---
title: "Recht op teruggaaf, Onverschuldigde betaling · Hof van beroep te Antwerpen, 30 maart 2021"
description: "Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat gegrond en de oorspronkelijke vordering van verweerster ongegrond."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-onverschuldigde-betaling-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2021-03-30-fd26"
lang: "nl"
---

# Recht op teruggaaf, Onverschuldigde betaling, Verjaring vordering tot teruggaaf

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

30 maart 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

140 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 30.03.2021

WF 711-15-17/021434

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op teruggaaf – Onverschuldigde betaling – Verjaring vordering tot teruggaaf*

## Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 82bis en art. Art. 77 § 1

BW: art. 2262bis (oud)

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Belastingplichtige werd voor de periode van 01/01/2014 tem 31/12/2015 onderworpen aan een btw-controle. Meer bepaald had die controle betrekking op het ‘btw krediet, met de bedoeling om de inschrijving in het rooster 62 van de periodieke btw-aangifte in het voordeel van de aangever na te zien.

De administratie stelde vast dat belastingplichtige in de btw-aangifte m.b.t tot vierde kwartaal 2015 een som had opgenomen in rooster 62, regularisatie in het voordeel van de aangever. De oorzaak van die teruggaaf had betrekking op een vergissing die had plaatsgevonden in de btw-aangifte van de handelingen m.b.t. tot het derde kwartaal 2009. De rechtzetting vond plaats in de boekhouding in de loop van het vierde kwartaal 2009 maar ze vond niet plaats in de daarmee overeenstemmende btw-aangifte.

Het recht op teruggaaf, dat volgens de administratie reeds was ontstaan op het einde van het jaar 2009, werd slechts zes jaar later uitgeoefend. De administratie was van oordeel dat op dat ogenblik de verjaring was ingetreden en stelde een correctieopgave op en nam de vaststellingen op in een proces-verbaal van regularisatie nadat belastingplichtige reeds een dagvaarding had uitgebracht.

De eerste rechter verklaarde de vordering van belastingplichtige gedeeltelijk gegrond en oordeelde dat nagevorderde bedrag een onverschuldigde betaling uitmaakte, waarvan de terugbetaling door de Staat niet door het WBTW was geregeld, omdat men niet met btw-recht te maken had maar wel met het gemeen recht. De administratie stelt hoger beroep in tegen het tussengekomen vonnis.

## 2) Samenvatting van het geschil in hoger beroep

De administratie beroept zich op de verjaring voorzien in [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis). Belastingplichtige stelt dat [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) geen toepassing kan vinden op de teruggave, aangezien deze situatie niet geregeld zou worden door het WBTW. Belastingplichtige stelt dat door de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling er een verjaringstermijn geldt van 10 jaar vanaf de dag van betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 2262bis BW (oud).

Het hof volgt de stelling van de administratie en stelt dat [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) in casu wel van toepassing is zodat het verzoek tot teruggaaf vanwege belastingplichtige verjaard is.

Belastingplichtige heeft in het derde kwartaal 2009 twee aankoopfacturen waarop btw in rekening werd gebracht, verkeerdelijk geboekt in haar aankoopdagboek, alsof het facturen waren waarop een verlegging van heffing (stelsel medecontractant [art. 20 KB nr.1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d)) werd toegepast. Het betroffen echter gewone facturen waarop btw werd aangerekend, die niet door belastingplichtige diende afgedragen te worden aan de Belgische Staat doch wel door de uitreiker van de factuur.

Belastingplichtige heeft bij vergissing deze facturen in de btw-aangifte van het

derde kwartaal 2009 opgenomen onder het stelsel btw-medecontractant. De rechtzetting van deze vergissing in de btw-aangifte, gebeurde pas in de periodieke btw-aangifte van het vierde kwartaal van 2015. Te dezen staat bijgevolg niet ter discussie dat belastingplichtige in het derde kwartaal 2009 een verkeerde btw-aangifte indiende en aldus een vergissing beging bij het opmaken van de btw-aangifte. Belastingplichtige betaalde te veel aan btw.

Inzake verjaring wijkt het fiscaal recht af van het gemeen recht. Belastingplichtige heeft de btw-heffing (per vergissing) opgenomen in haar btw-aangifte voor het derde kwartaal 2009 en heeft het uit die aangifte blijkend saldo voldaan op 19 oktober 2009. Dit is de dag waarop te veel btw werd betaald. Te dezen dient het vertrekpunt van de verjaring te worden gesitueerd in kalenderjaar 2009. Bijgevolg is er sprake van verjaring na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zijnde te dezen op 01/01/2013. Belastingplichtige kon haar vordering tot teruggaaf dan ook uitoefenen tot en met 31/12/2012, doch zij deed dit pas in haar btw-aangifte van het vierde kwartaal 2015.

