---
title: "Recht op aftrek, Facturen · Hof van beroep te Bergen, 4 augustus 2020"
description: "Recht op aftrek, Facturen, Fictieve prestaties, Fraude, Proportionele geldboete, recht op aftrek van Btw. Hof van beroep te Bergen (België), 4 augustus 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-fictieve-prestaties-hof-van-beroep-bergen-2020-08-04-6b6f"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Recht op aftrek, Facturen, Fictieve prestaties, Fraude, Proportionele geldboete

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Bergen

**Datum**

4 augustus 2020

## Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 3 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Bergen 25.04.2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-fictieve-handelingen-rechtbank-bergen-2017-04-25-75d6)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Bergen 04.08.2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

101 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Bergen 04.08.2020

WF 703-15-16/005414

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Facturen – Fictieve prestaties - Fraude – Proportionele geldboete*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW

## Samenvatting

## Voorafgaande feiten

De NV P. is btw-belastingplichtige voor een activiteit van montage en demontage van rekken in winkels van grote detailhandelaars.

Na een fiscale controle was de Administratie van oordeel dat de facturen voor onderaanneming die door twee ondernemingen werden uitgeschreven, fictief waren en bijgevolg werd de aftrek van de op deze facturen aangerekende btw verworpen. De belastingplichtige heeft tegen deze aanpassing beroep aangetekend.

Bij vonnis van 25 april 2017 heeft de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, afdeling Bergen, het verzoek van belastingplichtige ontvankelijk maar ongegrond verklaard en verworpen. Deze laatste heeft beroep aangetekend tegen het vonnis.

## Het arrest van het hof van beroep

Het hof van beroep is van mening dat– gezien werd geoordeeld dat de administratie het recht op aftrek van de belasting niet kan weigeren enkel en alleen omdat de belastingplichtige in het bezit is van een factuur die niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, ook al beschikt hij over alle informatie die noodzakelijk is om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van dat recht - deze regel niet van toepassing is wanneer deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat de levering of de verrichte dienst betrokken was bij fraude (HJEU, [C-516/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest), Barlis 06, van 15 september 2016 en [C-277/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest), Stefanek, van 22 oktober 2015).

Hoewel het door het Hof van Justitie vastgelegde neutraliteitsbeginsel inzake btw het fundamentele recht van belastingplichtigen om de voorbelasting in aftrek te brengen oplegt, bestaat dit recht alleen voor zover het betrekking heeft op daadwerkelijk ontvangen goederen en diensten.

Het hof van beroep wijst erop dat de belasting in hoofde van belastingplichtige pas aftrekbaar is indien deze is geheven over de goederen en diensten die daadwerkelijk aan de belastingplichtige zijn geleverd. De bewijslast dat aan deze voorwaarde is voldaan, namelijk dat de goederen en diensten aan hem zijn geleverd, ligt bij de belastingplichtige.

In het onderhavige geval heeft de belastingplichtige niet aan de hand van overtuigende en verifieerbare bewijzen kunnen aantonen dat de diensten die zijn twee onderaannemers zouden hebben geleverd, daadwerkelijk zijn verricht en dat de gefactureerde bedragen daadwerkelijk zijn betaald.

Het hof van beroep kwam tot deze conclusie door een analyse van een aantal elementen die het mogelijk maken de precieze aard van de betrekkingen tussen de partijen te karakteriseren en daaruit af te leiden dat de betrokken documenten die als facturen worden overgelegd, niet met de werkelijkheid overeenstemmen en dus fictieve facturen vormen.

De door de administratie opgelegde boete van 200 % wordt evenredig geacht met de inbreuk en is van dien aard dat een herhaling van de inbreuk wordt voorkomen.

Het beroep van de belastingplichtige wordt afgewezen.

## Opmerkingen

De belastingplichtige heeft berust in het arrest van het hof van beroep.

In dit geval kwamen de betrokken documenten in de vorm van facturen niet overeen met de werkelijkheid en vormden zij fictieve facturen. Belastingplichtige, die partij was bij de opstelling van die documenten, kon dit niet negeren, gezien hij eiste om een recht op aftrek uit te oefenen.

Er wordt op gewezen dat er geen schriftelijke onderaannemingscontracten, geen schriftelijke communicatie inzake de uitvoering van de diensten en geen bewijs van betaling kon worden voorgelegd.

