---
title: "Recht op aftrek, uitbreiding vordering · Hof van beroep te Antwerpen, 2 mei 2017"
description: "Recht op aftrek, uitbreiding vordering, recht op teruggaaf, erfpacht, vrijgestelde levering. Hof van beroep te Antwerpen (België), 2 mei 2017."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-uitbreiding-vordering-teruggaaf-hof-van-beroep-antwerpen-2017-05-02-ee2b"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, uitbreiding vordering, recht op teruggaaf, erfpacht

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

2 mei 2017

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

136 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

WF 713-15-12/061965

\[Gunstig voor de administratie\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek – uitbreiding vordering – recht op teruggaaf- erfpacht – vrijgestelde levering - onroerende leasing – verjaring vordering tot teruggaaf*

## Wettelijke bepalingen

[Artikel 45 §1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)

[Artikel 77 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77)

[Artikel 44 § 3, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)

Artikel 807 Ger.W.

Artikel 1042 Ger.W.

## Samenvatting

## 1)Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige oefent een activiteit van exploitatie van bedrijvencentra uit. Op 21/11/2011 werd hij onderworpen aan een btw-controle met betrekking tot de periode van 01/01/2011 tot en met 30/09/2011.

De belastingplichtige sluit op 29/12/2010 drie onderhandse verkoopovereenkomsten af voor de aankoop van een gebouw/opstallen. Daarnaast sluit zij een overeenkomst af inzake een “onroerende leasing op basis van een erfpachtrecht” met de NV K. De ondertekening van die overeenkomst door de belastingplichtige werd niet voorzien van een datum.

Op 28/4/2011 werden twee notariële akten verleden. Een notariële akte met betrekking tot de aankoop door de belastingplichtige van een gebouw en een notariële akte waarbij de belastingplichtige een gebouw met grond in erfpacht geeft aan de NV K. Het erfpachtrecht werd gevestigd met btw. In de akte staat vermeld “dat het een erfpacht op een onroerend goed betreft dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een eerste ingebruikneming-inbezitneming sedert achtentwintig februari tweeduizend acht.”

Tevens werd op 28/4/2011 een notariële akte verleden waarbij dat gebouw en met grond, belast met erfpacht door de NV K. in onroerende leasing werd gegeven aan de belastingplichtige.

De belastingadministratie meent dat de btw met betrekking tot de facturen inzake de aankoop van die onroerende goederen ten onrechte in aftrek werden genomen. De vestiging van het erfpacht en de onroerende financieringshuur op de grond en het gebouw werd bovendien ten onrechte met btw geheven. Uit de notariële akte verleden op 28/4/2011 bleek dat het gebouw voor het eerst in gebruik werd genomen op 28/02/2008 zodat de uitzondering van artikel 44 §3, 2, b WBTW niet kon worden toegepast. Het proces-verbaal en de correctieopgave waarin de vaststellingen werden opgenomen en het dwangbevel werden door de belastingplichtige betwist voor de rechtbank van eerste aanleg.

De rechtbank verklaart de vordering echter ongegrond.

## 2)Procedure in hoger beroep

Het hoger beroep beoogt in hoofdorde de vernietiging van het dwangbevel en de terugbetaling van de reeds geïnde bedragen en in ondergeschikte orde, de prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof en/of het Europese Hof van Justitie te stellen inzake de verzoenbaarheid met het gelijkheidsbeginsel en het neutraliteitsbeginsel van de interpretatie door de administratie.

In de syntheseberoepsbesluiten vordert de belastingplichtige daarnaast de terugbetaling van de ten onrechte geheven btw naar aanleiding van de vestiging van het erfpachtrecht.

Bij tussenarrest van 17 mei 2016 verklaart het hof het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

De belastingplichtige bewijst immers niet dat het erfpachtrecht op de grond en het gebouw uiterlijk op 31/12/2010, zijnde het 2de jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming werd gevestigd. De vestiging van het erfpachtrecht en de onroerende financierings-huur werden eveneens ten onrechte met btw geheven. De opgelegde geldboete was evenredig in verhouding tot de vastgestelde overtredingen.

