---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 16 oktober 1995"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 16 oktober 1995."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-1995-10-16-9ccc"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 16 oktober 1995 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

16 oktober 1995

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

57 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 16.10.1995

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op zestien oktober negentienhonderd vijfennegentig in openbare zitting van de zestiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

**I.V. O.**, enig rechter

**R. D.**, griffier

Inzake : AR nr. **58.491**

**C. V.**, zaakvoerder, wonende te …, …, voorheen ingeschreven als BTW-plichtige onder het nummer …

**eiser,**

verschijnend bij Meester **A. C.** loco Meester **H. D.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het 3de BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen aan de Italiëlei 4 bus 4 te 2000 Antwerpen.

**verweerder,**

verschijnende bij Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …

---

De vordering strekt er in hoofdzaak toe, verweerder te horen verbieden, over te gaan tot uitvoering van een dwangbevel dat volgens eiser op onjuiste gronden werd opgesteld.

## I. Betreffende de grond van dit dwangbevel bestaan tussen partijen nog twee betwistingen :

### A. Betreffende de leveringen M. :

Wegens het verwaarlozen, door eiser, van zijn verplichting tot het bijhouden van een dagboek van ontvangsten en wegens het niet inschrijven van bepaalde facturen ging verweerder over tot het opstellen van een ambtshalve aanslag.

Het wordt niet betwist dat de voorwaarden voor het vestigen van een ambtshalve aanslag vervuld waren.

Bij het vestigen van een ambtshalve aanslag dient – zoals eiser aanhaalt in zijn besluiten – de BTW, berekend op het vermoedelijke bedrag van de belastbare handelingen.

Hoewel uiteraard elke willekeur vreemd dient te zijn aan de raming door de administratie, maakt deze regel haar taak veel lichter. Ten onrechte grijpt eiser dan ook terug naar rechtspraak en rechtsleer in verband met het bewijs door vermoedens om verweerders raming van zijn vermoedelijke verrichtingen aan te vechten. Het gaat inderdaad om twee wezenlijk verschillende begrippen.

Het bewijs door vermoedens hoort immers een bewijs te zijn, dit wil zeggen een redenering of geheel van elementen die elke twijfel in hoofde van de rechter uitsluiten. De gegevens waarop gesteund wordt mogen precair of discutabel zijn – daarom worden ze ook maar vermoedens genoemd – maar de conclusie dient in de ogen van de rechtbank onaanvechtbaar te zijn.

Bij een vermoedelijke raming is daarentegen per definitie wat het besluit zelf betreft een zekere mat van onzekerheid toegelaten. Zo de gegevens waarop het besluit steunt de mogelijkheid van een andere conclusie niet uitsluiten, is zulks niet noodzakelijk van aard de vermoedelijke raming te weerleggen. Het volstaat dat er in de ogen van de rechtbank een afdoende mate van waarschijnlijkheid bestaat, zonder dat er van de administratie enig bewijs voor haar standpunt kan geleverd worden. Zo de belastingplichtige deze vermoedelijke raming aanvecht dient hijzelf de volledige bewijslast te dragen.

In casu blijkt dat de stukken welke verweerder bij de firma **M.** vond nauwelijks ruimte laten voor twijfel nopens de realiteit van de veronderstelde zwarte omzet van **M.**-producten.

Deze firma werkt blijkbaar met afleveringsbons, bestaande uit twee delen welke hetzelfde bonnummer dragen.

Eén deel van de litigieuze exemplaren werd ingevuld met de gegevens betreffende een officiële levering aan eiser, op basis waarvan de firma **M.** een regelmatige factuur afleverde die door eiser geboekt werd. Onderaan dit deel is een vak “klant” waarin telkens een paraaf voorkomt. Eiser betwist niet dat dit de zijne is, minstens deze van iemand die bevoegd is namens zijn bedrijf op te treden.

Op het andere deel komen dezelfde gegevens voor : dezelfde datum, dezelfde bestellingen. Telkens zijn er echter enkele producten bijgekomen. Onderaan is opnieuw het vak “klant”, voorzien van kennelijk dezelfde paraaf.

Op beide delen komt tevens een vak “opmerkingen” voor dat bij het eerste deel meestal ongebruikt blijft, bij het tweede deel daarentegen een getal bevat, gelijk aan de som van beide delen.

Blijkbaar komen de delen niet tot stand door één of ander doorslagprocédé. Zowel inzake de ingevulde cijfers als inzake de parafen zijn er lichte verschillen merkbaar tussen beide delen.

Volgens de verklaring der bestuurders van de NV **M.** (weergegeven in het proces-verbaal van 16 januari 1989, aan de betekening van het bevel gehecht als 20 ste blad) gaat het om een procedé om een deel van de levering niet te factureren aan de werkelijke afnemer, die vermeld wordt op het eerste deel.