In het proces-verbaal waarnaar wordt verwezen in het dwangbevel, werd het frauduleuze opzet dat de oplegging van de proportionele boete rechtvaardigt goed gemotiveerd door te stellen dat - na te hebben geconcludeerd dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet heeft aangetoond – de betrokken diensten niet konden worden verleend door die "onderaannemingsbedrijven", omdat dit ‘lege dozen’ zijn.

De administratie heeft aan de hand van ernstige, precieze en overeenstemmende vermoedens aangetoond dat de betwiste diensten niet werden verstrekt door de onderaannemers die op de betwiste facturen zijn vermeld.

De verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie (met name het arrest Barlis, [C-516/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest) van 15 september 2016) is niet relevant, aangezien het Hof van Justitie vaststelt dat, volgens de informatie van de nationale rechters, de handelingen die als basis voor het recht op aftrek worden aangevoerd, daadwerkelijk zijn verricht, wat hier niet het geval is. De belastingplichtige kan geen enkel bewijs leveren van de door zijn onderaannemers verrichte diensten, terwijl dit nochtans van groot belang is.

Derhalve werd het recht op aftrek van de btw op deze facturen terecht geweigerd.

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Cour d'appel Mons, Dix-huitième chambre Extraordinaire**

Rôle : 2017/RG/748

EN CAUSE DE:

**LA S.A.PRO**., inscrite à la Banque Carrefour des Entreprises sous le numéro 0476...., dont le siège social est établi à ..., déclarée en faillite par jugement du tribunal de l'entreprise du Hainaut, division de Charleroi, le 4 février 2019, partie appelante, agissant par Maître ..., avocat dont le cabinet est situé à ..., en sa qualité de curateur;

**CONTRE:**

**L'ETAT BELGE,** Service Public Fédéral des Finances, Administration générale de la Fiscalité - secteur T.V.A, représenté par Monsieur le Ministre des Finances dont le cabinet est sis à 1000 BRUXELLES, rue de la Loi n° 12, poursuites et diligences du Conseiller Inspecteur principal du centre de Perception et Recouvrement, Receveur du Team Recouvrement de Charleroi 4, dont les bureaux sont établis à 6000 CHARLEROI, rue Jean Monnet n° 14 boîte 34, partie intimée, agissant par Monsieur ..., conseiller-expert d'administration fiscale, son agent;

La Cour, après en avoir délibéré, prononce l'arrêt suivant :

Vu la requête d'appel déposée au greffe de cette cour par la S.A. PRO. le 17 octobre 2017, notifiée à l'Etat belge par pli judiciaire du 18 octobre 2017;

Vu le jugement dont appel, produit en copie conforme, rendu contradictoirement par la trente­ sixième -chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, le 25 avril 2017, sous le numéro de rôle général 16/162/A, et la procédure y visée;

Vu l'ordonnance rendue le 21 novembre 2017 en application de l'article 747, § 1er, du Code judiciaire, actant les délais pour conclure et fixant la cause· pour plaidoiries à l'audience du 13 février 2019, dont le conseil de la S.A. PRO. et l'Etat belge ont été avisés par plis du 23 novembre 2017;

Vu les conclusions et les dossiers des parties;

Vu le renvoi de la cause au rôle particulier à l'audience du 13 février 2019;

Vu les avis de fixation de la cause à l'audience du 20 mai 2020 en application de l'article 750 du Code judiciaire, notifiés aux parties par plis du 4 février 2020;

Vu les courriers des parties marquant leur accord sur le recours à la procédure spécifique;

En application de l'arrêté royal de pouvoirs spéciaux n° 2, la cause a été prise en délibéré, sans plaidoiries, à l'audience du 20 mai 2020.

## 1. Recevabilité de l'appel

L'appel de la S.A. PRO., régulier en la forme et introduit dans le délai légal à défaut de la production d'un acte de signification du jugement a quo, est recevable, ce qui n'est pas contesté par l'Etat belge.

## Il. Faits et antécédents de la procédure

La S.A. PRO. est assujettie à la taxe sur la valeur ajoutée (T.V.A.) pour une activité de montage et démontage de rayons pour magasins de la grande distribution.

Son siège social est établi à ....