Het hof heropent de debatten met betrekking tot de vordering tot terugbetaling van de ten onrechte geheven btw bij de vestiging van het erfpachtrecht dat de belastingplichtige voor het eerst in zijn syntheseberoepsbesluiten heeft gesteld.

Het hof is van oordeel dat de vordering die in syntheseberoepsbesluiten werd gesteld berust op een feit of akte die in het gedinginleidend verzoekschrift werd aangevoerd en derhalve overeenkomstig art. 807 Ger.W., ontvankelijk is.

De vordering tot teruggaaf ingesteld op 06/01/2016 is volgens het hof verjaard. Zij stelt immers dat de niet verschuldigde betaling van de btw de oorzaak is van het recht tot teruggaaf en niet het tussenarrest van 17/5/2016.

Er is daarnaast geen sprake van stuiting of schorsing van de verjaring. De vordering die de belastingplichtige voor het eerst in hoger beroep instelt is, zelfs wanneer ze regelmatig is ingesteld via art. 807 Ger. W., niet virtueel inbegrepen in de gedinginleidende akte aangezien ze niet hetzelfde voorwerp heeft als de oorspronkelijk vordering. Er is bovendien geen sprake van een erkenning van schuld vanwege de belastingadministratie. Evenmin verkeerde de belastingplichtige in de onmogelijkheid om haar vordering tot teruggaaf tijdig in te stelling binnen de vervaltermijn van drie jaar zoals bepaald in [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis).

Tenslotte is het hof ook van oordeel dat er geen schending is van art. 10,11 en 172 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met het neutraliteits- en doeltreffendheidsbeginsel inzake btw alsmede het recht tot toegang tot de rechter, zodat er geen prejudiciële vraag dient gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof.

Het hof verklaart de vordering tot terugbetaling van de btw vermeld op de uitgaande factuur nr. xxx dd.28/04/2011 onontvankelijk wegens verjaring.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest hof van beroep Antwerpen van 2 mei 2017

Rol: 2014/AR/2340

In de zaak,

**W. NV** met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen nr. … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. D. M., advocaat te …, … in eigen naam en loco Mr. M. M., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen van 05 maart 2014

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT.** in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal - Directeur te KMO Centrum Mechelen, met kantoor te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20 *voorheen* Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op benaarstiging van de heer adviseur, gewestelijke directeur te Antwerpen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, en op vervolging van de adviseur, ontvanger van het derde btw-ontvangkantoor, verbonden aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, beiden met burelen te Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. L., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen van 5 maart 2014, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 3 september 2014, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 mei 2016.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

Bij tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 mei 2016 werd het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Het hof bevestigde het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof heropende de debatten, alvorens verder recht te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering van eiseres in hoger beroep voor het eerst gesteld in de aanvullende besluiten na tweede beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 06/01/2016 meer bepaald *"om te horen zeggen voor recht dat de BTW geheven n.a. v. overdracht van het erfpachtrecht ten onrechte werd geheven waardoor meteen ook volgens eiseres in hoger beroep zou vaststaan dat zij recht heeft op de terugbetaling van deze niet-verschuldigde BTW".*

Door partijen werd desbetreffende ondertussen standpunt ingenomen. Eiseres in hoger beroep vordert:

•de vordering tot terugbetaling van de niet-verschuldigde BTW ontvankelijk te verklaren;

•voorts:

•In hoofdorde de vordering gegrond te verklaren op grond van het leerstuk van de onverschuldigde betaling en bijgevolg de teruggave te bevelen van de onterecht betaalde sommen voor een bedrag gelijk aan de onverschuldigde BTW geheven n.a.v. de overdracht van het erfpachtrecht;

•In ondergeschikte orde de teruggave te bevelen van de BTW

•Daarbij in voorkomend geval de hiernavolgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof:

*"Schenden de* [*artikel 82*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82)*,* [*82bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) *en* [*83*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) *WBTW de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met het neutraliteits- en doeltreffendheidsbeginsel inzake btw, alsmede het recht op toegang tot de rechter, in de mate de toepassing van deze bepalingen ertoe leiden dat een vordering tot teruggaaf van BTW geheven n.a. v. de levering van een goed of een dienst zonder meer verjaard zou zijn op het einde van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de levering van de btw heeft plaatsgevonden, terwijl de btw-plichtige zich in rechte steeds heeft verzet tegen het standpunt van de fiscale administratie dat er ten onrechte btw zou zijn aangerekend en bijgevolg steeds in rechte het standpunt heeft ingenomen dat de betwiste handeling terecht aan btw was onderworpen, en om die reden de vordering tot teruggaaf niet heeft uitgeoefend in de aangifte zoals het WBTW voorschrijft.*