De administratie stelt dan ook terecht dat de vordering tot teruggaaf verjaard is. De voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn te dezen evenmin ter zake dienend, noch relevant voor de oplossing van het geschil.

Wat de boete betreft is het hof van oordeel dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 30.03.2021**

Rol: 2019/AR/1814

**DE BELGISCHE STAAT**- FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL- DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, met maatschappelijke zetel te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, Eiser in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de llA kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 26 juli 2019, gekend onder rolnummer 17/976/A

**tegen**

**H. BV**, ON 0465...., met maatschappelijke zetel te ..., Verweerster in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 26 juli 2019, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 4 oktober 2019, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwerp van de betwisting.***

De betwisting heeft betrekking op de correctieopgave d.d. 27/02/2017 die lastens verweerster in hoger beroep werd opgesteld voor een bedrag van 12.018,32 euro BTW in hoofdsom en 1.200 euro BTW-boete, meer interesten en kosten.

Op 02/05/2017 werd proces-verbaal opgesteld ingevolge waarvan verweerster in hoger beroep in 2017 overging tot betaling aan de Belgische Staat van de verschuldigde sommen, zoals uitdrukkelijk bevestigd ter zitting van 02/03/2021.

Het hof dient zich bijgevolg enkel uit te spreken over de vraag of het recht op teruggave uitgeoefend door verweerster in hoger beroep in de aangifte van het vierde kwartaal van 2015 verjaard is en over de opgelegde geldboete van 10%.

***1.2.*** ***Administratieve fase.***

Verweerster in hoger beroep is ingevolge haar economische activiteit van holding sedert 01/05/2006 geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer BE 0465.... en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten (kwartaa1-aangiften).

Tijdens een fiscaal onderzoek werd de toepassing van de BTW-wetgeving bij verweerster in hoger beroep gecontroleerd met betrekking tot de periode 01/01/2014 tot en met 31/12/2015. De controle had specifiek betrekking op de actie 'BTW krediet', meer bepaald met de bedoeling om de inschrijving in het rooster 62 van de periodieke BTW-aangifte in het voordeel van de aangever na te zien.

Bij de controle werd vastgesteld dat in de periodieke BTW-aangifte van de handelingen met betrekking tot het vierde kwartaal 2015 de som van 11.515,38 euro was opgenomen in rooster 62, regularisatie in het voordeel van de aangever. Dit bedrag was samengesteld uit enerzijds enkele kleine correcties in het voordeel van de Staat en anderzijds een aan verweerster in hoger beroep terug te geven BTW van 12.018,32 euro.

Het betrof twee aankoopfacturen waarbij BTW in rekening was gebracht. Deze aangerekende BTW was niet aftrekbaar aangezien de aankopen bestemd waren voor doeleinden van onroerende verhuur.

Verweerster in hoger beroep behandelde de facturen in het aankoopdagboek alsof het facturen 'BTW verlegd' waren: over het totale bedrag van de factuur, BTW inbegrepen, werd 21 % BTW berekend en geplaatst in rooster 56 van de BTW-aangifte. De aldus verschuldigd gestelde BTW werd evenmin in aftrek gebracht gelet op de bestemming voor doeleinden van onroerende verhuur.

De vergissing vond plaats in de BTW-aangifte van de handelingen met betrekking tot het derde kwartaal 2009. De rechtzetting vond plaats in de boekhouding in de loop van het vierde kwartaal 2009 maar ze vond niet plaats in de daarmee overeenstemmende BTW­ aangifte.

Het recht op teruggaaf, dat volgens de administratie reeds was ontstaan op het einde van het jaar 2009, werd slechts zes jaar later uitgeoefend. De administratie was van oordeel dat op dat ogenblik de verjaring was ingetreden.

Volgens de administratie had verweerster in hoger beroep dit bedrag ten onrechte opgenomen in haar BTW aangifte van het vierde kwartaal 2015 aangezien de verjaring reeds zou zijn ingetreden.

Op 27/02/2017 werd een correctieopgave opgesteld.

De belastingadministratie nam haar vaststellingen op in een proces-verbaal van regularisatie

d.d. 02/05/2017 (na uitbrengen van de hiernavolgende dagvaarding}. Hierin werden de volgende verschuldigde bedragen opgenomen:

12.018, 32 euro als verschuldigde BTW

1.200 euro als verminderde geldboete meer interesten en kosten.