Les 24 et 29 juin 2015, cette société a fait l'objet d'un contrôle fiscal portant sur la période du 1er janvier 2012 au 31 décembre 2013, au cours duquel l'administration a c·onsidéré que les factures de sous-traitances émises par la S.P.R.L. G.G.F.C. et la S.P.R.L. G.F.P.I. étaient fictives et, en conséquence, a rejeté la déduction de la T.V.A. postulée sur ces factures.

Un relevé de régularisation a été adressé en ce sens à la S.A. PRO. le 8 octobre 2015.

Au vu du désaccord de la société sur cette régularisation, l'administration a établi un procès­ verbal le 18 novembre 2015, lequel a motivé la contrainte n° 500/...985 décernée le 20 novembre 2015.

La S.A. PRO. a formé opposition à cette contrainte devant le tribunal de première du Hainaut, division de Mons, par une requête contradictoire déposée au greffe de ce tribunal le 18 janvier 2015.

Par le jugement dont appel du 25 avril 2017, la trente-sixième chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, a dit la demande recevable mais non fondée, en a débouté la S.A. PRO. et l'a condamnée aux frais et dépens de l'instance liquidés à zéro euro.

Par une requête déposée au greffe de la cour de céans le 17 octobre 2017, la S.A. PRO. a interjeté appel de ce jugement.

## Ill. Fondement de· l'appel - Discussion

La S.A. PRO., ci-après dénommée l'appelante, reproche au premier juge de l'avoir déboutée de son recours dirigé contre la contrainte décernée à son encontre le 20 novembre 2015 au motif qu'elle n'apportait pas la preuve de la réalité des prestations litigieuses de sous­ traitance et que l'Etat belge avait établi au moyen de présomptions graves précises et concordantes que lesdites prestations n'ont pas été fournies par les sous-traitants identifiés sur les factures litigieuses.

L'appelante soutient que la réalité économique des prestations accomplies par ses sous­ traitants et leurs paiements ne sont pas contestables et que le raisonnement de l'administration fiscale repose sur ses propres affirmations et une cascade de présomptions interdites.

L'Etat belge demande pour sa part que l'appel soit déclaré non fondé.

Le litige porte sur la déduction de la taxe sur la valeur ajoutée figurant sur les factures des sociétés G.G.F.C. et G.F.P.I., émises du 15 octobre 2012 au 31 mars 2013, pour un montant total de 58.558,25 euros, ainsi que sur l'amende de 117.116,50 euros équivalent au double des taxes déduites appliquée en vertu de l'[article 70, § 1erbis, du Code de la T.V.A.](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)

L'administration a refusé cette déduction au motif que l'assujettie n'établissait pas la réalité des prestations facturées par lesdites sociétés.

En vertu de l'[article 45, § 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45),« tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectués, dans la mesure où il les utilise pour effectuer: 1 ° des opérations taxées (... ) ».

S'il a été jugé que l'administration ne peut refuser le droit à déduction de la T.V.A. pour la seule raison que l'assujetti détient une facture qui ne remplit pas les conditions requises, alors qu'elle dispose de toutes les informations nécessaires pour vérifier que les conditions de fond relatives à l'exercice de ce droit sont satisfaites, cette règle n'est pas applicable lorsque cet assujetti savait ou aurait dû savoir que ladite livraison ou prestation de service était impliquée dans une fraude à la T.V.A. (voyez les arrêts de la C.J.U.E., n° [C-516/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest), Barlis 06, du 15 septembre 2016 et n° [C-277/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest), Stefanek, du 22 octobre 2015, consultables sur le site Internet curia.europa.eu).

Si le principe de neutralité de la T.V.A. consacré par la Cour de de Justice de l'Union européenne impose de reconnaître le droit fondamental des assujettis à déduire la T.V.A. acquittée en amont, ce droit n'existe que dans la mesure où il se rapporte à des biens et des services effectivement reçus.

Comme l'a relevé le premier juge, la jurisprudence de la Cour de Justice citée par l'appelante part du postulat que la réalité des opérations grevées de la T.V.A. dont la déduction est rejetée est admise (C.J.U.E., n° [C-80/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest) et [C-142/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest), 21 juin 2012, points 43, 44 et 52; C.J.U.E., n° [C- 277/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest), Stefanek, 22 octobre 2015, point 30, arrêts consultables sur le site Internet curia.europa.eu).