*Schendt de artikelen* [77, §1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77), [*79*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79) *en* [*80*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-80) *WBTW juncto KBBTW nr.4 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met het neutraliteits- en doeltreffendheidsbeginsel inzake btw, alsmede het recht op toegang tot de rechter in de mate de toepassing van deze bepalingen ertoe leidt dat de btw-plichtige ertoe gehouden zou zijn te erkennen dat er sprake zou zijn van een "vergissing in de factuur" en op grond daarvan de door de Koning vastgestelde formaliteiten dienen na te leven, terwijl de betrokken belastingplichtige zelf in rechte aanvoert dat de factuur correct werd opgesteld.”*

•Bijkomend te zeggen voor recht dat alle sommen die door verweerder in hoger beroep moeten worden terugbetaald dienen verhoogd te worden met de wettelijk verschuldigde moratoriuminteresten.

•M.b.t. de kosten:

In hoofdorde: kosten lastens verweerder in hoger beroep, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding minimaal te begroten op het basisbedrag, m.n. … euro per aanleg;

In ondergeschikte orde: de lastens eiseres in hoger beroep uit te spreken rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van … euro.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de onontvankelijkheid minstens ongegrondheid van de nieuwe vordering van eiseres in hoger beroep en vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding begroot aan de zijde van verweerder in hoger beroep op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Ter zitting van 28/03/2017 werd de zaak hernomen voor de thans anders samengestelde zetel.

Ter zitting van 28/03/2017 vraagt de raadsman van verweerder in hoger beroep de indexering van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, begroot op … euro.

## 2. Bespreking

### *De ontvankelijkheid van de vordering tot terugbetaling van de BTW?*

De Belgische Staat houdt voor dat de vordering zoals ze door eiseres in hoger beroep voor het eerst werd gesteld in conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 06/01/2016 onontvankelijk is bij toepassing van art. 807 Ger.W.

Eiseres in hoger beroep stelt dat haar vordering tot terugbetaling van de BTW wel degelijk berust op een feit of een akte die in het gedinginleidend verzoekschrift werd aangevoerd.

Krachtens artikel 1042 Ger.W. is artikel 807 Ger.W. toepasselijk in hoger beroep. Uit de artikelen 807 juncto art. 1042 Ger.W. volgt dat de toepassing van artikel 807 Ger.W. ook in hoger beroep enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of een akte in de gedinginleidende akte aangevoerd.

De oorspronkelijke eiser kan ook in hoger beroep een uitbreidende of wijzigende vordering instellen indien het voorwerp van de uitbreidende of wijzigende vordering (mede) berust op een in de gedinginleidende akte aangevoerde oorzaak.

Het voorwerp van de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep was het dwangbevel alsmede het daaraan gehecht proces-verbaal van nul en generlei waarde te verklaren en voor recht te horen zeggen dat eiseres in hoger beroep de in het dwangbevel gevorderde BTW niet verschuldigd is of, indien deze reeds betaald zou zijn, verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de integrale teruggaaf te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten.

Het voorwerp van de huidige vernieuwde vordering betreft de teruggave te bekomen van de volgens eiseres in hoger beroep onverschuldigde BTW geheven n.a.v. de overdracht van het erfpachtrecht.

De oorzaak van de vordering is het geheel van rechtsfeiten c.q. rechtshandelingen die de eiser aanvoert tot staving van het gevorderde.

De voormelde bepalingen laten toe dat de eiser in hoger beroep datgene wat hij vordert, wijzigt of uitbreidt, indien de feiten die de oorspronkelijke vordering schragen minstens deels ook de grondslag uitmaken van de vernieuwde vordering.

