Recht op aftrek, Gemengde belastingplichtige, Algemeen verhoudingsgetal · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.01.0422.N 2 oktober 2003

Zoeken

Recht op aftrek, Gemengde belastingplichtige, Algemeen verhoudingsgetal

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-gemengde-belastingplichtige-algemeen-cassatie-brussel-2003-10-02-f595

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.01.0422.N
Datum
2 oktober 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

64 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 02.10.2003 (C.01.0422.N)

Recht op aftrek - Gemengde belastingplichtige - Algemeen verhoudingsgetal - Aftrekbeperking van 50 % inzake automobielen - Voertuig

Wettelijke bepalingen

Artt. 45, § 2, eerste lid en 46, § 1, W.BTW

Samenvatting

De in hoofde van de gemengde belastingplichtige aftrekbare B.T.W. dient te worden vastgesteld overeenkomstig de verhouding bepaald bij toepassing van artikel 46, ,§ 1, van het B.T.W.-Wetboek, na voorafgaandelijk de aftrekbeperking van 50 % in aanmerking te hebben genomen die artikel 45, ,§ 2, eerste lid, van dat wetboek oplegt ten aanzien van leveringen, diensten en invoer van automobielen voor personenvervoer.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 02.10.2003

(C.01.0422.N)

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, voor wie optreedt de Hoofdcontroleur van het centraal B.T.W. kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, wiens kantoor gevestigd is te 1000 Brussel, Van Orleystraat 15, eiser, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

F.D.B., besloten vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te …, verweerster.

Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 mei 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

I. Feiten

Verweerster, een in Nederland gevestigde onderneming, kocht op 5 januari 1990 in België een personenwagen BMW waarvoor zij betaalde, benevens de prijs van 492.750 NLG, de in België verschuldigde B.T.W. en weeldetaks, ten bedrage van 571.733 BEF. Zij diende eerst een aanvraag in tot teruggave van 50 pct. van deze belastingen, (zijnde 285.883 BEF). Na afwijzing van deze aanvraag door de administratie dagvaardde zij de Belgische Staat tot teruggave van het geheel bedrag van deze belastingen.

Het bestreden arrest heeft deze teruggave bepaald op 171.530 BEF, hetzij 30 pct. van de belasting.

Verweerster heeft de hoedanigheid van "gemengde belastingplichtige". Haar activiteit bestaat uit 30 pct.

handelingen waarop recht op aftrek bestaat, en 70 pct. uit handelingen waarop dat recht niet bestaat.

Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

het artikel 45, ,§2, en bijkomend de artikelen 45, ,§1, en 46, ,§1 en 2, van de wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het Wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde (afgekort Wb. B.T.W.), zoals van kracht tijdens het jaar 1990 zijnde vóór de wijziging van deze bepalingen bij de wet van 28 december 1992 ;

de artikelen 12, eerste lid, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 23 maart 1978 en 13, 2°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat verweerster dient te worden beschouwd als een gemengd belastingplichtige, dat in toepassing van artikel 46, B.T.W.-Wetboek, het pro rata van de B.T.W. waarvoor zij aanspraak kan maken op aftrek of terugbetaling dient bepaald te worden aan de hand van de omzet van de door haar verrichte handelingen die wel en niet onderworpen zijn aan de B.T.W., dat terzake een algemeen verhoudingsgetal moet bepaald worden overeenkomstig artikel 46, ,§1, B.T.W.-Wetboek. Dit arrest bepaalt de terzake toepasselijke verhouding van aftrekbare belasting op 30 pct.. Het arrest verwerpt met betrekking tot de eisers stelling, volgens welke naar artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek, de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 pct.

van de betaalde belasting ten aanzien van de levering en de invoer van automobielen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen :

"Samen met de eerste rechter, is ook het hof van beroep van oordeel dat (eiser) ten onrechte, in zijn berekening een tweede beperking invoert in die zin dat de grens voorzien in artikel 45, ,§2, een maximum is van aftrekbaarheid, maar dit impliceert niet dat het bedrag ab initio dient te worden gehalveerd.

De beperking van artikel 45, ,§2, kan enkel uitwerking hebben indien de berekening van de breuk overeenkomstig artikel 46, ,§1, hoger zou zijn dan de beperking van 50 pct.

Anders redeneren zou neerkomen op het toevoegen van een voorwaarde aan de toepassing van artikel 46, ,§1, hetgeen onwettig is.

Aldus dient het verhoudingsgetal van 30 pct. dat lager ligt dan de beperking van 50 pct. en aldus in overeenstemming is met artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek, te worden toegepast op de totale B.T.W. bij de invoer, hetzij op 571.766 BEF".

Het arrest beslist aldus :

"(Verweerster) heeft aldus recht op teruggave van een bedrag van 571.766 BEF x 30 pct. = 171.530 BEF, met toekenning van de wettelijke interesten".

Grieven

De aftrek van voorbelasting betreffende autovoertuigen is, in algemene regel, krachtens artikel 45, ,§2, eerste lid, B.T.W.-Wetboek, beperkt tot 50 pct. van de betaalde belasting.