***1.3.*** ***Procedure voor de eerste rechter.***

Bij dagvaardingsexploot betekend op verzoek van verweerster in hoger beroep aan de Belgische Staat op 06/04/2017 stelde verweerster in hoger beroep een vordering in rechte in bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.

Verweerster in hoger beroep vorderde:

de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

de correctieopgave d.d. 27/02/2017 die lastens verweerster in hoger beroep werd opgesteld voor een bedrag van 12.018,32 euro als BTW in hoofdsom, te vermeerderen met een BTW-boete van 1.200 euro nietig te verklaren;

minstens de boete te herleiden tot een evenredig bedrag;

minstens te oordelen dat er redenen zijn om een boete met uitstel uit te spreken en nu de wet die niet toelaat, [art. 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) ongrondwettelijk en niet toepasbaar te verklaren;

eventueel de boete op te leggen met uitstel;

de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze correctieopgave werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000 euro;

Minstens de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

1\. "Schendt art. 100,1 ° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet door te voorzien in een verjaringstermijn van 5 jaar voor schuldvorderingen ten aanzien van de Belgische Staat, terwijl voor schuldvorderingen ten aanzien van burgers onderling de

gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar (art. 2262 bis BW) van toepassing is?"

2\. "Schendt art. 100, 1 ° van de wet op de Rijkscomptabiliteit het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet door te voorzien in een verjaringstermijn van 5 jaar voor schuldvorderingen ten aanzien van de Belgische Staat die betwist worden en die in rechte gevorderd moeten worden, terwijl art. 100, 3 ° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit voorziet in een verjaringstermijn van 10 jaar voor fiscale schulden die erkend worden door de Belgische Staat en die ambtshalve terugbetaald worden?"

De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. De rechtbank stelde dat de in de correctieopgave van 27/02/2017 lastens verweerster in hoger beroep opgesteld gevorderde BTW voor een bedrag van 12.018,32 euro in hoofdsom niet verschuldigd was. Het meer gevorderde werd afgewezen. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot ½de van de kosten, in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat het nagevorderde bedrag een onverschuldigde betaling uitmaakte waarvan de terugbetaling door de Staat niet door het Wetboek van de BTW was geregeld omdat men niet met BTW te maken had maar wel het gemeen recht.

De eerste rechter oordeelde dat de vordering tot teruggave van beweerdelijk ten onrechte gestorte sommen aan de BTW-administratie geen betrekking had op vaste uitgaven van de Staat en bijgevolg geviseerd werd door art. 100 lid 1, 1° van de Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991 en dit artikel voorzag in een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de vordering was ontstaan, bij gebrek aan een specifieke verjaringstermijn voorzien door de fiscale wet. De eerste rechter oordeelde dat de vordering nog niet verjaard was en dat de vordering op dit punt gegrond was.

De rechtbank oordeelde verder dat er geen elementen werden aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak, er ook geen concrete redenen waren om de boete met uitstel op te leggen zodat de vordering op dit punt ongegrond was.

De vordering was naar het oordeel van de eerste rechter in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkte geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 04/10/2019, hoger beroep ingesteld.

***1.4.*** ***Procedure voor het hofvan beroep.***

De Belgische Staat vordert:

het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

derhalve de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep als ongegrond af te wijzen;

de lastens verweerster in hoger beroep in het proces-verbaal d.d. 02/05/2017 opgelegde vordering derhalve integraal te bevestigen;

te zeggen voor recht dat het niet noodzakelijk is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op 750 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Verweerster in hoger beroep vordert:

het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens de correctieopgave d.d. 27/02/2017 die lastens verweerster in hoger beroep werd opgesteld voor een bedrag van 12.018,32 euro als BTW in hoofdsom, te vermeerderen met een BTW-boete van 1.200 euro nietig te verklaren;

te zeggen voor recht dat ook de boete vernietigd minstens ontheven moet worden; minstens de boete kwijt te schelden of te herleiden tot een evenredig bedrag; minstens te oordelen dat er redenen zijn om een boete met uitstel uit te spreken en nu de wet die niet toelaat, [art. 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) ongrondwettelijk en niet toepasbaar te verklaren;

de terugbetaling te bevelen van alle bedragen dit wederrechtelijk op grond van deze correctieopgave werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320 euro in eerste aanleg en 1.320 euro in hoger beroep;

Minstens de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

1\. "Schendt art. 100,1 ° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet door te voorzien in

een verjaringstermijn van 5 jaar voor schuldvorderingen ten aanzien van de Belgische Staat, terwijl voor schuldvorderingen ten aanzien van burgers onderling de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar (art. 2262 bis BW) van toepassing is?"