Het feit dat aanleiding geeft tot de oorspronkelijke vordering van de belastingplichtige is het betwiste dwangbevel en meer bepaald de omstandigheid dat de middels het dwangbevel gevorderde BTW niet wettelijk verschuldigd zou zijn.

Deze uitspraak over de geldigheid van het dwangbevel noopte de rechter er toe na te gaan of de inkomende facturen betrekking hadden op één van de handelingen bedoeld in [artikel 45, § 1, 1° tot 5° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en meer bepaald opende het verzet tegen het dwangbevel het debat over de vraag of het vestigen van het recht van erfpacht in toepassing van artikel 44, § 3, 1° vrijgesteld was van BTW of niet.

Het hof stelt vast dat de uitbreiding van de vordering tot teruggaaf van BTW geheven n.a.v. de overdracht van het erfpachtrecht gesteund is op dezelfde betwisting. De feiten van de overdracht/vestiging van het erfpachtrecht werden door eiseres in hoger beroep aangevoerd in de gedinginleidende akte aangezien eiseres in hoger beroep duidelijk hierin de link legde tussen de onwettigheid van het dwangbevel waarin het recht op aftrek van BTW werd geweigerd en het plaatsvinden van de overdracht van het recht van erfpacht onder de toepassing van de BTW.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat de vordering van eiseres in hoger beroep tot teruggave van de BTW betaald op het vestigen van het recht van erfpacht, berust op een feit of akte aangevoerd in de gedinginleidende akte en aldus ontvankelijk is.

### *De verjaring/prejudiciële vraag?*

De Belgische Staat stelt dat de vordering tot teruggaaf van BTW verjaard is op grond van [artikel 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) en [82 bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) WBTW en [art. 3 KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3) van 29/12/1969.

[Artikel 203 van de richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-203) bepaalt dat de BTW verschuldigd is door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt. Door te bepalen dat de op een factuur vermelde BTW verschuldigd is, beoogt [artikel 203 richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-203) het gevaar uit te schakelen dat als gevolg van de artikelen [167 en volgende](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) van deze richtlijn bedoelde recht op aftrek van belastinginkomsten verloren gaan.

Wat de teruggaaf van bij vergissing gefactureerde BTW betreft, bevat de richtlijn 2006/112 geen enkele bepaling over de herziening van ten onrechte gefactureerde BTW door de opsteller van de factuur, en in die omstandigheden staat het in beginsel aan de lidstaten om te bepalen onder welke voorwaarden de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien.

Het staat aan de lidstaten om ter waarborging van de neutraliteit van de BTW in hun nationale recht de mogelijkheid op te nemen, om wanneer de opsteller van de factuur aantoont dat hij te goeder trouw is, alle ten onrechte gefactureerde belasting te herzien.

Wanneer de opsteller van de factuur tijdig het gevaar voor verlies van de belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld, verlangt het beginsel van neutraliteit van de BTW echter dat de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien zonder dat deze herziening door de lidstaten afhankelijk kan worden gesteld van de goede trouw van de opsteller van die factuur. Deze herziening kan niet afhangen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de belastingdienst.

De lidstaten kunnen maatregelen nemen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om fraude te voorkomen.

Deze maatregelen mogen evenwel niet verder gaan dan nodig is om de aldus nagestreefde doelstellingen te bereiken en mogen dus niet op zodanige wijze worden aangewend dat zij afbreuk zouden doen aan de neutraliteit van de BTW dat een basisbeginsel is van het bij het ter zake geldende Unierecht ingevoerde gemeenschappelijke BTW-stelsel (vgl. HvJ, 11 april 2013, zaak [C-138/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-138-12-arrest), www . jura.be. HvJ, 8 mei 2013, zaak nr. [C-271/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-271-12-arrest), http:ljeurlex.europa.eu.

Deze regels mogen de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel, H.v.J. 19 november 1998, [C-85/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-97-arrest), *R. W.,* 1999-2000, 306).

Het recht van de EU verzet er zich niet tegen dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke vervaltermijnen voor de teruggave van belastingen worden vastgesteld.

Het neutraliteitsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich geenszins tegen de onderwerping van het recht op teruggaaf aan een verjaringstermijn. Een vervaltermijn van drie jaar ter rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling werd door het Hof van Justitie als redelijk beschouwd (H. V.J. 11 juli 2002, [C-62/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-arrest), Jur. H.v.J. 2002, 1-6348).

