). Van opeenstapeling van vermoedens (conclusie eiser,. blz. 18) is er bij dit alles dan ook geen sprake, nu de hogerop gedane materiële vaststellingen in hun onderling verband objectief vaststaande gegevens vormen als basis voor het daaruit afgeleide feitelijke vermoeden.
3.6. Nu de met elkaar overeenstemmende en tegelijk naar de rechtsvoorganger van eisers verwijzende gegevens in hun geheel een bewijskrachtig feitelijk vermoeden vormen ten aanzien van de rechtsvoorganger van eisers, is dit vermoeden daardoor slechts aanleiding tot een mogelijk door eisers te leveren, maar niet geleverd, tegenbewijs.
De coherentie naar de rechtsvoorganger van eisers toe van de bij de leverancier bevonden controleresultaten, laat geen reden om te stellen dat deze door verweerder in huidige betwisting aangewende en voorgelegde bevindingen betrekking zouden hebben op andere afnemers dan de vermelde belastingplichtige, noch dat ze een samenvoeging van gegevens zouden behelzen met betrekking tot tegelijk ook andere afnemers dan alleen de rechtsvoorganger van eisers.
Het gegeven dat laatstgenoemde steeds op forfaitaire basis werd getaxeerd, heeft bij dit alles geen relevantie voor de oplossing van het geschil, nu het bewijs van de input (voorwerp van het voorliggende geschil), voorafgaat aan en losstaat van de forfaitaire wijze van taxatie van de latere omzet (output) ervan bij de belastingplichtige.
Dat er in het feitelijke vermoeden goederen zouden voorkomen die als soortgoed (Carlsberg Elephant en Cecemel) nooit in de handelszaak van de rechtsvoorganger zouden zijn verkocht, vormt een door de vaststellingen tegengesproken bewering vanwege eisers, die ter staving van hun bewering geen positieve en controleerbare gegevens aanbrengen.
4.1. De oorspronkelijk opgelegde boete werd door verweerder naderhand opgetrokken om de loutere reden dat eisers hun recht van verdediging waarnamen, betwisting die verweerder noopte tot het uitvaardigen van een dwangbevel ter invordering.
Verweerder werpt op dat de uitvoeringsbesluiten van het BTW-Wetboek hem dat recht verlenen, en hij verwijst daarvoor in algemene zin naar het streefdoel om "laksheid, nalatigheid en slechte wil van schuldenaars" tegen te gaan.
4.2. Aan deze bij Koninklijk Besluit uitgewerkte maatregel moet een wetsconforme uitleg worden gegeven. De boeteverhoging kan daarom slechts gelden in zoverre de belastingplichtige geen betwisting voert en desondanks niet tot vrijwillige betaling van het gevorderde overgaat, dan wel in zoverre de belastingplichtige op een kennelijk onredelijke wijze betwisting voert uit louter dilatoir of roekeloos oogmerk.
Dit oogmerk kan in voorliggend geschil niet aan eisers en/of aan hun rechtsvoorganger worden toegemeten. De oorspronkelijk toegepaste boete stemde overeen met de reglementair bepaalde schalen, en komt de rechtbank in verhouding voor tot de vastgestelde feiten. De rechtbank herleidt de boete daarom tot het oorspronkelijk bepaalde percentage van 20 % op de hoofdsom.
De vordering is bijgevolg toelaatbaar, maar slechts gegrond wat betreft de boeteherleiding.
Beschikkend gedeelte
0M DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verleent eisers akte van hun geldige gedingherneming.
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch slechts gedeeltelijk gegrond.
Herleidt het percentage van de administratieve boete tot 20 % op de hoofdsom, en verklaart het dwangbevel van verweerder van 14 april 1995 (uitvoerbaar verklaard op 17 april 1995, gekend onder Reg. 127/89/95) onwettig, in de mate dat de boete met aankleven méér beloopt.
Bevestigt voor het overige het dwangbevel.
Stelt vast dat de oorzaak van de weerhouden administratieve geldboete zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, en zegt voor recht dat er geen reden voorligt om huidig vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, deze op heden door eisers begroot op … BEF dagvaardingskosten en … BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op dezelfde bedragen, deze door verweerder begroot op … BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … BEF rechtsplegingsvergoeding.
G. G. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.