Dès lors, pour que la T.V.A. puisse être déduite dans le chef de l'assujetti, il faut que cette T.V.A. ait grevé des biens et des services effectivement fournis à cet assujetti et la preuve que cette condition a été remplie, à savoir que les biens et les services lui ont été fournis, incombe à l'assujetti (Gand, 24 juin 1988, Revue TVA, n° 84/1/89).

Il appartient dès lors à l'appelante d'établir, par des éléments probants et contrôlables, la réalité des prestations prétendument àccomplies par ses deux sous-traitants, la S.P.R.L. G.G.F.C. et la S.P.R.L. G.F.P.I., ainsi que le paiement effectif des montants facturés.

En ce qui concerne les prestations facturées, il convient de relever que :

\- Aucun contrat n'a été établi entre l'appelante et ses sous-traitants afin de définir les différents travaux à réaliser pour chaque mission ni pour définir le prix ou le tarif horaire de ces travaux;

\- il est difficilement compréhensible qu'aucune convention-cadre ne soit intervenue entre parties pour fixer les modalités de base de leurs relations contractuelles, destinées à s'étaler dans le temps;

\- il est peu crédible qu'aucune information n'ait été échangée, autrement que par téléphone ou par message téléphonique, entre l'appelante et ses sous-traitants au sujet des différentes travaux ou missions qui leur étaient confiées, telle que: des instructions de travail, le nombre de travailleurs à prévoir, les heures d’accès des magasins, les mesures de sécurité, les exigences et les consignes précises de travail des clients de l'appelante, ...

\- si les factures de sortie adressées aux clients de l'appelante font preuve d'une refacturation, elles ne permettent toutefois pas d'établir quelle main d'œuvre a effectivement réaliser les travaux facturés et si ceux-ci n'ont pas été effectués par le propre personnel de l'appelante;

\- la réconciliation entre les factures litigieuses et les factures de sortie de l'appelante n'est pas probante (voyez à cet égard les commentaires pertinents-de l'Etat belge en pages 11 et 12 de ses dernières conclusions);

\- les bons de commande produits par l'appelante n'en sont pas dès lors qu'ils sont établis a posteriori en fonction des prestations réellement effectuées après\_ validation des travaux par ses propres clients et que les sous-traitants établissent leurs factures après avoir reçu les bons de commandes;

\- les bons de commande ne servent donc pas à définir le travail à réaliser mais bien à permettre la facturation du travail bien longtemps après sa réalisation;

\- la validation du travail par le client final ne permet pas davantage de déterminer qui a effectivement exécuté la mission et il est tout à fait possible que le client valide un travail effectué par du personnel non déclaré qu'il ne connaît pas.

En ce qui concerne le paiement des factures litigieuses, il y a lieu en outre d'observer que:

\- la plupart de factures auraient été réglées en espèces, sous la forme d'acomptes à valoir sur les travaux à réaliser mais aucune de ces factures n'a été acquittées et aucun reçu n'a pu être produit par l'appelante;

\- au regard des articles 20 et 21 de la loi du 11 janvier 1993, les paiements en liquide prétendument intervenus, à savoir des sorties de caisse pour un montant de 103.201,10 euros, sont illégaux dès lors que ladite loi, telle que modifiée par la loi du 29 mars 2012 entrée en vigueur le 16 avril 2012, interdit les paiements supérieurs à 5.000 euros pour des prestations de services effectuées en une opération ou sous la forme d'opérations fractionnées qui apparaissent liées (voyez la pièce 9 du dossier de l'Etat belge};

\- il apparaît que les factures de la S.P.R.L. G.G.F.C. ont été prétendument payées en liquide en 2012, sans toutefois que ces factures soient acquittées ;

\- l'appelante invoque des virements bancaires effectués en faveur de la S.P.R.L. G.G.F.C. et la S.P.R.L. G.F.P.I. mais elle ne met pas en cqrrélation ces paiements avec les factures litigieuses ;

\- les paiements effectués en 2013 par virements bancaires au profit de la S.P.R.L. G.G.F.C. sont intervenus alors que l'appelante n'avait plus aucune dette à l'égard de cette société et les sommes indûment versées ont été rendues à l'appelante par trois versements en liquide de 20.496 euros, 15.573 euros et 5.250 euros le 31 décembre 2013, date à laquelle le seul contact de l'appelante avec la S.P.R.L. G.G.F.C., Monsieur Dagan GUNGOR, était décédé.