Zo men er in deze omstandigheden niet zonder meer van overtuigd is dat eiser op het tweede formulier zijn bestelling aanvulde met zonder factuur te leveren waren, lijkt een andere mogelijkheid toch wel zeer vergezocht.

De interpretatie die verweerder aan deze stukken geeft is “vermoedelijk” dan ook de juiste.

Anderzijds is het duidelijk dat de raming niet op willekeurige basis gebeurd is, nu ze daarbij nauwgezet de stukken volgt die buiten haar om, en blijkbaar met de medewerking van eiser zelf door een derde werden opgesteld.

B. Betreffende de facturen **D.**.

Het gaat om 53 facturen opgesteld door de firma **D.** op naam van zekere dame **G.**, waarvan eiser aanvankelijk erkende dat het ging om goederen die in werkelijkheid aan hem gericht waren (zie het Proces-verbaal van vaststelling d.d. 11 december 1989, aan de betekening van het dwangbevel gehecht als 17 de blad).

Thans houdt eiser voor dat zijn verklaring slechts betrekking had op de facturen die onderhoudsproducten betroffen, terwijl hij bij de firma **D.** nooit iets anders dan onderhoudsproducten zou besteld hebben.

De betekenis van eiser had betrekking op 52 facturen, hetzij het exacte aantal facturen waarop verweerder zich beroept. De veronderstelling dat het zou gaan om andere facturen dan degene die bij het dwangbevel gevoegd zijn, kan dan ook geredelijk verworpen worden en wordt trouwens door eiser niet een geopperd.

De thesis van eiser komt er dus op neer dat hij dwaalde toen hij erkende dat de 53 hem voorgelegde facturen aan hem geleverde goederen betroffen; in werkelijkheid zou hij slechts hebben willen erkennen dat diegenen van die facturen die enkel onderhoudsproducten bevatten op hem betrekking hadden.

Bij nazicht blijkt dat er tussen de 53 drie facturen zijn die enkel op onderhoudsproducten, beter gezegd op non-food artikelen betrekking hebben.

Het is ongeloofwaardig dat eiser 53 facturen zou toegegeven hebben indien hij zich slechts bewust was van 3 niet geboekte facturen.

Integendeel had het voor hem weinig zin precies deze drie facturen te betwisten waar onderhoudsproducten in zijn zaak – een restaurant – waarschijnlijk niet als dusdanig bijdroegen tot de omzet; door deze producten op naam van een derde te laten factureren, liep hij slechts de aftrekbaarheid van de BTW, op deze producten mis !

De thesis van eiser, dat hij bij de firma **D.** slechts onderhoudsproducten wilde afnemen omdat ze voor de andere producten te duur was, wordt helemaal ongeloofwaardig wanneer men vaststelt dat de firma **D.** gespecialiseerd is in delicatessen. Het is aannemelijker dat deze firma vuilniszakken, allesreiniger en dergelijke minder delicate producten slechts verhandelt als service voor klanten.

Eiser slaagt er dan ook niet de rechtbank ervan te overtuigen dat zijn bekentenis, vervat in het proces-verbaal van 11 december 1989, op een vergissing berustte.

De betreffende facturen zijn dus uitdrukkelijk door eiser aanvaard als op hem betrekking hebbend en leveren bewijs op tegen hem.

**II. Tenslotte betwist eiser de verhoging van de boete, voorhoudende dat de Belgische wetgeving terzake – en de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie – in strijd is met het EVRM.**

De betwistingen aangaande de opportuniteit en de hoogte der administratieve boeten inzake belastingen behoren echter niet tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken en worden ook door het EVRM niet aan onze appreciatiebevoegdheid onderworpen.

Het gaat hier immers niet om burgerlijke of strafzaken doch wel om een politiek recht, namelijk het ius tributi.

Weliswaar wordt in de meest recente rechtspraak van het Europees Hof een onderscheid gemaakt tussen “criminal penalties”, door de belastingwetgeving opgelegde, zeer substantiële boeten voor “criminal offences” en die dan ook onder de bescherming van het Europees Verdrag vallen, en de “tax penalties” waarover, net als vroeger, de belastingadministratie zelf beslist.

In het door eiser ingeroepen arrest Bendenoun v. France kwam het Europees Hof van Justitie tot het besluit dat het om een boete van de eerste soort ging, onder andere op basis van de overweging dat de boetes zeer hoog waren (100 % van de ontdoken belastingen) en dat bij niet betaling een vervangende gevangenisstraf voorzien was.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank**, zetelend in eerste aanleg en recht doende op **tegenspraak**,

alle verdere of strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de eis ontvankelijk doch ongegrond, wijst eiser er dienvolgens van af.

Veroordeelt eiser kosten van het geding, deze tot op heden begroot in hoofde van verweerder op :

Rechtsplegingsvergoeding : … Fr.

Doorhaling goedgekeurd van \_ regel(s) en \_ woord(en).

**R. D.** **L. V. O.**