[Artikel 77, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) voorziet onder meer dat BTW wordt teruggegeven wanneer ze het wettelijk verschuldigd bedrag te boven gaat. Ter zake moeten de termijnen en voorgeschreven formaliteiten in acht genomen worden.

Op grond van deze bepaling kan ook BTW worden teruggegeven die ten onrechte werd gefactureerd, doch louter op grond hiervan verschuldigd is geworden. De bewoordingen van [artikel 77, § 1,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) hebben een algemene betekenis en kunnen niet beperkend geïnterpreteerd worden.

Te dezen wordt terugbetaling van BTW gevorderd omdat er wettelijk niets verschuldigd is omdat het vestigen van het erfpachtrecht (de levering van uit hun aard onroerende goederen) in toepassing van artikel 44, § 3, 1°vrijgesteld is van BTW.

Op grond van [artikel 77, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) is dan ook teruggaaf mogelijk wanneer er BTW wordt afgedragen over een handeling die niet aan BTW onderworpen is.

Krachtens [artikel 77, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77), van hetzelfde wetboek kan de oorzaak tot terugbetaling dan ook bestaan in een onverschuldigde betaling (vgl. Cass. 23 november 2012, [F.11.0173.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggave-verjaringstermijn-aanvang-procedure-cassatie-brussel-2012-11-23-e1a4), *www.monkey.be*).

In de gevallen zoals te dezen waarin de WBTW expliciet de teruggave regelt, kan geen beroep worden gedaan op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de terugbetaling van een onverschuldigde betaling (art. 1235 en 1376-1381 BW). Te dezen wijkt de bijzondere wet af van de algemene wet (lex specialis derogat generalis).

Deze speciale, door de fiscale wet voorgeschreven verjaringstermijn, verhindert dat na verloop van deze termijn nog een vordering tot terugbetaling wordt ingesteld.

Het feit dat deze vordering gegrond wordt op het onverschuldigd karakter van de betaling, doet hieraan niets af (vgl.: Cass. (2e k.) AR P.99.0360.F, 8 september 1999 (Bongiorno /Belgische Staat), *Act.fisc.* 1999 (weergave F. KONING), afl. 38, 1, *AFT* 2000 (weergave J. VANDEN BRANDEN), 65, *Arr.Cass.* 1999, 1042, *Bull.* 1999, 1083, *Fisc.Act.* 1999 (weergave F. DESTERBECK), afl. 39, 7, *FJF* 1999, 646, *JDF* 1999, 165, *JT* 1999 (verkort), 786, *JLMB* 2000, 312, *R. Cass.* 2000, 240, *Rev.dr.pén.* 2000 (verkort), 485, *RW* 2000-01, 726, noot; Cass. 21 september 1978, Pas. 1979, 1, 104).

De vordering tot terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek dient dan ook te worden afgewezen.

Krachtens [artikel 77, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) kan de oorzaak tot terugbetaling bestaan in een onverschuldigde betaling (vgl. Cass. 23 november 2012, [F.11.0173.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggave-verjaringstermijn-aanvang-procedure-cassatie-brussel-2012-11-23-e1a4), *www.monkey.be).*

Luidens [artikel 82 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) begint de verjaring van de vordering tot teruggave van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te lopen vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

[Artikel 82bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) van dat wetboek bepaalt dat er verjaring is voor de vordering tot teruggave, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggave zich heeft voorgedaan.

Overeenkomstig [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) verjaart de vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgende op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan. Deze termijn is dan ook de vervaltermijn binnen dewelke de belastingplichtige zijn vordering tot teruggaaf aanhangig dient te maken bij de rechtbank.

Teneinde de aanvang van de verjaringstermijn van het recht op teruggaaf vast te stellen, is het dus cruciaal te bepalen wanneer de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan. Daarbij zal voorafgaandelijk de vraag beantwoord moeten worden, wat als oorzaak van teruggaaf dient beschouwd te worden.

De betaling van de BTW die het wettelijk verschuldigde overtreft, dient in de regel als oorzaak van teruggaaf beschouwd te worden.