Il convient par ailleurs de mettre en évidence que l'objet social de la S.P.R.L. G.G.F.C. porte essentiellement sur des travaux d'entreprise générale de construction alors que les travaux qui lui auraient été confiés par l'appelante concernent des réalisations d'aménagement? intérieurs de grandes et petites surfaces commerciales (rayonnage, cloisonnement, décoration, ...);

\- selon les fiches légales, la S.P.R.L. G.G.F.C. n'a rémunéré qu'une seule personne durant l'année 2012 alors qu'elle a facturé 8.622 heures de travail à l'appelante pour la même période, qu'elle ne dispose pas d'équipe d'ouvriers et n'a pas fait appel à des sous­ traitants, ce qui signifie qu'elle ne disposait pas des moyens nécessaires pour effectuer les prestations facturées;

\- la S.P.R.L. G.G.F.C. n'a pas déclaré, dans son listing client, avoir presté des services pour l'appelante, ladite société n'apparaissant pas dans le listing fournisseurs de l'appelante;

\- la seule personne de contact de l'appelante auprès de la S.P.R.L. G.G.F.C. était un Sieur Dagan GUNGOR, auquel il a été payé des factures pour plus de 300.000 euros, alors que cette personne n'avait aucun pouvoir de représentation de la société émettrice des factures;

\- la S.P.R.L. G,F.P.I. n'est pas identifiée à la T.V.A., n'a déposé aucune déclaration T.V.A., n'existe pas dans le répertoire de l'O.N.S.S.;

\- la S.P.R.L. G.F.P.I. n'a officiellement rémunéré aucune personne durant l'année 2013 et n'a pas fait appel à des sous-traitants alors qu'elle a facturé 20.000 euros de travaux, en 2013, ce qui correspond à environ 800 heures de travail à un taux horaire évalué à 25 euros.

Il résulte de l'ensemble des éléments qui précèdent que l'appelante reste en défaut de rapporter la preuve, qui lui incombe, que les prestations de sous-traitance litigieuses sont bien réelles.

Par conséquent, c'est dès lors à bon droit que le premier juge a estimé que lesdits éléments, graves, précis et concordants, ont permis à l'administration de rejeter la déduction de la T.V.A. ayant grevé les factures émises par les sociétés G.G.F.C. et G.F.P.I. durant la période litigieuse.

Dès lors que l'appelante ne pouvait ignorer que les prestations facturées n'émanaient pas des sous-traitants ayant émis les factures rentrées dans sa comptabilité et pour lesquelles elle a revendiqué la déduction de la T.V.A., ce qui démontre dans son chef une intention frauduleuse, l'amende de 200 % appliquée par l'administration est justifiée, proportionnée à l'infraction et est de nature à en prévenir la réitération.

Il convient en conséquence de déclarer l'appel de la S.A. PRO. non fondé.

### Beschikkend gedeelte

**PAR CES MOTIFS,**

La Cour,

Statuant contradictoirement, en application de l'arrêté royal de pouvoirs spéciaux n° 2 ;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application, spécialement des articles 1, 4, 24, 30, 34, 37 et 41;

Donnant acte aux parties présentes de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes les conclusions plus amples ou contraires;

Dit l'appel recevable mais non fondé; En déboute la S.A. PRO.; Confirme le jugement entrepris;

Condamne la S.A. PRO. aux frais et dépens de l'instance d'appel, non liquidés par l'Etat belge, s'il en est, et lui délaisse ses propres frais et dépens.

Ainsi jugé et prononcé en audience publique extraordinaire, par la Dix-huitième Chambre de la Cour d'appel de Mons, 1e quatre août deux mille vingt, où siégeaient :

Signatures

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[C-277/14, arrest van 22 oktober 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest) 3 voorkomens

[C-516/14, arrest van 15 september 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-516-14-arrest) 3 voorkomens

[C-80/11 en C-142/11, arrest van 21 juni 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-hof-van-beroep-antwerpen-2021-02-0056) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kwijtschelding of vermindering btw-boete, evenredigheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kwijtschelding-vermindering-btw-boete-evenredigheidsbeginsel-rechtbank-hasselt-2023-02-16-180a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijke procedure, Kracht van gewijsde, Vaststellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-procedure-kracht-gewijsde-vaststellingen-hof-van-beroep-bergen-2021-10-20-32fc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen
