---
title: "2024/AR/1149 · 23 december 2025 · Recht op aftrek, Economische activiteit · Hof van beroep te Gent"
description: "Recht op aftrek, Economische activiteit, Rechtstreeks en onmiddellijk verband, Bewijslast. Hof van beroep te Gent (België), 23 december 2025, 2024/AR/1149."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-economische-activiteit-rechtstreeks-hof-van-beroep-gent-2025-12-23-8aaa"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, Economische activiteit, Rechtstreeks en onmiddellijk verband

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2024/AR/1149

**Datum**

23 december 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

124 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Gent d.d.23.12.2025 (2024/AR/1149)

WF 709-15-22/009494 - Finaliti 54533432/01

\[ ongunstig arrest \]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Economische activiteit – Rechtstreeks en onmiddellijk verband – Bewijslast – Wettelijke geldboete van 200%*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [70, §1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW

## Samenvatting van het arrest

1\. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de verhuur en lease van schepen. In 2016 wordt het statutair doel uitgebreid met ‘het uitbaten van een Formula Racing Team en het opleiden, trainen, coachen van aspirant Formula en race piloten,…’ (niet limitatief). Daarnaast werd haar economische activiteit uitgebreid met een reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit. Vanaf dat moment nam eiseres allerhande kosten ten laste met betrekking tot de autosportactiviteiten van de twee kinderen van haar bestuurder.

Naar aanleiding van een fiscale controle voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020 heeft de administratie inbreuken op de aftrekregeling vastgesteld. Volgens de administratie wordt het verband tussen de uitgaven voor de racingactiviteit en de belastbare activiteit van eiseres niet voldoende bewezen. Deze inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie waarin de wettelijke geldboete van 200% werd opgelegd.

Tegen dit proces-verbaal werd door eiseres een administratief beroep ingesteld. Bij beslissing van 19 januari 2023 werd het bezwaar met betrekking tot de inbreuk op de aftrekregeling afgewezen.

Op 22 februari 2023 maakte eiseres de zaak aanhangig bij de rechtbank. De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres inzake de racinguitgaven ontvankelijk en gegrond. Gelet op twijfels omtrent de goede trouw van eiseres achtte de eerste rechter evenwel een gedeeltelijke kwijtschelding aangewezen en herleidde hij de geldboete van 200% tot 50%.

De administratie tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis. Eiseres stelde incidenteel hoger beroep in tegen de beslissing van de eerste rechter tot gedeeltelijke vernietiging van de btw-schuld.

2\. Het arrest in hoger beroep

De belastingplichtige heeft eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, Iberdrola, [C-132/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-16-arrest), r.o. 29).

De bewijslast dat de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen rust op de belastingplichtige.

De rechter in hoger beroep stelt vast dat sinds 2016 de raceactiviteit enerzijds en de reclame-, marketing- en sponsoractiviteiten anderzijds gezamenlijk worden ontwikkeld, met het oog op hun wederzijdse financiering en ondersteuning.

Bijgevolg acht het hof het rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de betwiste uitgaven en de economische activiteit van eiseres in hoger beroep afdoende aangetoond. Het feit dat de opbrengsten niet onmiddellijk, maar pas in een latere fase gerealiseerd werden, vormt volgens het hof geen grond om de aftrek van de btw op de in de beginfase gemaakte uitgaven te weigeren op basis van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Dat de autosportactiviteiten van eiseres in hoger beroep ‘geldverslindend’ zouden zijn, verhindert haar niet dat de btw op de kosten niet aftrekbaar is op grond van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Uit de feiten en de vaststellingen blijkt dat de betrokken partijen sinds 2016 de intentie hadden om de raceactiviteiten in een professionele context uit te oefenen met het oog op het duurzaam en bestendig realiseren van opbrengsten.

Volgens het hof heeft de eerste rechter terecht vastgesteld dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek inzake de betwiste racinguitgaven is voldaan.

Het hof van beroep is van oordeel dat de volledige btw-navordering dient te worden vernietigd. Bijgevolg wordt het bestreden vonnis vernietigd.

