---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 8 november 2000"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 8 november 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2000-11-08-b999"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 8 november 2000 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

8 november 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

64 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.11.2000

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht november tweeduizend in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**G. G.**, griffier.

In zake : AR Nr. **00/736/A**

De BELGISCHE STAAT, de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Directeur van de BTW, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-45,

**eisende partij,**

verschijnende bij Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …,

**tegen :**

**S. P. S. I.**, geboren te … op …, wonende te …, …,

**verwerende partij,**

verschijnende bij Meester **H. B.** loco Meester **N. D. W.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder te Antwerpen op 1 februari 2000;

\- de besluiten voor partijen.

Gelet op de wet van .15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 oktober 2000.

---

De vordering strekt ertoe verweerder te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van 635.862 BEF, te vermeerderen met de intresten vanaf 27 juli 1998, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

## Relevante feiten

Verweerder is zaakvoerder van de BVBA **T. B.**.

Ingevolge dwangbevel, uitgevaardigd op 10 juli 1992 en uitvoerbaar verklaard op 13 juli 1992, is de BVBA **T. B.** nog de volgende bedragen verschuldigd aan de BTW-administratie :

\- BTW : 372.814 BEF

\- boete : 44.922 BEF

\- wettelijke intresten tot 20 juli 1998 : 196.065 BEF

\- moratoire intresten tot 20 juli 1998 : 17.744 BEF

\- kosten : 4.317 BEF

TOTAAL : 635.862 BEF

Op 31 augustus 1992 heeft de BTW-administratie beslag gelegd op een aantal roerende goederen van de BVBA **T. B.**.

Tussen 30 augustus 1992 en 10 oktober 1992 heeft verweerder deze roerende goederen in zijn belang bedrieglijk vernietigd af overgemaakt, waarvoor hij strafrechtelijk werd veroordeeld bij. arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 24 maart 1999. De burgerlijke vordering van eiser werd gegrond verklaard voor 1 BEF ten provisionele titel.

Op 4 februari 1993 heeft de boekhouder van de BVBA **T. B.** een aangifte van stopzetting van werkzaamheid ingediend waarbij deze verklaarde dat iedere werkzaamheid, onderworpen aan de BTW, werd stopgezet op 1 oktober 1992.

## Beoordeling

## Betreffende de hoedanigheid van verweerder

Aangezien de boekhouder bij de aangifte van stopzetting heeft verklaard dat iedere werkzaamheid van de BVBA **T. B.** op 1 oktober 1992 werd stopgezet, diende deze vennootschap dan ook te worden vereffend.

Vermits echter geen vereffenaar werd benoemd, wordt verweerder in zijn hoedanigheid van zaakvoerder, conform artikel 180 van de vennootschappenwet, beschouwd als vereffenaar ten aanzien van derden.

Bijgevolg wordt verweerder ten aanzien van eiser als vereffenaar beschouwd.

## Betreffende de verantwoordelijkheid van verweerder

Verweerder, die ten aanzien van derden als vereffenaar wordt beschouwd, had tot taak de activa van de BVBA **T. B.** te gelde te maken teneinde hiermede de schulden te betalen.

Uit de hierna vermelde overwegingen van voornoemd arrest van 24 maart 1999 blijkt echter ontegensprekelijk dat huidige verweerder tekort gekomen is in zijn taak van vereffenaar en dat hij de activa niet te gelde heeft gemaakt teneinde hiermede de schulden te betalen :

> "Overwegende dat ten nadele van beklaagdes BVBA **T. B.** door de fiscale administratie beslag werd gelegd op de goederen, zoals vermeld in de tenlastelegging, in handen van de zaakvoerder, namelijk van beklaagde; dat beklaagde niet onwetend was van dit beslag; dat beklaagde evenwel, zonder zich in het minst over de in beslag genomen goederen te bekommeren (zonder meer) voor enkele jaren naar het buitenland (Filippijnen - zonder achterlating van enig bericht) vertrok…
>
> … dat beklaagdes vertrek naar het buitenland kennelijk ingegeven was om alle schuldperikelen - in het bijzonder de fiscale – te ontvluchten…
>
> … dat beklaagde deze wegmaking realiseerde teneinde de fiscale administratie te schaden ..."