De oorzaak van de teruggaaf is het feit dat ten onrechte BTW werd aangerekend aan **KBC l. NV** en afgedragen aan de Staat. Dit deed zich voor op het ogenblik van de betaling van deze BTW.

In de regel gaat ten aanzien van de teruggaaf van BTW wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is de verjaring dus in op datum van betaling van de BTW. De verjaring gaat evenwel in op een later tijdstip wanneer de verplichting tot betaling een verandering ondergaat door een latere gebeurtenis die voor de belastingplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht.

De afwijking van het beginsel dat het vertrekpunt van de verjaringstermijn uit onverschuldigde betaling op het ogenblik van betaling moet worden gesitueerd, kan slechts toepassing vinden onder twee voorwaarden (V. SAGAERT, 'De verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling', *RW* 2000-2001, 259-261).

De gebeurtenis die een verschuiving van het aanvangspunt van de verjaringstermijn kan teweegbrengen, moet vooreerst een gebeurtenis zijn die de betaling retroactief onverschuldigd maakt. De beslissing moet m.a.w. de vaststelling inhouden dat op het ogenblik van de betaling hiervoor geen juridische grondslag aanwezig was.

De afwezigheid van een juridische grondslag moet vervolgens zijn vastgesteld op grond van een discretionaire bevoegdheid. De latere gebeurtenis dient m.a.w. constitutief te zijn ten aanzien van de vestiging van subjectieve rechten. In die zin kan deze gebeurtenis worden voorgesteld als een wettelijk beletsel waardoor de rechtsvordering tot terugbetaling niet eerder kon worden ingesteld.

Deze laatste vereiste knoopt aldus aan bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie die aan het adagium *"contra non valentem agere, non currit praescriptio"* slechts uitwerking verleent wanneer degene tegen wie de verjaring loopt in de onmogelijkheid verkeert te handelen ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel (Cass. 2 januari 1969, *Arr.Cass.* 1969, 409, *JT* 1969, 480, *Pas.* 1969, 1, 386, *RCJB* 1969, 91, noot J. DABIN, *'Sur l'adage "contra non valentem agere non currit praescriptio"', Rec.gén.enr.not.* 1972, 415, noot, *RW* 1968-69, 1375; Cass. 16 juni 1972, *Arr. Cass.* 1972, 969, *R.W.* 1972-73, 130, *J. T.* 1973, 40, *Pas.* 1972, 1, 951, noot, *Rev. not.* b. 1973, 36, Rev. not. b. 1974, 219; Cass. (le k.) AR C.95.0361.N, 13 november 1997 (Steen/ Belgische Staat), *Arr.Cass.* 1997, 1178, *B.T.W-Revue* 1998, 597, *FJF* 1998, 579, *JDF* 1998, 42, *Pas.* 1997, 1, 1178, *RW* 1997-98, 1287, *TBH* 1998, 103, noot).

Gelet op het legaliteitsbeginsel inzake belastingen (de artikelen 170, 172 en 173 G.W.), kan op grond van een discretionaire bevoegdheid niet bepaald worden of het vestigen van het recht van erfpacht in toepassing van artikel 44, § 3,1° vrijgesteld was van BTW of niet.

Er is van een gebonden bevoegdheid sprake *"in de gevallen waarin de norm van het objectieve recht de inhoud of het voorwerp bepaalt van een beslissing die de overheid moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn. De overheid heeft dus geen speelruimte binnen de door de rechtsregel opgelegde voorwaarden. De normatieve gebeurtenis wordt met andere woorden louter bepaald door het legaliteitsaspect. In dat geval strekt de rechterlijke of administratieve beslissing ertoe het bestaan van een reeds voorheen in de genoemde norm vervat subjectief recht vast te stellen... Door de beslissing wordt de norm immers geïnterpreteerd zoals hij alleen kan worden geïnterpreteerd en dus zoals hij steeds is geweest"* (V. SAGAERT, 'De verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling', *RW* 2000-2001, 261; zie ook Th. WERQUIN, 'Etendue et limites des pouvoirs du juge dans Ie contentieux de la sécurité sociale', *J.T.T.* 1993, p. 338 nr. 4; Ph. DE KOSTER en G. LADRIERE, 'Pouvoir de l'administration et pouvoir judiciaire', *J.T.T.* 1999, 70; D. CUYPERS, 'Beginselen van behoorlijk bestuur en wet motivering administratieve beslissingen', in A. VAN REGENMORTEL, (ed.), *Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht,* Deurne, Die Keure, 1995, p. 14 nr. 21).

