---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 8 december 2000"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 8 december 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2000-12-08-4457"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 8 december 2000 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

8 december 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

86 paragrafen

### Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

## Test van het vonnis

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht december tweeduizend in openbare zitting van de eerste F kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**M. D.**, einige rechter,

**G. G.**, griffier.

Inzake : AR nr. **95/2143/A**

**1. Meester A. S.**, advocaat, kantoorhoudende te …, … en

**2. Meester P. R.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …, beiden handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de BVBA **M.**, BTW BE …, ingeschreven in het Handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is …, …, waartoe zij werden aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen elfde kamer, d.d. 25 maart 1999, aldaar gekend onder AR nummer 3833/99.

**eisende partijen,**

verschijnende bij Meester **W. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging. o.m. :

\- het tussenvonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen door de eerste F kamer op 29 september 2000.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 27 oktober 2000.

---

Gezien het tussenvonnis van de eerste F kamer d.d. 29 september 2000.

Gezien het tussenvonnis van 16 februari 1999 van de 13B kamer waarbij de heropening van de debatten werd bevolen teneinde verwerende partij toe te laten het bewijs te leveren dat de optredende ambtenaren regelmatig belast waren met een onderzoek inzake douane en accijnzen of een andere materie die als dusdanig onder hun bevoegdheid viel.

## ONDERWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/3295, uitgevaardigd op 30 maart 1995 en betekend op 19 april 1995 aan eisende partij, te horen vernietigen.

Dienvolgens te horen zeggen voor recht dat de gevorderde BTW en boete door eisende partij niet verschuldigd zijn en verwerende partij te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden en/of door eisende partij betaalde bedragen, te vermeerderen met de intresten en de kosten van het geding.

## RELEVANTE FEITEN

Ingevolge een aanvraag van de Opsporingsinspectie Antwerpen, Controle III, der Douane en Accijnzen om de huizen, erven en panden gelegen te …, …, elfde verdieping, betrokken door **B. E.** of door om het even welke andere personen te betreden teneinde er sluiks ingevoerde goederen vanuit Zwitserland op te zoeken, werd bij beschikking van 15 oktober 1991 van de politierechter te Antwerpen en machtiging tot visitatie verleend aan **V. H. C.** verificateur a.i. en adjuncten met bijstand van **G. W.** hoofdcontroleur tweede BBI-Brugge, ambtenaren der douane en accijnzen.

Op 17 oktober 1991 werd overgegaan tot de huisvisitatie en werden voor de behoeften van het onderzoek diverse documenten in beslag genomen, die werden geïnventariseerd.

Tijdens het verder onderzoek werden geen douaneovertredingen vastgesteld en er werd dan ook geen proces-verbaal opgesteld.

De Opsporingsinspectie der Douane en Accijnzen gaf echter wel inzage aan de Bijzondere Belastinginspectie van alle akten, stukken, registers en bescheiden die in haar bezit waren ingevolge voornoemde huisvisitatie.

Ingevolge verder onderzoek van deze documenten bracht de Bijzondere Belastinginspectie van Brugge, vierde inspectie, een plaatsbezoek aan de BVBA **M.** België werden tevens bijkomende inlichtingen gevraagd.

Op 24 januari 1995 stelde de Bijzondere belastinginspectie van Brugge, vierde inspectie, een proces-verbaal op.

Hieruit blijkt dat tussen de door de Opsporingsinspectie der Douane en Accijnzen in beslag genomen documenten fotocopies van leveringsnota’s werden teruggevonden die door de BVBA **M.** België waren uitgereikt, doch door haar niet waren bewaard.

Bij vergelijking tussen de leveringsnota's en de verkoopfacturen werd vastgesteld dat de leveringsnota's slechts gedeeltelijk terug te vinden waren in de verkoopsfacturen en dat goederen, die voor een totale waarde van 6.045.838 BEF, waren opgenomen in de leveringsnota’s, niet terug te vinden waren in de verkoopsfacturen.

Op grond van deze vaststellingen werd van de BVBA **M.** België 6.045.838 BEF x 19 % zijnde een bedrag van 1.148.709 BEF als BTW gevorderd en 2.297.418 BEF als boete, waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd.

## BEOORDELING

Op basis van de door partijen ontwikkelde argumenten en voorgebrachte stukken, komt de rechtbank tot de volgende besluiten :

\- Betreffende het weren van de conclusies van eisende partij na heropening van de debatten

Bij tussenvonnis van 16 februari 1999 heeft de rechtbank de heropening van de debatten bevolen op de zitting van 16 maart 1999 teneinde verwerende partij toe te laten het bewijs te leveren dat de optredende ambtenaren regelmatig belast waren met een onderzoek inzake douane en accijnzen of een andere materie die als dusdanig onder hun bevoegdheid viel.

Niettegenstaande na de heropening de debatten beperkt zijn tot het onderwerp dat door de rechter is aangegeven (Bergen, 27 juni 1990, Pas., 1991, II, 1 en Luik, 12 december 1978, J.L., 1979, 281) is het doel hiervan de partijen de gelegenheid te geven over het aangegeven onderwerp hun argumenten uit te werken en hun verdediging op te bouwen waarbij het begrip verdedigen ruim dient bekeken te worden en dit recht op geen enkele wijze mag beperkt worden.

Het is duidelijk dat het onderwerp dat door de rechtbank is aangegeven betrekking heeft op de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek en eisend, partij heeft enkel dienaangaande geconcludeerd.

In die omstandigheden had dan ook eisende partij het recht haar standpunt dienaangaande uiteen te zetten en zeker te antwoorden op de bijkomende stukken en informatie die door verwerende partij werden bijgebracht.

Bijgevolg dienen de conclusies van eisende partij dan ook niet uit de debatten te worde; geweerd.

\- Betreffende de betrokkenheid van de BBI-ambtenaren bij het onderzoek

Volgens verweerder waren de BBI-ambtenaren reeds van bij het begin betrokken bij het onderzoek, niet in het kader van douanebevoegdheden, doch wel in het kader van hun eigen bevoegdheden op het gebied van BTW en directe belastingen. De BBI-ambtenaren mochten dan ook op het gebied van BTW en directe belastingen de stukken in beslag nemen.

Dit blijkt echter uit geen enkel element van het dossier.

De machtiging tot huisvisitatie werd immers schriftelijk aangevraagd en verleend op grond van de artikelen 188, 197 en 198 AWDA waarbij aan een BBI-ambtenaar machtiging werd verleend om bijstand te verlenen aan de ambtenaren der douane en accijnzen om, binnen de perken van hun wettelijke bevoegdheid, opsporingen en huiszoekingen te verrichten in het pand gelegen te …, …, elfde verdieping.

Het is dan ook duidelijk dat deze BBI-ambtenaar in het begin van het onderzoek slechts bijstand verleende in het kader van douanebevoegdheden.

Bovendien blijkt uit de inventaris van 17 oktober 1991 en uit het proces-verbaal van 24 januari 1995 van de vierde inspectie van de BBI te Brugge duidelijk dat alle documenten door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen werden in beslag genomen.

Bijgevolg is het bewezen dat deze documenten niet op het gebied van BTW en directe belastingen werden in beslaggenomen, doch wel in het kader van douanebevoegdheden.

\- Betreffende de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek

Conform artikel 210, § 3 AWDA is elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd als inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren.

De onderzoeksbevoegdheden van een belastingambtenaar zijn doel gebonden en enkel gericht op de controle van eventuele inbreuken op een specifieke belastingreglementering.

Bijgevolg mogen de onderzoeksbevoegdheden toegekend met het oog op de controle van een bepaalde belastingreglementering niet aangewend worden om louter en alleen de inbreuken op een andere belastingreglementering vast te stellen.

Niettegenstaande de BBI ambtenaren belast zijn met de controle van de diverse belastingwetgevingen, blijft ook voor hen de doelgebondenheid van de in het kader van elk onderzoek verleende bevoegdheden onverminderd gelden.

Aangezien zowel de douaneambtenaren als de BBI-ambtenaar gemachtigd waren tot een huisvisitatie op grond van de artikelen 188, 197 en 198 AWDA waren hun onderzoeksbevoegdheden dan ook enkel toegekend voor de controle inzake douane en accijnzen.

Slechts ingeval de huisvisitatie werd verricht binnen de normale bevoegdheden inzake douane en accijnzen, zijn zij gemachtigd om alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren.

Vooreerst dient dan ook te worden of het onderzoek regelmatig werd ingesteld en of de huisvisitatie werd verricht voor de controle inzake douane en accijnzen.

Verweerder stelt in zijn conclusies dat de huisvisitatie kaderde in een onderzoek betreffende het gebruik van een reeds geschrapt BTW-nummer van de firma **V.** voor invoeren van kooktoestellen en grilleerapparaten vanuit Zwitserland; doordat de invoerfacturen waren voorzien van een oorsprongsverklaring waaruit de Zwitserse oorsprong van de ingevoerde goederen moest blijken, waren geen invoerrechten verschuldigd (preferentieel tarief EVA landen); een verder onderzoek, na de huisvisitatie, bij de Zwitserse douanediensten bevestigde dat de ingevoerde geheel en al in Zwitserland werden geproduceerd zodat dar. ook effectief geen invoerrechten verschuldigd waren en bijgevolg geen douaneovertredingen konden weerhouden worden.

Op 15 oktober 1991 vroeg de Opsporingsinspectie Antwerpen, Controle III, der Douane en Accijnzen een machtiging tot huisvisitatie aan teneinde er sluiks ingevoerde goederen vanuit Zwitserland op te zoeken, waarvan ze het bestaan vermoeden.

