---
title: "Recht op aftrek, regelmatige factuur · Hof van beroep te Antwerpen, 6 december 2016, 2015/AR/1215"
description: "Recht op aftrek, regelmatige factuur, vrijgestelde financiële diensten. Hof van beroep te Antwerpen (België), 6 december 2016, 2015/AR/1215."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-regelmatige-factuur-vrijgestelde-hof-van-beroep-antwerpen-2016-12-06-9006"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, regelmatige factuur, vrijgestelde financiële diensten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2015/AR/1215

**Datum**

6 december 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

196 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 06.12.2016 (2015/AR/1215)

WF 707-15-14/000108

\[gunstig voor de administratie\]

*belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek – regelmatige factuur - vrijgestelde financiële diensten – gemengde belastingplichtige*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 45, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [46, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) WBTW; art. 44, § 3, 5° W.BTW; KB 3 met betrekking tot de aftrekregeling van de BTW

Art. 178, onder a, en [art. 226, punten 6 en 7, van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226)

## Samenvatting

De belastingplichtige verleent als overkoepelende holding managementdiensten tegen marktconforme vergoeding en daarnaast kent zij op bijkomstige wijze leningen toe in functie van de financiële behoeften van de groepsvennootschappen. De verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten zijn van belasting vrijgesteld. Volgens de administratie heeft zij de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige. Tijdens controle in 2013 werden overtredingen vastgesteld in verband met de aftrekregeling inzake BTW. Verschillende aankoopfacturen bleken ook niet conform. Op 11 december 2013 werd een dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

In zijn arrest van 15 september 2016 (HvJ, 15 september 2016, [C-516/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest) inzake Barlis) oordeelt het HvJ dat: “[art. 178, onder a), van Richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet dat nationale belastingautoriteiten het recht op aftrek van de BTW kunnen weigeren enkel en alleen omdat de belastingplichtige in het bezit is van een factuur die niet voldoet aan de in art. 226, punten 6 en 7 van deze Richtlijn gestelde voorwaarden, ook al beschikken deze autoriteiten over alle informatie die noodzakelijk is om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dit recht”. Het basisbeginsel van neutraliteit van de BTW verlangt dat het recht op aftrek van de BTW wordt toegestaan als de materiële voorwaarden zijn voldaan, ook als bepaalde formele voorwaarden niet vervuld zijn. Het HvJ wijst er op dat de belastingplichtige moet bewijzen dat hij aan die materiële voorwaarden voldoet.

Het hof oordeelt dat uit voorliggende stukken niet blijkt dat de aan haar gefactureerde diensten werden verricht ten behoeve van de economische activiteit van de belastingplichtige en maken het niet mogelijk voor de administratie om te controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn.

Het hof stelt vast dat geen verband kan gelegd worden tussen de facturen en de door belastingplichtige voorlegde bewijzen, wegens geen overeenstemming van datums, referenties, prestatieperiodes en becijfering van het bedrag van de facturen.

De belastingplichtige betwist niet dat zij een gemengde belastingplichtige is. Toch heeft zij alle voorbelasting zonder meer in aftrek genomen. Zij stelt immers dat voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal de bepaling van [art. 13 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13) dient toegepast te worden en financiële verrichtingen niet in aanmerking dienen genomen te worden wanneer die verrichtingen niet behoren tot haar specifieke beroepswerkzaamheid. Het hof is echter van oordeel dat de volgens [art. 44 § 3, 5° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vrijgestelde kredietverrichtingen wel behoren tot haar specifieke economische activiteit.

De belastingplichtige houdt ten onrechte voor dat de administratie het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door een retroactieve verwerping van het recht op aftrek. De administratie gaf nooit toestemming tot toepassing van [art. 46 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46), waarop dan later zou teruggekomen zijn of waarvan de regels achteraf gewijzigd zouden zijn. Dat ten onrechte BTW in aftrek werd genomen, werd slechts bij controle vastgesteld. De belastingplichtige toont niet aan welke concrete verwachtingen zouden geschonden zijn die afbreuk betekenen van het rechtszekerheidsbeginsel.

De administratie is terecht overgegaan tot rechtzetting op grond van art. 45 §1 en art. 46 § 2.

## Houding belastingplichtige

Belastingplichtige wenst in het arrest te berusten.

Tekst van het arrest

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 06.12.2016**

**(2015/AR/1215)**

**G.** NV. met maatschappelijke zetel te …, "**A. H.**", …, ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het ondernemingsnummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. **D. K.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 januari 2015

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**. Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector Belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, op benaarstiging van de heer adviseur. centrumdirecteur KMO Antwerpen, verbonden aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, en op vervolging van de adviseur, ontvanger verbonden aan het Regionaal Invorderingscentrum Antwerpen 1, Team Rechtspersonen Antwerpen 1, van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, beiden met burelen te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. **D. A.**, advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 14 januari 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep. neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 mei 2015, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. De feiten

1.1. - De NV **G.**, eiseres in hoger beroep, is voor haar activiteit als 'holding' geregistreerd als BTW - belastingplichtige onder het nummer BE … en is als dusdanig onderworpen aan de BTW - wetgeving en de ter uitvoering genomen besluiten.