Bijgevolg is de op basis van de wetgeving de niet verschuldigde betaling de oorzaak van de teruggave en niet het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17/05/2016, dat bovendien handelde over het recht op aftrek van BTW en niet over de voldoening van de BTW maar waaraan wel dezelfde betwisting ten grondslag lag, namelijk de vraag of het vestigen van het recht van erfpacht in toepassing van artikel 44, § 3, 1° vrijgesteld was van BTW of niet.

Terecht stelt de belastingadministratie dat het recht van erfpacht onder toepassing van de BTW, volgens de notariële akte verleden op 28/04/2011, gevestigd werd met ingang van 28/04/2011 en de uitgaande factuur met aanrekening van de BTW dateert eveneens van 28/04/2011. Eiseres in hoger beroep diende maandelijkse aangiften in waarin zij haar BTW aangaf die ze aanrekende aan haar klanten en de BTW die ze kon aftrekken. De btw diende dan ook betaald te zijn, ten laatste de 20ste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking had. Klaarblijkelijk werd de BTW door eiseres in hoger beroep tijdig voldaan, zodat er verjaring was na 31/12/2014.

Waar de vordering tot teruggaaf door eiseres in hoger beroep pas is ingesteld op 06/01/2016, was deze vordering derhalve verjaard.

Er worden door eiseres in hoger beroep geen nuttige data van stuiting of schorsing van de verjaring aangetoond.

De vordering zoals thans gesteld door eiseres in hoger beroep is, zelfs wanneer ze regelmatig is ingesteld via art. 807 Ger.W., niet virtueel inbegrepen in de gedinginleidende akte aangezien ze niet hetzelfde voorwerp heeft als de oorspronkelijke vordering zoals gesteld in de gedinginleidende akte, zodat deze geen stuitende werking heeft.

Nu de vordering tot terugbetaling van BTW betaald op het vestigen van het recht van erfpacht niet het voorwerp uitmaakte van de gedinginleidende akte, waarbij eiseres in hoger beroep zich verzette tegen het dwangbevel waarin haar recht op aftrek werd verworpen en waarin van haar betaling gevraagd werd van verschuldigde BTW, heeft deze gedinginleidende akte ook geen schorsende werking wat betreft de huidige vordering tot terugbetaling van BTW betaald op het vestigen van het recht van erfpacht.

De stuiting /schorsing van de verjaring, ingevolge de gedinginleidende akte neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 15/11/2012, geldt voor de vordering die ze inleidt en niet voor de gewijzigde/uitgebreide vordering die men later bij toepassing van art. 807 Ger. W. inleidt.

Dit principe blijkt ook duidelijk uit [artikel 83 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) en wordt door deze bepaling niet tegengesproken:

> *“§ 1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.*
>
> *Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.*
>
> *De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.”*

In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert, werd het beginsel van het recht op teruggave geenszins bij voortduur erkend door verweerder in hoger beroep. Het gegeven dat de belastingadministratie in het kader van het weigeren van het recht op aftrek op de inkomende facturen het standpunt verdedigd heeft dat de vestiging van het erfpachtrecht diende vrijgesteld te worden van BTW op basis van [artikel 44, § 3, 1°, B WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), houdt op zich nog geen erkenning in dat eiseres in hoger beroep ook automatisch recht had op teruggave van de BTW op haar uitgaande facturen, aangezien de BTW louter reeds op grond van de facturatie ervan verschuldigd was geworden. Uit geen enkel gegeven of stuk (noch uit het proces-verbaal van 11 juli 2012, noch uit de conclusies van verweerder in hoger beroep) blijkt dat er een erkenning van schuld door de belastingadministratie geweest is wat betreft de vordering tot terugbetaling zoals thans gesteld door eiseres in hoger beroep.