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het hof van beroep van Gent dd.23/12/2025**

**2024/AR/1149**

2024/AR/1149 - In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT,** ON 0308.357.159

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal - Directeur KMO Centrum Aalst 772, met burelen te 9300 AALST, Dr. André Sierensstraat,

*appellant,*

*hebbende als raadsman mr. VAN HECKE Reinhard, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Antwerpsesteenweg 283 - 283A*

tegen

**cie1,** ON ...,

met zetel te ...,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. VERCAUTEREN Vincent, advocaat te 2600 BERCHEM, Grotesteenweg 214 bus 4* ***en*** *mr. ANIL Tayfun, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C bus 419*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 12 juli 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 23 mei 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 23/525/A. Dit vonnis werd op 19 juni 2024 op verzoek van de geïntimeerde aan de appellant betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 november 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De geïntimeerde werd opgericht bij notariële akte van 1 maart 2010. Zij is sinds 1 juni 2010 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer ... voor de economische activiteit van verhuur en lease van schepen, als hoofdactiviteit, en overige sportactiviteiten, als nevenactiviteit, en sinds 10 augustus 2020 als zelfstandig werkende sportbeoefenaars, als hoofdactiviteit.

Op 5 november 2010 werd de heer F.C. aangeduid als niet-statutaire zaakvoerder. Zijn mandaat eindigde op 31 augustus 2022. Op 27 augustus 2021 werden G.C. en A.C., de zonen van de heer F.C., benoemd tot niet-statutaire zaakvoerders. Hun mandaat eindigde op 31 augustus 2022. Met ingang van 1 september 2022 werden cie2, met als vaste vertegenwoordiger G.C., en cie3, met als vaste vertegenwoordiger A.C., benoemd als niet-statutaire bestuurder.

Het resultaat van geïntimeerde gedurende de eerste zes boekjaren was afkomstig uit de verhuur van boten, m.n. de boot 'Klaas Westland'. In de loop van 2016 werd de activiteit van de geïntimeerde uitgebreid met een racingactiviteit en een reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit.

2.2. De partijen voeren een discussie omtrent de aftrekbaarheid van de kosten verbonden aan de racingactiviteiten gedragen door de geïntimeerde op grond van artikel 49 WIB92. In dit kader werd in de inkomstenbelasting een bericht van wijziging van aangifte verstuurd voor aanslagjaar 2018 op 26 juli 2021, waarin de aftrekbaarheid van o.m. deze kosten werd verworpen. De geïntimeerde verklaarde zich hiermee niet akkoord bij brief van haar raadsman van 30 augustus 2021, maar de administratie bleef bij haar standpunt. Op 23 september 2021 werd aan de geïntimeerde een kennisgeving van beslissing tot taxatie verstuurd.

Op basis van voormelde procedurele stukken in de vennootschapsbelasting en de boekhouding van de geïntimeerde voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020, werd op 17 november 2021 een proces-verbaal inzake btw opgesteld, waarin de volgende overtredingen op de toepasselijke btw-regelgeving voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020 werden vastgesteld: (i) een inbreuk op de aftrekregeling aangezien de geïntimeerde niet in het bezit was van een factuur voor een dienst geleverd voor een bedrag van 2.000,00 euro, en (ii) inbreuken op de aftrekregeling aangezien de goederen en diensten aangekocht voor de racingactiviteit gevoerd door de geïntimeerde niet werden gebruikt voor het verrichten van een btw-activiteit maar bestemd zijn geweest voor private doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. De administratie verwierp het recht op aftrek o.m. met de volgende motivering: *"Sinds 2010 is de heer F.C. zaakvoerder en aandeelhouder van de vennootschap. Tot 31.12.2015 kenmerkt de vennootschap zich door hoog oplopende kosten en verliezen uit de activiteit van 'verhuur van boten'. Onder de kosten bevinden zich de* *uitgaven voor de privaat gebruikte boot 'Klaas Westland'. In de loop van 2016 wordt de activiteit van de vennootschap aangevuld met de activiteit van 'het uitbaten van een Formula Racing Team en het opleiden, trainen, coachen van aspirant Formula en racepiloten, ...'.*

*Vanaf dat ogenblik maakt de vennootschap, naast de doorlopende 'bootkosten' allerhande kosten die te maken hebben met de lancering van twee kinderen van de heer F.C. in de autosport. Het betreft G.C. (° ...) en A.C. (° ...), respectievelijk 18 en 15 jaar oud in 2017.*

*De administratie stelt vast dat de vennootschap de opgesomde kosten in het persoonlijk belang van de zaakvoerder maakt, namelijk het financieren van de beoefening van de autosport door de kinderen G. en A.. Deze kosten dienen niet de belangen van de vennootschap en zijn niet gericht op het stellen van met btw belaste handelingen, maar zijn gericht op het dienen van het individueel belang van de zaakvoerder, namelijk de uitbouw van een mogelijke carrière van de kinderen in de autosport. Het is hoogst ondenkbaar dat een van de zaakvoerder onafhankelijke vennootschap dergelijke kosten ten laste zou willen nemen in dezelfde omstandigheden.*