Volgens eiseres in hoger beroep is zij de overkoepelende holding van een groep van vennootschappen ("Select HR") die in België, en ook internationaal, actief zijn in de "human resources" sector.

Als overkoepelende holding staat zij in voor de algemene strategie en organisatie van de Select HR groep. Daartoe heeft zij met de groepsvennootschappen managementovereenkomsten gesloten, op grond waarvan zij diensten verstrekt in operationele, commerciële en financiële adviesverlening en bijstand bij de bedrijfsvoering van de betrokken vennootschappen. Als tegenprestatie voor deze diensten is een - volgens eiseres in hoger beroep - marktconforme vergoeding voorzien.

Daarnaast kent zij op bijkomstige wijze leningen toe aan de groepsvennootschappen in functie van hun financiële behoeften.

Volgens eiseres in hoger beroep heeft zij voor BTW - doeleinden de hoedanigheid van gemengde BTW - plichtige. Zij ontplooit enerzijds aan BTW onderworpen activiteiten, zijnde het verrichten van managementprestaties en het toekennen van leningen aan buiten de EU gevestigde ondernemingen, waarvoor zij recht heeft op aftrek van BTW en anderzijds van BTW vrijgestelde financieringsverrichtingen, waarvoor zij principieel geen recht op aftrek van voorbelasting heeft.

1.2. - Op 16 april 2013 wordt, na voorafgaande schriftelijke verwittiging, door daartoe bevoegde ambtenaren een gezamenlijke controle uitgevoerd inzake directe belastingen en inzake BTW en dit voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011.

Tijdens deze controle worden, volgens de administratie, inzake BTW een aantal overtredingen vastgesteld in verband met de aftrekregeling:

\- inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur: op negen geboekte inkomende facturen van **W. C. H.** is een andere medecontractant vermeld dan eiseres in hoger beroep en drie inkomende facturen van Deloitte Belastingconsulenten bevatten geen enkele van de verplichte gegevens.

\- inbreuken op artikel 45 en 46 W.BTW door een belastingplichtige die in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat.

Op 2 mei 2013 stuurt de administratie een correctieopgave aan eiseres in hoger beroep waarin deze overtredingen zijn opgenomen.

Bij fax van 13 mei 2013 verzoekt de (toenmalige) raadsman van eiseres in hoger beroep om verlenging van de antwoordtermijn en bij brief van 31 mei 2013 deelt hij op gemotiveerde wijze mee dat niet akkoord kan worden gegaan met de correctieopgave.

Op 7 juni 2013 en 11 juli 2013 vraagt de administratie bijkomende gegevens, waarop telkens wordt geantwoord. Op 27 augustus 2013 heeft een bespreking plaats met de (toenmalige) raadsman van eiseres in hoger beroep, doch er kan geen akkoord bereikt worden.

Vervolgens wordt op 10 oktober 2013 een proces-verbaal opgesteld.

1.3. - Op 9 december 2013 wordt door de heer **R. D. H.**, adviseur a.i. / ontvanger, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 11 december 2013 door de heer **P. B.**, adviseur - gewestelijke directeur a.i. wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij aangetekende brief van 13 december 2013, samen met het proces-verbaal, aan eiseres in hoger beroep ter kennis wordt gebracht.

Volgens dit dwangbevel is eiseres in hoger beroep volgende bedragen verschuldigd:

\- BTW … euro

\- proportionele geldboeten … euro

\- intresten artikel 91, §1 W.BTW vanaf 21 januari 2012 … euro

Totaal … euro

te vermeerderen met:

\- de nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21 december 2013, overeenkomstig artikel 91, §1 W.BTW,

\- desgevallend, de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen niet bedoeld onder vorig gedachtenstreepje, die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, overeenkomstig artikel 91, §4 W.BTW,

\- de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.

### 2. De voorafgaande procedure

2.1. - Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27 december 2013, vordert eiseres in hoger beroep de ingestelde vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren;

dienvolgens het bestreden dwangbevel nr. … van 9 december 2013 integraal te vernietigen, minstens voor nul en generlei waarde te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn;

verweerder in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het betwiste dwangbevel werden of zullen worden betaald of geïnd, verhoogd met de moratoire intresten, alsook de gerechtelijke intresten;

verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding, begroot op het basisbedrag van … euro;

dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder mogelijkheid tot borgstelling of kantonnement.

2.2. - Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst ze af; veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, door verweerder in hoger beroep niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

De eerste rechter oordeelt dat de kwestieuze facturen van **D. B.** geen recht op aftrek geven. Wat de facturen van **W. C. H.** betreft, is het geenszins bewezen dat deze diensten bestemd werden voor de economische activiteit van eiseres in hoger beroep en werd het recht op aftrek dienaangaande dan ook terecht verworpen door de administratie. Het bestreden dwangbevel werd dienaangaande voldoende gemotiveerd.

Aangezien eiseres in hoger beroep een gemengde belastingplichtige is en haar kredietverrichtingen ongetwijfeld behoren tot een specifieke economische activiteit, staat het ontegensprekelijk vast dat zij alle voorbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Aangezien eiseres in hoger beroep alle voorbelasting ten onrechte in aftrek had gebracht en zij zich voor de BTW - controle niet had beroepen op de toepassing van artikel 46, §1 W.BTW, kon de regel van het werkelijk gebruik (toepassing van artikel 46, §2 W.BTW) door de administratie worden opgelegd in de correctieopgave, in het proces-verbaal en in het bestreden dwangbevel. Er is dan ook geen sprake van dat het legaliteitsbeginsel en / of het rechtszekerheidsbeginsel en / of het beginsel van niet-retroactiviteit en / of de motiveringsplicht werd geschonden.