Ondanks de betwisting van het standpunt van de administratie, verkeerde eiseres in hoger beroep geenszins in de onmogelijkheid om haar vordering tot teruggaaf tijdig in te stellen binnen de vervaltermijn van drie jaar zoals bepaald in [art. 82bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis). Desgevallend kon zij, ondanks de betwisting van het dwangbevel, haar vordering in ondergeschikte orde stellen bij de gedinginleidende akte.

Gelet op voorgaande is er ook kennelijk geen schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met het neutraliteits- en doeltreffendheidsbeginsel inzake BTW alsmede het recht tot toegang tot de rechter, zodat er geen prejudiciële vraag dient gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof.

Nu het hof vaststelt dat de vordering tot terugbetaling van BTW betaald op het vestigen van het recht van erfpacht verjaard is, wijst het hof de overige argumenten/grieven van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### *De rechtsplegingsvergoeding*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen zijn het erover eens dat de vordering in geld waardeerbaar is.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten.

Art. 1022 Ger.W. vereist voor de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding enkel dat de procespartij een beroep heeft gedaan op een advocaat als mandataris ad litem, hetgeen te dezen het geval is. De bepaling vereist niet dat deze tussenkomst ook effectief noodzakelijk of dienstig was.

Een procespartij die zich enkel tijdens een deel van de procedure door een advocaat laat bijstaan, heeft toch recht op de rechtsplegingvergoeding. (Art. 1022 **Ger. W.)**

De aanvoering van eiseres in hoger beroep dat het gros van het werk door de administratie zelf wordt opgenomen heeft geen implicaties t.a.v. de rechtsplegingsvergoeding. Immers de bewering dat de geleverde inspanningen minder zouden zijn dan normaal het geval is omdat de conclusies door de Belgische Staat reeds intern zouden voorbereid zijn is geen van de in artikel 1022. Ger.W. opgesomde gronden die toelaten af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Het hof ziet te dezen geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag (… euro) voor een in geld waardeerbare vordering van … euro tot … euro.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

**Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.**

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof herneemt de zaak voor de thans anders samengestelde zetel en werkt het tussenarrest van 17/05/2016 verder uit;

Het hof verklaart de vordering van eiseres in hoger beroep tot terugbetaling van de BTW vermeld op de uitgaande factuur nr. F-2011001 dd. 28/04/2011 onontvankelijk wegens verjaring.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 02 mei 2017 door

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

15

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 8 voorkomens

[WBTW art. 82bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82bis) 6 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

[WBTW art. 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) 3 voorkomens

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 203](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-203) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen

[WBTW art. 79](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79) 1 voorkomen

[WBTW art. 80](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-80) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 167](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) 1 voorkomen

[C-138/12, arrest van 11 april 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-138-12-arrest) 1 voorkomen

[C-271/12, arrest van 8 mei 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-271-12-arrest) 1 voorkomen

[C-62/00, arrest van 11 juli 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-arrest) 1 voorkomen

[C-85/97, arrest van 19 november 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-97-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Proces-verbaal, bewijswaarde van het proces-verbaal, feitelijke vermoedens, proportionele boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-bewijswaarde-feitelijke-vermoedens-hof-van-beroep-gent-2016-11-29-d2ca) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Osteopathie, Vraag tot terugbetaling, BTW-vrijstelling, osteopaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/osteopathie-terugbetaling-btw-vrijstelling-osteopaat-rechtbank-2026-04-13-16c5) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet in EU gevestigde belastingplichtige, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/in-eu-gevestigde-belastingplichtige-recht-cassatie-brussel-2021-06-25-2d1c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/periodieke-btw-aangifte-teruggaaf-belasting-cassatie-brussel-2022-06-17-6785) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verhuur, Controle, Regularisatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-verhuur-controle-regularisatie-rechtbank-brussel-2026-03-04-12c4) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-rechtbank-brussel-2026-03-04-1964) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Faillissement medecontractant, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-medecontractant-recht-teruggaaf-verloren-cassatie-brussel-2024-06-20-5457) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Faillissement, vordering tot teruggaaf, teruggave](https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-vordering-teruggaaf-teruggave-cassatie-brussel-2024-06-20-6a9c) 4 gemeenschappelijke bepalingen