*Met behulp van \[de geïntimeerde\] maakt de heer F.C. gebruik van de vennootschapsstructuur om in het kader van de zogenaamde economische activiteit van onder meer 'uitbaten van een Formula Racing Team' de aftrek te bekomen van allerlei racekosten, die wanneer ze persoonlijk zouden gedragen worden geen recht op aftrek geven, noch voor de btw, noch voor directe belastingen.*

*Dat de heer F.C. zich bedient van de vennootschapsstructuur om de aftrek van btw te verkrijgen mag ook blijken uit de door cie1 gegenereerde omzet. De geboekte omzet is eerder misleidend en kan het verkeerde beeld doen ontstaan waaruit een recht op aftrek van de btw kan ontleend worden voor de gemaakte racekosten. Het merendeel van de omzet wordt gefactureerd aan aanverwante vennootschappen, zoals cie4 en cie5, die behoren tot de 'cie6'. Alleszins is het de administratie niet duidelijk welk verband er is tussen de uitgaande en inkomende handelingen. Het merendeel van de geleverde prestaties die gefactureerd worden aan de aanverwante vennootschappen bestaan uit fees die verband houden met vastgoedverrichtingen'. Er is onder meer sprake van 'aanbrengfee', 'succesfee', en 'projectbegeleiding', ... Het is niet geloofwaardig te stellen dat de kosten die de vennootschap maakt en die bijna uitsluitend bestaan uit kosten voor de autosportbeoefening van de kinderen, dergelijke omzet opleveren.*

*Het is hoogst merkwaardig dat er, sinds de lancering van de kinderen in de autosport, dergelijke hoge vergoedingen ontvangen worden door cie1, daar waar voorheen geen dergelijke inkomsten werden gegenereerd. Met andere woorden de btw-belastingplichtige laat uitschijnen dat de beoefening van de autosport en de bootactiviteiten de 'trigger' geweest zijn voor lucratieve verrichtingen.*

*Mochten dergelijke lucratieve verrichtingen plaats gevonden hebben dan zijn deze eerder toe te schrijven aan de prestaties van de heer F.C. zelf, die aan het hoofd staat van de 'cie6'.*

*Veeleer dient de vraag gesteld te worden of de facturatie van de geleverde prestaties niet eerder dient om winsten te verschuiven van de ene aanverwante vennootschap naar de andere, ter financiering van de racekosten, die eigenlijk persoonlijke kosten uitmaken.*

*De 'vastgoedfeest' vormen een kost voor de gelieerde vennootschappen en tegelijkertijd een opbrengst voor cie1 die gebruikt wordt voor de financiering van de race-activiteiten en de bootkosten.*

*Gezien het voorgaande is er geen link tussen de geleverde prestaties en de gemaakte kosten voor de racesport en de bootactiviteiten, waardoor de aftrek van de btw niet kan worden toegestaan (...)."*

De administratie vorderde voor de tweede overtreding btw na voor een bedrag van 547.531,32 euro, alsook een geldboete van 200% (of 1.095.062,64 euro) die werd opgelegd wegens het oogmerk de btw te ontduiken, m.n. het onterecht in aftrek brengen van btw. Deze schuld werd op 28 december 2021 opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500248645227.

De geïntimeerde diende hiertegen een bezwaarschrift in bij brief van haar raadsman van 7 februari 2022. Bij beslissing van 19 januari 2023 werd dit bezwaar ingewilligd wat betreft de eerste vastgestelde overtreding en werd het bezwaar voor het overige afgewezen.

Bij verzoekschrift neergelegd op 22 februari 2023 maakte de geïntimeerde haar vordering aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 23 mei 2024 oordeelde de zesde kamer van deze rechtbank om:

** *de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate;*

** *de administratieve geldboete (van 200%) te herleiden tot 50%,*

** *de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 17 november 2021 (alsook de btw-invordering aan te passen) overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 3.10 en 3.22. rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;*

** *voor het overige de btw-invordering met RCIV-nummer 500/2486/45227 te bevestigen;*

*de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;*

** *de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 24,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld. De geïntimeerde tekende incidenteel hoger beroep aan tegen de beslissing van de eerste rechter tot gedeeltelijke vernietiging van de btw-schuld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellant

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Het vonnis a quo te vernietigen daar waar appellante in het ongelijk werd gesteld;*

*De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren;*

*De geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van het geding, inclusief de toepasselijke*

*rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.*

3.2. De vordering van de ge ïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*De samenhang overeenkomstig artikel 30 Ger. W. te willen bevestigen met de zaak hangende voor Uw Hof, aldaar gekend onder het rolnummer 2024/AR/1145;*

*Het hoger beroep van appellante ongegrond te willen verklaren;*

*Dienvolgens het vonnis a quo te willen bevestigen, met dien verstande dat de boete van 200%, herleid naar 50% door de eerste rechter, volledig ontheven wordt nu de BTW-schuld ten grond integraal werd ontheven;*

*Te horen zeggen voor recht dat concluante de in het proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd is en appellante te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluante terug te betalen, meer de moratoriuminteresten;*

*En tot slot, de Belgische Staat te willen veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, met inbegrip van, doch niet beperkt tot de betaalde verplichte bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24,00 EUR in graad van eerste aanleg en 24,00 EUR in graad van hoger beroep, alsook de rechtsplegingsvergoeding, dewelke wordt begroot op 46.046,51 EUR, op grond van artikel 1022 Ger. W. juncto KB d.d. 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007), zoals van toepassing vanaf 1 maart 2025:*

** *Eerste aanleg:* *22.500,00 EUR*

** *Hoger beroep:* *23.546,51 EUR*

** *Totaal:* *46.046,51 EUR*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Over de samenhang

De geïntimeerde vraagt om de samenhang te bevestigen tussen deze zaak en de zaak met rolnummer 2024/AR/1145, die de aanslag in de vennootschapsbelasting betreft gevestigd in hoofde van de geïntimeerde voor aanslagjaar 2018 volgend op de verwerping van voornamelijk de kosten met betrekking tot de racing- en bootactiviteit.

De rechter oordeelt soeverein over de samenvoeging van zaken op grond van artikel 30 Ger.W. Het hof ziet geen reden om de huidige zaak te voegen met de zaak met rolnummer 2024/AR/1145, ook al zijn de onderliggende feiten deels dezelfde. De ene zaak betreft de btw-navordering en de andere zaak betreft de aanslag in de vennootschapsbelasting. Beide zaken moeten op grond van andere wettelijke bepalingen beoordeeld worden. Aangezien de beide zaken op dezelfde datum werden behandeld en op dezelfde datum worden uitgesproken, is er bovendien geen sprake van een mogelijke onverenigbaarheid van de uitspraken, zoals bedoeld in artikel 30 Ger.W. Evenmin komt de goede rechtsbedeling in het gedrang door de afzonderlijke behandeling van de respectievelijke voorzieningen.

### 4.2. Omtrent de aftrek van btw op aankopen gedaan voor de racingactiviteit

4.2.1. Krachtens [artikel 45, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Het recht op btw-aftrek vormt een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel en is een integrerend deel van de btw-regeling dat in beginsel niet kan worden beperkt (zie o.m. HvJ 18 oktober 2018, *Volkswagen,* [C-153/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-153-17-arrest), r.o. 39).

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt immers dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie o.m. HvJ 24 januari 2019, *Morgan Stanley,* [C-165/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-165-17-arrest), r.o. 30). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, *Iberdrola,* [C-132/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-16-arrest), r.o. 29).

In de mate dat de goederen en diensten worden gebruikt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, is het recht op aftrek uitgesloten. De bewijslast dat de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen rust op de belastingplichtige.

4.2.2. De administratie betwist dat de goederen en diensten aangekocht voor de racingactiviteit gebruikt zijn voor het verrichten van de economische activiteit van de geïntimeerde. Zij stelt dat deze kosten enkel in het persoonlijk belang van F.C., G.C. en A.C. zouden zijn gemaakt, en dat er geen voldoende verband wordt bewezen tussen de uitgaven en de belastbare activiteit. Zij stelt dat de sportactiviteit niet als een economische activiteit kan worden aanzien aangezien er tussen de ermee gepaard gaande uitgaven en de bij de geïntimeerde geboekte opbrengsten geen verband bestaat, en de opbrengsten enkel naar de geïntimeerde worden doorgesluisd om de dure hobby van de zoons te financieren.