Het vonnis kan niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.

2.3. -Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 12 mei 2015, hoger beroep ingesteld.

### 3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep

3.1. - Eiseres in hoger beroep vraagt dat het hof zou beslissen over haar vordering als volgt: "Het beroep van appellante is ontvankelijk en gegrond.

Het bestreden vonnis d.d. 14 januari 2015 wordt hervormd in de mate dat het de oorspronkelijke vordering van appellante afwijst.

Dienvolgens wordt het bestreden dwangbevel nr. … d.d. 9 december 2013 voor nul en generlei waarde verklaard en wordt gezegd voor recht dat de in het dwangbevel opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

Geïntimeerde wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbevel nr. … d.d. 9 december 2013 werden of zullen worden betaald of geïnd, dit alles verhoogd met de moratoire intresten, alsook de gerechtelijke intresten vanaf 27 december 2013, datum van neerlegging van het gedinginleidend verzoekschrift.

Geïntimeerde wordt veroordeeld tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag van … EUR per aanleg."

Eiseres in hoger beroep stelt dat het dwangbevel artikel 46 W.BTW schendt en dat het de motiveringsplicht schendt. In ieder geval houdt het dwangbevel een foutieve en willekeurige toepassing in van de aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik van artikel 46, §2 W.BTW.

Wat de aftrek van BTW op de facturen van **W. C. H.** betreft, merkt eiseres in hoger beroep op dat **W. C. H.** wel degelijk met haar gecontracteerd heeft en stelt zij dat het dwangbevel geen rekening houdt met de corrigerende facturen uitgereikt door **W. C. H.**, waardoor de motiveringsplicht wordt geschonden.

De facturen uitgereikt door **D. B.** zijn regelmatig.

Ter zitting vordert de raadsman van eiseres in hoger beroep de indexering van de rechtsplegingsvergoeding.

3.2. - De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen; eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding die bepaald dient te worden op … euro.

De Belgische Staat stelt dat de facturen uitgereikt door **W.** een andere geadresseerde betreffen dan eiseres in hoger beroep en dat de kwestieuze facturen uitgereikt door **D. B.** niet het minste detail bevatten. Telkens werd een inbreuk begaan op essentiële inhoudelijke onderdelen van de geboekte facturen: een inbreuk op 3° van het KB nr. 1 (facturen **W.**) en een inbreuk op 5° en 6° van het KB nr. 1 (facturen D.). Het recht op aftrek werd terecht geweigerd.

Volgens de Belgische Staat oefent eiseres in hoger beroep wel degelijk een specifieke economische beroepswerkzaamheid van financiële aard uit. Eiseres in hoger beroep verricht enerzijds handelingen op grond van facturen met de omschrijving 'service agreement' die soms belast zijn (immers afhankelijk van het boekhoudkundig resultaat van de klant) waarvoor op basis van artikel 45, §1 W.BTW door haar BTW werd afgetrokken en anderzijds handelingen voorzien in artikel 44, §3, 5° W.BTW (kredietverlening) waarvoor op basis van artikel 45, §1 W.BTW geen recht op aftrek bestaat, doch waarvoor zij steeds alle BTW heeft afgetrokken. Eiseres in hoger beroep is een gemengde belastingplichtige en moet zich voor het vaststellen van haar recht op aftrek gedragen naar artikel 46 W.BTW.

De raadsman van de Belgische Staat vordert ter zitting de indexering van de rechtsplegingsvergoeding.

### 4. Beoordeling

4.1. - **Inbreuken op de aftrekregeling betreffende de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur**.

4.1. - De administratie verwerpt het recht op aftrek met betrekking tot een aantal facturen die door eiseres in hoger beroep werden ontvangen van **W. C. H.** (9 facturen) en **D. B.** (3 facturen) wegens inbreuken op de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten mag aftrekken in zijn BTW - aangifte moet het recht op aftrek van de belasting ontstaan zijn ([artikel 2 KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art2)) en moeten de voorwaarden om dat recht uit te oefenen nagekomen zijn ([artikel 3 KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) en [artikel 7 KB nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-8f87)).

Op grond van [artikel 3, §1, 1° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in [artikel 5, §1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Volgens voormeld [artikel 5, §1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moet de factuur o.m. vermelden:

*"1° de datum waarop ze respectievelijk worden uitgereikt of opgesteld en een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of de dienstverrichter;*

*2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld BTW-identificatienummer.*

*(…);*

*3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 van het Wetboek bedoeld BTW-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39bls, eerste lid, 4° van het Wetboek bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het BTW-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend;*

*(...);*

*5°* *de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voorzover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;*

*6°* *de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;*

*(...).*

*Artikel 226 van de Europese Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:*

*"Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor BTW - doeleinden op de overeenkomstig de artikelen 220 en 221 uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:*

*(...);*

*4)* *het in artikel 214 bedoelde BTW- identificatienummer van de afnemer waaronder hij een goederenlevering of een dienst heeft afgenomen waarvoor hij tot voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een in artikel 138 bedoelde goederenlevering heeft afgenomen;*

*5)* *de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;*

*6)* *de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;*

*7)* *de datum waarop de goederenlevering of de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in artikel 220, punten 4) en 5) , bedoelde vooruitbetaling is gedaan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;*

*(...).*

[Artikel 178 van de Richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) bepaalt het volgende:

*"Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden voldoen:*

*a) voor de in artikel 168, punt a), bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten: in het bezit zijn van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 en de artikelen 238, 239 en 240 opgestelde factuur;*

*(…)*.