Bij gebreke aan bewijs dat de schade geleden door het misdrijf gelijk is aan de gevorderde schadevergoeding, die gesteund wis op de verschuldigde BTW, boeten en intresten van de BVBA **T. B.** heeft het arrest aan huidige eiser slechts een schadevergoeding toegekend van 1 BEF ten provisionele titel.

Bijgevolg is het bewezen dat verweerder de activa van de BVBA **T. B.** niet heef te gelde gemaakt teneinde hiermede de schulden te betalen, doch integendeel deze - ondanks het beslag - bedrieglijk heeft vernietigd of weggemaakt zodat hij zijn taak van vereffenaar aldus niet vervuld heeft en hij, conform artikel 186 van de Vennootschappenwet, jegens derden en ook jegens eiser aansprakelijk is voor de tekortkomingen in zijn beheer.

Uit de jaarrekening, afgesloten op 31 december 1991, blijkt dat er op dat ogenblik nog aanzienlijke activa in de BVBA **T. B.** aanwezig waren, namelijk materiële vaste activa voor een boekwaarde van 2.338.923 BEF en liquide middelen voor een bedrag van 1.300.000 BEF. Bovendien blijkt uit deze jaarrekening dat dit boekjaar werd afgesloten met een winst van 796.655 BEF die werd overgedragen naar het volgend boekjaar.

Bij gebreke aan enig objectief element waaruit blijkt dat deze activa, minstens voor een belangrijk gedeelte, enkele maanden later niet meer aanwezig waren op het ogenblik dat op 1 oktober 1992 iedere werkzaamheid van de BVBA **T. B.** werd stopgezet ende vennootschap dan ook diende vereffend te worden, is het bewezen dat er alsdan voldoende middelen voorhanden waren om de schuldvorderingen van eiser te voldoen.

Het is dan ook bewezen dat verweerder niet enkel de in beslag genomen roerende goederen bedrieglijk heeft vernietigd of weggemaakt, maar dat hij ook andere, aanzienlijke activa, die nog aanwezig waren op het ogenblik dat de vennootschap in vereffening diende te worden gesteld, niet te gelde heeft gemaakt teneinde hiermede de schulden van de BVBA **T. B.** te betalen.

Aangezien eiser, conform de anikelen 36 en 87 van het Wetboek van BTW, voor de invordering van de belasting, van de intresten en van de kosten een algemeen voorrecht heeft op alle inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de BVBA **T. B.**, is het bewezen dat eiser de volledige betaling van haar schuldvorderingen zou hebben bekomen, ingeval verweerder zijn taak van vereffenaar had vervuld, nu immers uit geen enkel objectief element blijkt dat er andere bevoorrechte schuldeisers waren.

Bijgevolg is het bewezen dat verweerder tekort geschoten is in zijn beheer van vereffenaar zodat hij hiervoor, conform artikel 186 van de Vennootschappenwet, jegens eiser aansprakelijk is waardoor deze schade heeft geleden zoals hij gevorderd heeft.

Zonder de fout van verweerder zouden de aanwezige activa van de BVBA **T. B.** immers hebben volstaan om haar volledige fiscale schuld te voldoen aan eiser, die een algemeen voorrecht had, zodat het dan ook bewezen is dat de door eiser geleden schade gelijk is aan haar fiscale vordering op de BVBA **T. B.**.

## Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot.de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van het bedrag van **zeshonderdvijfendertigduizend achthonderd tweeënzestig Belgische franken (635.862 BEF)**, te vermeerderen met de intresten vanaf 27 juli 1998 tot 1 februari 2000 en met de gerechtelijke intresten van dan af tot de datum der gehele betaling.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van eiser begroot op :

\- dagvaarding : 3.988 BEF

\- rechtsplegingsvergoeding : 12.900 BEF

en door de Rechtbank vereffend op dezelfde bedragen.

**G. G.** **P. W.**