2\. Schendt art. 100, 1° van de wet op de Rijkscomptabiliteit het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet door te voorzien in een verjaringstermijn van 5 jaar voor schuldvorderingen ten aanzien van de Belgische Staat die betwist worden en die in rechte gevorderd moeten worden, terwijl art. 100, 3 ° van de Wet op de Rijkscomptabiliteit voorziet in een verjaringstermijn van 10 jaar voor fiscale schulden die erkend worden door de Belgische Staat en die ambtshalve terugbetaald worden?"

## 2. Bespreking

### *2.1* *Verjaring van de terugvordering*

De Belgische Staat beroept zich op de verjaring voorzien in [art. 82 bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis).

Verweerster in hoger beroep stelt dat art. 82 bis W.BTW. geen toepassing kan vinden op de teruggave, aangezien deze situatie niet geregeld zou worden door het WBTW. Verweerster in hoger beroep stelt dat door de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling er een verjaringstermijn geldt van 10 jaar vanaf de dag van betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 2262bis BW (oud).

[Art. 82 bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis). bepaalt dat er verJanng is voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

BTW wordt alleen teruggegeven in de gevallen waarin het WBTW voorziet ([art. 75 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-75)). Deze gevallen worden opgesomd in [artikel 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76), [77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) en [77 bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77bis) WBTW.

[Art. 77 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) somt beperkend de oorzaken van teruggaaf op die kunnen gelden wanneer het gaat om BTW die werd geheven van een levering van goederen, een dienst of een intracommunautaire verwerving van een goed.

BTW wordt o.m. teruggeven indien de betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft ([art. 77 §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77)). Dit is onder meer het geval wanneer er fouten zijn gemaakt bij het opmaken van de facturen of indien een vergissing werd begaan bij het opmaken van de BTW-aangifte.

Verweerster in hoger beroep heeft in het derde kwartaal 2009 twee aankoopfacturen waarop BTW in rekening werd gebracht, verkeerdelijk geboekt in haar aankoopdagboek, alsof het facturen waren waarop een verlegging van heffing (stelsel medecontractant [art. 20 KB nr.1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d)) werd toegepast. Het betroffen echter gewone facturen waarop BTW werd aangerekend, die niet door verweerster in hoger beroep diende afgedragen te worden aan de Belgische Staat doch wel door de uitreiker van de factuur.

Verweerster in hoger beroep heeft bij vergissing deze facturen in de BTW-aangifte van het derde kwartaal 2009 opgenomen onder het stelsel BTW-medecontractant, onder rooster 56 van de BTW-aangifte.

De rechtzetting van deze vergissing in de BTW-aangifte, gebeurde pas in de periodieke BTW­ aangifte van het vierde kwartaal van 2015.

Te dezen staat bijgevolg niet ter discussie dat verweerster in hoger beroep in het derde kwartaal 2009 een verkeerde BTW-aangifte indiende en aldus een vergissing beging bij het opmaken van de BTW-aangifte.

Het gaat hier wel degelijk om door verweerster in hoger beroep te veel betaalde BTW. Inzake verjaring wijkt het fiscaal recht af van het gemeen recht.

[Artikel 77 §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) bepaalt precies dat de BTW wordt teruggegeven indien de betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft.

Het WBTW bevat een autonome, van het gemeen recht afwijkende regeling voor wat betreft de terugvordering van een onverschuldigde betaling (art. 75, 77 §1, 1 ° en 82 bis WBTW). Gelet op deze afwijkende regeling, kan geen toepassing gemaakt worden van de gemeenrechtelijke principes van de onverschuldigde betaling op de terugvordering van onverschuldigd betaalde belasting.

Verweerster in hoger beroep heeft de BTW-heffing (per vergissing) opgenomen in haar BTW­ aangifte voor het derde kwartaal 2009 en heeft het uit die aangifte blijkend saldo voldaan op 19 oktober 2009. Dit is de dag waarop te veel BTW werd betaald.

Te dezen dient het vertrekpunt van de verjaring te worden gesitueerd in kalenderjaar 2009. Bijgevolg is er sprake van verjaring na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zijnde te dezen op 01/01/2013. Verweerster in hoger beroep kon haar vordering tot teruggaaf dan ook uitoefenen tot en met 31/12/2012, doch zij deed dit pas in haar BTW-aangifte van het vierde kwartaal 2015.

De belastingadministratie stelt dan ook terecht dat vordering tot teruggave verjaard is.