4.1.2. - In het proces-verbaal van 10 oktober 2013 wordt de aftrek verworpen van de verschuldigde BTW met betrekking tot 9 facturen van **W. C. H.** omdat deze facturen een andere medecontractant vermelden dan eiseres in hoger beroep en met betrekking tot 3 facturen van **D. B.** omdat deze geen enkele van de volgens [artikel 5, §1, 5° en 6° KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) verplichte vermeldingen bevatten.

Eiseres in hoger beroep stelt dat **W. C. H.** wel degelijk met haar heeft gecontracteerd en dat het dwangbevel geen rekening houdt met de door **W. C. H.** uitgereikte corrigerende facturen, waardoor de motiveringsplicht werd geschonden. De facturen uitgereikt door **D. B.** zijn volgens eiseres in hoger beroep wel degelijk regelmatig. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie stelt eiseres in hoger beroep dat zelfs indien de facturen onregelmatig zouden zijn, deze onregelmatigheid geenszins kan leiden tot het ontzeggen van haar recht op aftrek van de op die facturen vermelde BTW. De beweerde onregelmatigheden met betrekking tot die facturen hebben de controle op het voldaan zijn van de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek niet verhinderd.

In zijn arrest van 15 september 2016 (H.v.J., 15 sept. 2016, [C-516/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest) inzake Barlis 06, Fiscale Actualiteit nr. 2016/34, p. 1-5; Fiscoloog nr. 1493,9; Accountancy & Fiscaliteit, 13 okt. 2016,3) oordeelt het Hof van Justitie als volgt:

*"*[*Artikel 226 van richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) *van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat facturen met enkel de vermelding “juridische dienstverlening sinds (een bepaalde datum) tot op heden”, zoals in het hoofdgeding, op het eerste gezicht niet voldoen aan de in punt 6 van dit artikel gestelde voorwaarden en dat facturen met enkel de vermelding “juridische dienstverlening tot op heden” op het eerste gezicht noch aan de voorwaarden van dat punt 6 noch aan de voorwaarden van punt 7 van dit artikel voldoen, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient te verifiëren.*

[*Artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) *moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de nationale belastingautoriteiten het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen weigeren enkel en alleen omdat de belastingplichtige in het bezit is van een factuur die niet voldoet aan de in* [*artikel 226, punten 6 en 7*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226)*, van deze richtlijn gestelde voorwaarden, ook al beschikken deze autoriteiten over alle informatie die noodzakelijk is om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dit recht.”*

Met betrekking tot de naleving van [artikel 226, punten 6 en 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) herinnert het Hof van Justitie er aan dat de lidstaten de uitoefening van het recht op BTW - aftrek niet afhankelijk kunnen stellen van voorwaarden inzake de inhoud van de facturen waarin richtlijn 2006/112 niet uitdrukkelijk voorziet.

In de eerste plaats vereist [artikel 226, punt 6, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) dat de factuur de omvang en de aard van de verrichte diensten vermeldt; het is dus verplicht de omvang en de aard van de verrichte diensten te preciseren, zonder dat evenwel specifiek wordt voorgeschreven dat de specifieke diensten op uitputtende wijze worden omschreven.

In de tweede plaats vereist [artikel 226, punt 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) dat de factuur moet vermelden op welke datum de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is. Een factuur met enkel de vermelding "juridische dienstverlening tot op heden" vermeldt niet de begindatum van de betrokken periode en maakt het dus niet mogelijk te bepalen op welke periode de betrokken afrekeningen betrekking hebben. Dergelijke factuur voldoet niet aan de voorwaarden van [artikel 226, punt 7 van de richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226).

Met betrekking tot de gevolgen van een factuur die niet voldoet aan de voorwaarden van [artikel 226, punten 6 en 7, van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226), voor de uitoefening van het recht op BTW - aftrek verwijst het Hof van Justitie naar zijn vaste rechtspraak dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde BTW de BTW in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel is van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke BTW - stelsel en dat dit recht, in beginsel, niet kan worden beperkt.

Het basisbeginsel van neutraliteit van de BTW verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst beschikt over de nodige gegevens om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag hij voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Bijgevolg mag de belastingdienst het recht op BTW - aftrek niet weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punten 6 en 7, gestelde voorwaarden indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht. De belastingdienst mag er zich in dat verband niet toe beperken de factuur zelf te onderzoeken; hij moet rekening houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt.

Het Hof van Justitie wijst er op dat de belastingplichtige die op aftrek van de BTW aanspraak wil maken, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden daartoe voldoet en dat de belastingautoriteiten dus van de belastingplichtige zelf alle bewijzen kunnen verlangen die zij noodzakelijk achten om te beoordelen of de gevraagde aftrek al dan niet moet worden toegestaan.

In zijn arrest van 15 september 2016 (H.v.J., 15 sept. 2016, [C-518/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-518-14-arrest) inzake Senatex GmbH, Fiscale Actualiteit, nr. 2016/34, p. 1-5; Fiscoloog, nr. 1493,9; Accountancy & Fiscaliteit, 13 okt. 2016,3) oordeelt het Hof van Justitie als volgt:

> *"Artikel 167, artikel 178, onder a), artikel 179 en* [*artikel 226, punt 3, van richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) *van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als in het hoofdgeding, volgens welke de correctie van een verplichte vermelding op een factuur, te weten het identificatienummer voor de belasting over de toegevoegde waarde, geen terugwerkende kracht heeft, waardoor het recht op aftrek van deze belasting over de gecorrigeerde factuur geen betrekking heeft op het jaar waarin deze factuur oorspronkelijk is opgesteld, maar op het jaar waarin zij is gecorrigeerd."*

Het Hof van Justitie verwijst naar zijn vaste rechtspraak dat het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde BTW de BTW in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel vormt van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke BTW - stelsel. De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer te ontlasten van de In het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane BTW. Het gemeenschappelijke BTW - stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de BTW zijn onderworpen.

Het Hof van Justitie verwijst naar de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het recht op aftrek ontstaat ([artikel 168, a)](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) van de richtlijn) en de formele voorwaarden. Het Hof herinnert eraan dat de richtlijn voorziet in de mogelijkheid om een factuur waarop bepaalde vermeldingen ontbreken, te corrigeren, zoals blijkt uit artikel 219 dat bepaalt dat "(i)eder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, (...), als factuur (geldt)".

Het recht op BTW - aftrek is een integrerend deel van de BTW - regeling en kan in beginsel niet worden beperkt en dit recht wordt onmiddellijk uitgeoefend voor alle belasting die op in eerdere stadia verrichte handelingen hebben gedrukt. Aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Het bezit van een factuur, die de in [artikel 226](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) van de richtlijn bedoelde vermeldingen bevat, is een formele en geen materiële voorwaarde voor het recht op BTW - aftrek.

In deze beide arresten bevestigt het Hof van Justitie nogmaals het neutraliteitsbeginsel en de directe werking ervan. Het hof bevestigt ook het principe dat voorrang moet gegeven worden aan de materiële voorwaarden, wat betekent dat indien de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn, de aftrek moet worden toegestaan, zelfs indien een formele voorwaarde niet wordt gerespecteerd.

Het recht op aftrek van de belastingplichtige moet niet enkel beoordeeld worden aan de hand van het vervuld zijn van formaliteiten, maar op basis van de materiële voorwaarden. Wanneer de belastingplichtige de verplichte formaliteiten niet heeft nageleefd, is het belangrijk dat hij andere documenten (bv. e-mails, bestelbonnen, offertes, ....) heeft op basis waarvan de administratie kan controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek van BTW voldaan zijn. Indien dit het geval is, kan het recht op aftrek niet geweigerd worden en kan hoogstens een niet-proportionele boete opgelegd worden.

4.1.3. - De kwestieuze facturen van **W. C. H.** werden uitgereikt aan een andere geadresseerde dan eiseres in hoger beroep, meer bepaald aan **S. H. R.**, …, …", met vermelding van het BTW - nummer BE …. Zij verwijzen naar 'onze overeenkomst van 29 juni 2010' en bevatten volgende omschrijving 'studies, advies & begeleiding ten behoeve van het management met het oog op het aantrekken van een bijkomende financiële partner voor Select Human Resources'.

De voorgelegde overeenkomst van 29 juni 2010 werd afgesloten tussen **W. C. H.** enerzijds en **S. H. R.** anderzijds. Eiseres in hoger beroep houdt weliswaar voor dat zij nadien partij geworden is bij deze overeenkomst, doch zulks blijkt hoegenaamd niet uit de voorgelegde stukken.

De brief van 29 juni 2010, inhoudende de overeenkomst tussen **W. C. H.** en **S. H. R.** werd op 14 september 2010 voor akkoord ondertekend door de heer **B. G.**, gedelegeerd bestuurder van **S. H. R.**.

Naar aanleiding van de controle heeft eiseres in hoger beroep "gecorrigeerde" facturen voorgelegd, uitgaande van WINX CAPITAL HOUSE en gericht aan "GINSENGA NV, Frilinglei 147, 2930 Brasschaat'', alsook twee creditnota's met betrekking tot de voordien aan SELECT HUMAN RESOURCES uitgereikte facturen.

De creditnota's en de gecorrigeerde facturen dateren allemaal van 27 mei 2011. De gecorrigeerde facturen vermelden nog steeds het BTW - nummer BE …, zijnde niet het BTW - nummer van eiseres in hoger beroep, en verwijzen nog altijd naar dezelfde overeenkomst van 29 juni 2010 waarin eiseres in hoger beroep geen partij is.

Op het ogenblik van de controle had eiseres in hoger beroep deze gecorrigeerde facturen, die dateren van 2011, nog niet opgenomen in haar boekhouding.

Eiseres in hoger beroep voert thans aan ervan uitgegaan te zijn dat de initieel foutieve facturen en de nadien ontvangen verbeterende stukken samen één factuur vormden en dat geen bijkomende aanpassing in de boekhouding vereist was. Het betreft evenwel geen onvolledige factuur of een factuur met een verkeerde vermelding van de geleverde goederen of diensten, in welk geval niet betwist wordt dat een verbeterend stuk wordt uitgereikt dat dan één geheel vormt met de oorspronkelijke factuur. In casu is er evenwel sprake van een factuur die aan een verkeerde geadresseerde zou zijn gericht. Dergelijke onvolkomenheid kan enkel gecorrigeerd worden door de oorspronkelijke factuur volledig te annuleren (via een creditnota) en te vervangen door een nieuwe factuur. De oorspronkelijke factuur en de creditnota dienen opgenomen te worden in de boekhouding van de oorspronkelijke geadresseerde (in deze **S. H. R.**) en in diens BTW - aangifte verwerkt te worden, terwijl de nieuwe factuur dient opgenomen te worden in de boekhouding van de nieuwe geadresseerde (in deze eiseres in hoger beroep) en in haar BTW - aangifte moet verwerkt worden.

Het hof oordeelt dat uit de voorliggende stukken niet blijkt dat de door **W. C. H.** gefactureerde diensten werden verricht ten behoeve van eiseres in hoger beroep en / of bestemd waren voor de economische activiteit van eiseres in hoger beroep. Deze stukken maken het niet mogelijk voor de administratie om te controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn.

De administratie heeft dan ook terecht het recht op aftrek met betrekking tot deze facturen verworpen en het dwangbevel en het bijgevoegde proces-verbaal zijn op dat punt voldoende gemotiveerd.

4.1.4. - De kwestieuze facturen van **D.** vermelden als omschrijving : "erelonen: ... euro; onkosten ....... euro" zonder enig verder detail.

Eiseres in hoger beroep is van oordeel dat de tijdens de controle voorgelegde details alsnog de factuur vervolledigen en zij verwijst hiervoor naar twee "brieven" met als aanhef "Gelieve ingesloten onze ereloonnota te willen vinden met betrekking tot onze prestaties verleend gedurende de periode eindigend op 17 februari 2010 (brief 12 maart 2010) / 12 maart 2010 (brief 27 april 2010)" en één stuk "detail".

Het hof dient vast te stellen dat, zoals de eerste rechter terecht geoordeeld heeft, geen verband kan gelegd worden tussen de facturen en de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven wegens geen overeenstemming van datums, referenties, prestatieperiodes en becijfering van het bedrag van de facturen:

\- het referentienummer op de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven is niet terug te vinden op de facturen;

\- de facturen bevatten geen verwijzing naar de door eiseres in hoger beroep voorgelegde brieven;

\- het is niet mogelijk om vast te stellen of de brieven van 12 maart 2010 en 27 april 2010 volledig worden voorgelegd;

\- volgens de brief van 12 maart 2010 heeft de bijgevoegde ereloonnota betrekking op prestaties gedurende de periode eindigend op 17 februari 2010, doch in de brief wordt verwezen naar prestaties van een latere datum, meer bepaald naar een vergadering van 23 februari 2010 en naar een e-mail van 25 februari 2010;

\- volgens de brief van 27 april 2010 heeft de bijgevoegde ereloonnota betrekking op prestaties gedurende de periode eindigend op 12 maart 2010, doch in de brief is sprake van een vergadering van 14 december 2010 (indien zou bedoeld worden december 2009 dient opgemerkt te worden dat hiervan reeds sprake was in de brief van 12 maart 2010);

\- in het "detail" dat volgens eiseres in hoger beroep betrekking zou hebben op de factuur van 30 april 2010 is sprake van "advies fusie **Q. E. S.** NV – **S. H. R.** NV" en wordt een opsomming gegeven van op bepaalde data geleverde prestaties, zonder enige specificering wat het aantal gepresteerde uren betreft en zonder enig detail met betrekking tot het gefactureerde bedrag.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de prestaties van **D.** onder meer betrekking hebben op de voorgenomen fusie tussen **Q. E. S.** NV en **S. H. R.** NV, doch het is niet duidelijk wat de rol van eiseres in hoger beroep was in deze voorgenomen fusie.

Het is aan de hand van de voorliggende stukken evenmin aangetoond dat de diensten waarvoor eiseres in hoger beroep aanspraak maakt op recht op aftrek door haar in een later stadium zijn gebruikt voor haar eigen belaste handelingen.

Aan de hand van de voorliggende stukken kan de administratie niet controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek voldaan zijn.

De administratie heeft dan ook met betrekking tot deze facturen terecht het recht op aftrek verworpen en het dwangbevel en het bijgevoegde proces-verbaal zijn ook op dit punt afdoende gemotiveerd.

4.2. - Inbreuken op artikel 45 en 46 W.BTW door een belastingplichtige die in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 W.BTW recht op aftrek bestaat.

4.2.1. - Eiseres in hoger beroep betwist niet dat zij een gemengde belastingplichtige is, d.w.z. dat zij in de uitoefening van haar economische activiteit zowel handelingen verricht die aanspraak geven op recht op aftrek (het verrichten van managementtaken) als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat (het verstrekken van kredieten aan dochterondernemingen). Toch heeft zij alle voorbelasting zonder meer in aftrek gebracht.