Het principieel aftrekbaar bedrag kan, bij volledige belastingplichtigen, voor die leveringen dus slechts uit de helft van de betaalde belasting bestaan.

Voor gemengde belastingplichtigen is het aftrekbaar bedrag in regel beperkt tot een gedeelte van hetgeen bij volledige belastingplichtigen aftrekbaar is.

Dit gedeelte, zijnde het aftrekbaar "pro rata", wordt berekend op grond van de verhouding tussen het zakencijfer waarvoor aftrekbaarheid bestaat en het totaal zakencijfer.

Noch uit enige bepaling van artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek, noch uit eender welk ander wettelijk voorschrift, kan afgeleid worden dat de begrenzing tot 50 pct. voor de aftrek van B.T.W. op autovoertuigen voor de gemengde belastingplichtigen gemilderd zou worden of praktisch zou verdwijnen.

Deze beperking moet noodzakelijk cumulatief met de berekening van het pro rata toegepast worden.

De gemengde belastingplichtige die geen onderneming exploiteert van verkoop of verhuur van autovoertuigen of van personenvervoer, en wiens recht op aftrek van voorbelasting volgens het algemeen verhoudingsgetal vastgesteld wordt, moet bijgevolg dit verhoudingsgetal toepassen op de voorbelasting die hij in aftrek zou brengen indien hij een volledige belastingplichtige zou zijn.

De beperking van artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek, moet bijgevolg eerst toegepast worden, waarna de berekening van het pro rata kan plaatsvinden.

De overweging, dat "anders redeneren zou neerkomen op het toevoegen van een voorwaarde aan de toepassing van artikel 46, ,§1, hetgeen onwettig is", kan de uitspraak niet schragen, nu de besproken beperking van het recht op aftrek in de wet zelf voorgeschreven is.

Het arrest heeft slechts met miskenning van het voorschrift van artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek kunnen stellen dat de wetgever met dit voorschrift "slechts een maximumgrens voor de aftrek heeft willen opleggen", en heeft ten onrechte dit voorschrift buiten beschouwing gelaten in de berekening van het voor verweerder toepasselijk pro rata van aftrekbare B.T.W. (schending, in hoofdorde, van artikel 45, ,§2, B.T.W.-Wetboek, en aanvullend van de andere in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen).

Beslissing van het Hof

Overwegende dat, krachtens artikel 46, ,§1, van het B.T.W.-Wetboek, zoals te dezen van toepassing, wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, de belasting ter zake van de voor die werkzaamheid gebruikte goederen en diensten in aftrek wordt gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen en het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte beroepshandelingen ;

Dat, krachtens artikel 45, ,§2, eerste lid, van het B.T.W.-Wetboek, ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting ;

Dat de bepaling van artikel 46, ,§1, die alleen maar een wijze van berekening bepaalt, niets afdoet aan de regel van artikel 45 dat de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting ; dat het de bedoeling van de wetgever was steeds de aftrekbaarheid te beperken tot de helft van de betaalde B.T.W. ; dat in beginsel alleen in aftrek mag worden gebracht, de belasting geheven van de aan een betrokkene geleverde goederen en verleende diensten, voor zover hij die goederen gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting ; dat indien de belastingplichtige een gemengde belastingplichtige is die maar voor een deel een activiteit uitoefent onderworpen aan de B.T.W., het slechts het deel onderworpen aan de belasting is dat in aanmerking komt, evenwel beperkt tot 50 pct. ;

Dat elke andere uitlegging tot gevolg zou hebben dat gemengde belastingplichtigen een onevenredig groot voordeel zouden genieten van de aftrekregeling ten opzichte van belastingplichtigen die een volledig onderworpen activiteit hebben ;

Overwegende dat de appèlrechters aannemen dat de aftrekbare B.T.W. dient te worden vastgesteld overeenkomstig de verhouding bepaald bij toepassing van artikel 46, ,§1, zonder de beperking die artikel 45 oplegt in aanmerking te nemen ;

Dat zij zodoende de in het middel als geschonden aangewezen wetsbepalingen schenden ;

Dat het middel gegrond is ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Vernietigt het bestreden arrest ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …

Ondertekeningen

Administratieve doctrine

5

« … 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Het Hof van Cassatie heeft bepaald dat het algemeen verhoudingsgetal bedoeld in artikel 46, § 1, van het Btw-Wetboek moet berekend worden rekening houdend met de beperking voorzien in artikel 45, § 2, van het Btw-Wetboek ( Arrest van het Hof van Cassatie nr. C.01.0422.N van 02.10.2003 ). Hieruit volgt, in voorkomend geval, een dubbele beperking van het recht op aftrek van de belastingplichtige. Rekening houdend met deze rechtspraak, moet de belastingplichtige zijn recht op aftrek als volgt bepalen: de belastingplichtige bepaalt eerst de … »

Recht op aftrek (01.09.2025)Administratieve commentaar15.09.2025

Bekijk de 5 documenten