De Belgische Staat kan niet tot terugbetaling worden veroordeeld omdat de vordering van verweerster in hoger beroep tot teruggave, in toepassing van [artikel 82 bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) verjaard is.

Het blijkt ook niet dat er nuttige data van stuiting of schorsing zouden zijn geweest.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen desbetreffende af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

De voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn te dezen evenmin ter zake dienend. Ze zijn niet relevant ter oplossing van onderhavig geschil zodat het hof geen prejudiciële vragen dient te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

### *2.2* *De opgelegde geldboete*

Krachtens [artikel 70, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 70, § lbis, Btw-wetboek verbeurt eenieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting, in zoverre die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid.

Krachtens [artikel 84, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

De vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid door het Grondwettelijk Hof (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 32/2020, 20 februari 2020) van voormelde bepalingen heeft echter niet tot gevolg dat die bepalingen, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Het hof stelt vast dat de Belgische Staat overging tot het opleggen aan verweerster in hoger beroep van een proportionele fiscale geldboete van 10 %.

Door verweerster in hoger beroep werd ten onrechte een bedrag van 11.515,38 euro opgenomen in het rooster 62 van de aangifte van het vierde kwartaal 2015.

Verweerster in hoger beroep oefende haar recht op teruggaaf uit in de aangifte van het vierde kwartaal 2015 in plaats van het vierde kwartaal 2009 tijdvak waarin de oorzaak van teruggaaf zich had voorgedaan, namelijk op 19/10/2009 ([art. 5 §1 KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art5)). Zij deed dit evenmin in een van de aangiften ingediend voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich had voorgedaan ([art. 5 §2 KB nr5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-5-betrekking-diensten-verband-houden-aard-e59d) en [art. 82 bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis)).

Verweerster in hoger beroep oefende haar recht op teruggaaf derhalve onrechtmatige uit. Er is geen sprake van een principiële betwisting.

De inbreuk op het wetboek BTW en haar uitvoeringsbesluiten ligt geenszins buiten de wil van verweerster in hoger beroep.

De opgelegde geldboete bestraft niet alleen de inbreuk op gepaste wijze, maar is ook passend om de belastingplichtige ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen op meer nauwgezette wijze na te komen.

Los van het feit dat er te dezen geen verzoek is geweest aan de minister van Financiën of zijn gemachtigde (art. 9 Regentbesluit- organiek besluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen) is het hof van oordeel dat de opgelegde geldboete van 10 % afdoende gemotiveerd is, wettelijk is en in redelijke verhouding staat met de aard en de ernst van de inbreuk.

Het hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

### *2.3* *De rechtspleqinqsverqoedinq*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient verweerster in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

De vordering is in geld waardeerbaar en bevindt zich in de schaal van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro waarvan het basisbedrag 1.320 euro bedraagt en het minimum 750 euro.

Ter zitting vorderde de Belgische Staat tevens de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds ten laste te leggen van de belastingplichtige.

Bijgevolg kunnen de kosten van het geding in hoofde van de Belgische Staat vereffend worden zoals door haar beperkt gevorderd, zijnde O euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat in eerste aanleg, 750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017).

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep toelaatbaar en gegrond als volgt.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond als volgt.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van het geding.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van eiser in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017} in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 30 maart 2021 door ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

10

[WBTW art. 82bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen

[KB nr. 5 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-5-betrekking-diensten-verband-houden-aard-e59d) 1 voorkomen

[WBTW art. 75](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-75) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

[WBTW art. 77bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-rechtbank-gent-2021-11-24-961d) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-hof-van-beroep-gent-2023-05-02-ec95) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verhuur, Controle, Regularisatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-verhuur-controle-regularisatie-rechtbank-brussel-2026-03-04-12c4) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-rechtbank-brussel-2026-03-04-1964) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Renovatiewerken, Verlaagd btw-tarief, Schuldvergelijking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-renovatiewerken-verlaagd-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2023-09-26-1dbe) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, bewijswaarde van het proces-verbaal, feitelijke vermoedens, proportionele boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-bewijswaarde-feitelijke-vermoedens-hof-van-beroep-gent-2016-11-29-d2ca) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/periodieke-btw-aangifte-teruggaaf-belasting-cassatie-brussel-2022-06-17-6785) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige opsplitsing van handelingen, misbruik, tarief, splitsing van prestatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-opsplitsing-handelingen-misbruik-tarief-hof-van-beroep-gent-2024-10-15-26d8) 4 gemeenschappelijke bepalingen