Eiseres in hoger beroep stelt dat zij zich als gemengde belastingplichtige dient te richten naar artikel 46, §1 W.BTW, wat impliceert dat zij principieel haar recht op aftrek dient uit te oefenen conform het zogenaamde algemeen verhoudingsgetal, met dien verstande dat [artikel 13 KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13) stelt dat, voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal, opbrengsten uit financiële verrichtingen niet in aanmerking worden genomen, tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke beroepswerkzaamheid van die aard. Volgens eiseres in hoger beroep oefent zij geen specifieke beroepswerkzaamheid van financiële aard uit en impliceert de volgens haar gerechtvaardigde toepassing van [artikel 13 KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13) bijgevolg dat zij haar recht op aftrek niet diende te beperken en 100% van alle input-BTW in aftrek kon nemen.

De Belgische Staat is van oordeel dat [artikel 13 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13) niet aan de orde is en dat door de niet - toepassing van artikel 46 W.BTW en de aftrek zonder meer van alle aangerekende BTW, de administratie gerechtigd is artikel 46, §2 W.BTW toe te passen onder de in dat wetsartikel vermelde voorwaarden.

De administratie heeft de kosten die betrekking hebben op de financiering van de HR - activiteiten van de dochterondernemingen van eiseres in hoger beroep aangemerkt als zijnde volledig toe te wijzen aan de van BTW vrijgestelde activiteit en die dus geen recht op aftrek van BTW verlenen.

4.2.2. - Tijdens de controle heeft de administratie vastgesteld dat eiseres in hoger beroep in 2010 en 2011 een groot geldbedrag heeft uitgeleend ter expansie en professionalisering van haar dochterondernemingen door middel van een door haar bekomen lening. Per kwartaal worden in het kader van deze activiteiten intrestafrekeningen gefactureerd. De intrestopbrengsten vinden hun oorsprong in de leningsovereenkomsten die met de dochterondernemingen werden afgesloten.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de eerste rechter dat die kredietverrichtingen behoren tot een specifieke economische activiteit van eiseres in hoger beroep.

Krachtens artikel 44, §3, 5° W.BTW zijn van belasting vrijgesteld de verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend.

Naast de facturatie van leningsopbrengsten heeft eiseres in hoger beroep aan haar dochterondernemingen ook facturen uitgereikt met als omschrijving 'service agreement'. Het aanrekenen van deze 'fees' is evenwel afhankelijk van het boekhoudkundig resultaat van de dochteronderneming en leidt daardoor niet noodzakelijk tot een belastbare omzet (cfr. addenda aan de managementovereenkomsten met de dochterondernemingen).

Eiseres in hoger beroep verricht dus enerzijds handelingen omschreven als 'service agreement' die (soms) belast zijn (want afhankelijk van het boekhoudkundig resultaat van de klant = dochteronderneming) waarvoor op basis van artikel 45, §1 W.BTW recht op aftrek bestaat en anderzijds handelingen voorzien in artikel 44, §3, 5° W.BTW (kredietverlening) waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Toch heeft zij ook voor deze laatste handelingen steeds alle BTW afgetrokken.

Als gemengde belastingplichtige dient eiseres in hoger beroep zich voor haar recht op aftrek te gedragen naar artikel 46 W.BTW, dat luidt als volgt:

*"§1. Wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van e) bepalen dat, indien de BTW die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken, onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden.*

De richtlijn voorziet dus dat:

\- de voorbelasting slechts mag afgetrokken worden voor zover de goederen en diensten effectief gebruikt worden voor de belaste handelingen van de belastingplichtige;

\- voor goederen en diensten met gemengd gebruik (die dus door de belastingplichtige zowel worden gebruikt voor belaste handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat) aftrek slechts wordt toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de belaste handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat (aftrek pro rata).

Dus slechts voor goederen en diensten met gemengd gebruik wordt uitoefening van het recht op aftrek voorzien middels een bepaald pro rata; het aftrekbare gedeelte is de uitkomst van een breuk waarvan teller en noemer bepaald worden in artikel 174 van de richtlijn).

In casu zijn de kosten die eiseres in hoger beroep maakte voor de uitoefening van haar financieringsactiviteit geen gemengde kosten, aangezien zij niet ten goede komen aan de activiteiten die verricht worden in het kader van het 'service agreement'. Voor dergelijke kosten voorziet de richtlijn niet in een recht op BTW - aftrek.

Tijdens de controle werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep noch artikel 46, §1 W.BTW noch artikel 46, §2 W.BTW heeft toegepast, doch zonder meer alle BTW voor 100% in aftrek heeft genomen.

De overtreding op de aftrekregeling kon slechts vastgesteld worden na verificatie van de boekhouding en er kan dan ook niet gesteld worden dat er sprake zou zijn van een impliciet of expliciet akkoord met de administratie dat de betreffende kosten aftrekbaar zouden zijn.

Ingevolge dit onderzoek verklaart eiseres in hoger beroep zich te willen beroepen op de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal (artikel 46, §1 W.BTW) en haar kredietactiviteit slechts aan te merken als een bijkomstige handeling als bedoeld in [artikel 13, 2° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13), zodat zij toch volledig recht op aftrek zou kunnen genieten.

[Artikel 13 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art13) bepaalt:

*“In afwijking van het vorige artikel worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal niet in aanmerking genomen:*

*1° (...)*;

*de laatstbedoelde handelingen en het totale bedrag van de voor de betrokkene verrichte handelingen.*

*§2. In afwijking van §1 kan door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtige, op zijn verzoek, de vergunning worden verleend om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan. De belastingplichtige kan door of vanwege de Minister van Financiën worden verplicht op die wijze te handelen, wanneer de aftrek naar verhouding van de in &1 genoemde breuk leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting."*

In verband met het recht op aftrek bepaalt de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde het volgende:

*''Artikel 168: Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:*

*…..*

*Artikel 173: 1. Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).*

*Het aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.*

*2. De lidstaten kunnen de volgende maatregelen nemen:*

*a)* *de belastingplichtige toestaan een aftrekbaar gedeelte te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd;*

*b)* *de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een aftrekbaar gedeelte te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren;*

*c)* *de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan;*

*d)* *de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens de in lid 1, eerste alinea, vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoende handelingen;*

2° de opbrengsten van en de inkomsten uit onroerende en uit financiële verrichtingen, tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke economische activiteit van dien aard;

3° (….).

Eiseres in hoger beroep heeft, zoals ook reeds hiervoor werd uiteengezet, op geregelde basis facturen uitgereikt voor haar kredietactiviteit en heeft voor deze activiteit ook leningsovereenkomsten afgesloten. De vastgestelde kredietverrichtingen behoren ontegensprekelijk tot een specifieke economische activiteit en die activiteit dient voor de beoordeling van het recht op aftrek dan ook in aanmerking genomen te worden.

Artikel 44, §3, 5° W.BTW stelt van de belasting vrij het verlenen van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend. De opbrengsten van de door eiseres in hoger beroep verstrekte financieringen zijn geen bijkomstige handelingen en zijn bij toepassing van artikel 44, §3, 5° W.BTW vrijgesteld van BTW. De ermee samenhangende kosten geven derhalve op grond van artikel 45, §1 W.BTW geen recht op aftrek van de voorbelasting. Er anders over oordelen zou een schending inhouden van het neutraliteitsbeginsel van de BTW.

Eiseres in hoger beroep houdt ten onrechte voor dat de administratie het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door een retroactieve verwerping van het recht op aftrek.

Eiseres in hoger beroep heeft alle voorbelasting zonder meer in aftrek genomen terwijl ze thans erkent een gemengde belastingplichtige te zijn, wat per definitie een beperking van het recht op aftrek inhoudt.

Aan eiseres in hoger beroep werd nooit toestemming gegeven tot toepassing van artikel 46, §1 W.BTW, waarop de administratie dan later zou teruggekomen zijn, noch van andere regels die achteraf zouden gewijzigd zijn. Dat ten onrechte BTW in aftrek werd gebracht, werd pas vastgesteld op het ogenblik van de controle. Eiseres in hoger beroep toont niet aan welke concrete gerechtvaardigde verwachtingen zouden geschonden zijn die een afbreuk betekenen van het rechtszekerheidsbeginsel.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat aangezien eiseres in hoger beroep alle voorbelasting ten onrechte in aftrek had gebracht en zij zich voor de controle niet had beroepen op de toepassing van artikel 46, §1 W.BTW, de regel van het werkelijk gebruik (toepassing van artikel 46, §2 W.BTW) door de administratie kon worden opgelegd in de correctieopgave, in het proces-verbaal en in het bestreden dwangbevel.

Het dwangbevel motiveert trouwens uitgebreid middels het bijgevoegde proces-verbaal de toepassing van de artikels 45 en 46 W.BTW.

De administratie is terecht overgegaan tot een rechtzetting op grond van artikel 45, §1 en artikel 46, §2 W.BTW inzake het recht op aftrek.

4.3. - Besluit.

Het bestreden vonnis is op juiste gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en eiseres in hoger beroep dient overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

### Beschikkend gedeelte

## 5. Beslissing

**Het hof beslist** bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van NV **G.** toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis.

Het hof veroordeelt NV **G.** tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de Belgische Staat begroot op en door het hof vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 06 december 2016 door

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

13

[btw-richtlijn 2006/112 art. 226](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) 11 voorkomens

[KB nr. 3 art. 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 6 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 3 voorkomens

[WBTW art. 46](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) 3 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 178](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) 3 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[KB nr. 31 art. 7](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-8f87) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 168](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) 1 voorkomen

[C-516/14, arrest van 15 september 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest) 2 voorkomens

[C-518/14, arrest van 15 september 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-518-14-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, factuur, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-factuur-btw-cassatie-brussel-2022-11-25-e4f6) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, uitoefening recht op aftrek, formele voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-uitoefening-formele-voorwaarden-hof-van-beroep-antwerpen-2018-04-17-2145) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Kosten van voeding, drank en catering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-kosten-voeding-drank-hof-van-beroep-luik-2020-09-07-e7a4) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, gemengde belastingplichtige, vrijgestelde handeling, schuldbemiddeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-gemengde-belastingplichtige-vrijgestelde-hof-van-beroep-gent-2019-09-24-f3fe) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 4 gemeenschappelijke bepalingen