Bij deze aanvraag was een schriftelijke verklaring gevoegd waarin vermeld werd dat kooktoestellen (grilleerapparaten) vanuit Zwitserland werden ingevoerd op de firma **V.**, waarvan het BTW-nummer geschrapt was, en dat **B.**, die zou verblijven te …, …, als geldschieter zou fungeren en de goederen op zijn verblijfplaats zou stockeren in verschillende garageboxen; tevens werd vermeld dat de toestellen zouden aangekocht worden tegen de eenheidsprijs van 6.000 BEF, terwijl er bij de invoer facturen werden voorgelegd waarop een waarde is vermeld van 1.000 BEF,

Er kan dan ook geen betwisting bestaan omtrent de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek.

## Betreffende de regelmatigheid van de uitwisseling van de tijdens het onderzoek bekomen inlichtingen aan de BTW-administratie

Het proces-verbaal van de hoofdcontroleur van de BBI d.d. 24 januari 1995 vermeldt : "Tussen de tijdens de huisvisitatie ingeziene stukken, akten, registers en bescheiden, heb ik fotocopieën gevonden van stukken uitgereikt door de BVBA **M.**. Het gaat om fotocopieën van gedateerde leveringsnota’s, sommige ondertekend voor ontvangst en met vermelding van de prijs, het aantal goederen, een specificatie van het artikel en de prijs.'

Uit artikel 210, § 3 AWDA volgt dat verwerende partij dient aan te tonen dat de persoon bij wie zij het onderzoek inzake douane e accijnzen voerden, en de persoon lastens wie zij inlichtingen met betrekking tot een ander belasting opzochten of inzamelden dezelfde is.

Het onderzoek inzake douane en accijnzen werd gevoerd bij de heer **B.** en/of mevrouw **B.** in het kader van mogelijke sluikinvoer van kookpannen en de inlichtingen ter zake van een BTW-fraude zouden opgezocht of ingezameld zijn in verband met eisende partij, die een andere rechtspersoon betreft..

Zoals uitdrukkelijk uit de tekst van de wet zelf blijkt, is het begrip van gemeenschappelijk navorsingsmiddel evenwel beperkt tot de belastingen verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon bij wie de controle of het onderzoek wordt gedaan.

Indien geen enkel recht tot mededeling bestaat met het oog op de heffing van een bepaalde belasting verschuldigd door een ander persoon dan die bij wie het onderzoeksrecht rechtmatig wordt uitgeoefend, kan de betrokken administratie, met het oog op de heffing van een andere belasting ervan geen mededeling doen aan de partner-administraties.

Cfr. Cass. 28 mei 1993, F.J.F. 93/222 :

*"Een ambtenaar van douane en accijnzen die regelmatig belast is met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de douanewetgeving is gemachtigd om, naar aanleiding van een dergelijke controle, met de onderzoeksmiddelen eigen aan de douanewetgeving inlichtingen in te zamelen die dienstig zijn voor een juiste heffing van de door de gecontroleerde persoon verschuldigde directe belastingen.''*

Inzake douane en accijnzen wordt dikwijls overgegaan tot inbeslagname van documenten die dan overgemaakt worden aan de partner-administraties. Voor zover deze documenten betrekking hebben op de persoon bij wie de huiszoeking wordt gedaan, wordt het recht tot mededeling rechtmatig uitgeoefend. Dit zou niet het geval zijn, mochten de inbeslaggenomen en medegedeelde documenten vreemd zijn aan de persoon bij wie de huiszoeking gebeurt.

De documenten, zijnde de leveringsnota's van de BVBA **M.** werden in beslaggenomen tijdens de uitgevoerde huiszoeking door een ambtenaar van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie.

Deze ambtenaar kan overeenkomstig de machtiging tot visitatie alle bevoegdheden uitoefenen die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan de ambtenaren ervan. (Wet van 8 augustus 1980 - art. 87).

Het begrip van uitbreiding van het onderzoeksrecht is evenwel begrensd. Het slaat alleen op andere belastingen voor zover die verschuldigd zijn door degene bij wie de controle uitgeoefend wordt en niet op andere belastingen verschuldigd door derden.

De verkregen inlichtingen zijn onrechtmatig en kunnen geen rechtsgevolgen creëren.

De vordering van eisende partij tot nietigverklaring van het dwangbevel dient ontvankelijk en gegrond te worden verklaard en de ingehouden bedragen dienen terugbetaald te worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk, en gegrond.

Beveelt de nietigverklaring van het dwangbevel met refertenummer reg. 127/3295, uitgevaardigd op 30 maart 1995 en betekend op 19 april 1995.

Ontslaat verwerende partij van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde bedragen;

Veroordeelt verwerende partij tot terugbetaling van alle ingehouden bedragen en dit vermeerderd met de moratoire intresten.

Veroordeelt verwerende partij tevens tot de kosten van huidig geding;

Vereffent deze kosten in hoofde van eisende partij tot 3.717 BF (dagvaardingskosten) en 12.900 BEF (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van verwerende partij tot 12.900 BEF (rechtsplegingsvergoeding).

**G. G.** **M. D.**