De administratie stelt ten onrechte dat er geen bewijs voorligt dat middels de racingactiviteit belastbare handelingen worden verricht. Immers, als economische activiteit worden volgens [artikel 9, §1, tweede lid van de BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitvoering van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Het begrip 'opbrengst' moet in die context worden begrepen in de zin van een vergoeding als tegenprestatie voor de verrichte activiteit. Of een activiteit erop gericht is duurzaam opbrengst te verkrijgen, is een feitelijke vraag bij de beoordeling waarvan alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen (zie ook HvJ 20 juni 2013, [C-219/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest), *Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr,* randnr. 19 e.v.). Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie blijkt uit de definitie van het begrip 'economische activiteit' dat dit begrip een ruime werkingssfeer heeft alsook dat het een objectief karakter heeft, in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd ongeacht het oogmerk of het resultaat van de activiteit (zie ook HvJ 26 juni 2007, C-284/07, *T-Mobile Austria,* randnr. 35; HvJ 20 juni 2013, [C-219/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest), *Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr,* randnr. 17). Dit blijkt ook uit [artikel 9, §1, eerste lid BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) en [artikel 4, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4). Het moet aldus niet gaan om een winstgevende of rendabele activiteit, de handelingen moeten evenmin worden gesteld met het oogmerk er winst uit te halen, en het vennootschapsrechtelijk specialiteitsbeginsel moet niet zijn nageleefd.

Uit het dossier blijkt dat de activiteiten van de geïntimeerde in de loop van 2016 werden uitgebreid met een racingactiviteit en een reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit. Uit de stukken 5 en 6 (bundel geïntimeerde) blijkt alvast dat de broers C. vanaf 2016 deelnamen aan internationale race-competities als lid van internationaal gekende raceteams en dat A.C. in 2021 de enige Belg was in de internationale eenzitters. Uit stuk 7 (bundel geïntimeerde) blijkt dat G.C. in 2016 heeft deelgenomen aan 15 races, in 2017 aan 19 races, in 2022 aan 26 races (waarvan 1 gewonnen en 6 podiumplaatsen), en in 2023 aan 27 racen. Uit stuk 8 (bundel geïntimeerde) blijkt dat A.C. in 2017 heeft deelgenomen aan 21 races, in 2018 aan 58 races (waarvan 7 gewonnen en 19 podiumplaatsen), in 2019 aan 26 races, in 2020 aan 21 races, in 2021 aan 20 races, in 2022 aan 21 races, in 2023 aan 24 races, en in 2024 aan 27 races. A.C. reed in 2025 zijn vierde seizoen in de Formule 2, wat algemeen wordt aanzien als de wachtkamer voor Formule 1, waarvan niet wordt betwist dat met deelname aan de Formule 1 substantiële inkomsten gepaard gaan. Ook voor 2026 heeft A.C. een coureursovereenkomst afgesloten met het racingteam cie8 voor het volledige GT World Challenge Europe-seizoen 2026. In 2023 werden overeenkomsten gesloten krachtens dewelke testdagen werden georganiseerd voor A.C. in de Formule 1. Uit de door de geïntimeerde voorgelegde stukken en persartikels blijkt dat de broers C., die voor de geïntimeerde deelnamen aan deze competities, vanaf 2016 deelnamen aan internationale competities die op een professionele manier worden georganiseerd. Zij namen deel aan deze competities als lid van internationaal gekende raceteams. De geïntimeerde is in de regel de begunstigde van de opbrengsten die voortvloeien uit deze racingactiviteit, wat ook blijkt uit de overeenkomsten die zich in het stukkenbundel van de geïntimeerde bevinden (zie bv. stukken 13, 14, 15, 16 en 17, bundel geïntimeerde). Dat het beoefenen van de autosport geen economische activiteit in de zin van het WBTW was, blijkt niet uit het feit dat de enkele overeenkomsten waarnaar de administratie verwijst, niet mede werden ondertekend door de geïntimeerde of (wat betreft stuk 19, bundel geïntimeerde) niet verduidelijken dat prijzengelden toekomen aan de geïntimeerde. Amateurs kunnen geen deel uitmaken van dergelijke racingteams, kunnen dergelijke overeenkomsten niet sluiten en kunnen niet deelnemen aan dergelijke competities. Het beroepsmatig karakter van de carrière van de broers C. in het formuleracing blijkt ook uit de uitgebreide palmares-overzichten op Wikipedia (Engelstalig, Nederlandstalig en Franstalig; zie stukken 5, 6, 10 en 12, bundel geïntimeerde). Uit dit alles blijkt dat de beide rijders voor de geïntimeerde actief zijn/waren in de autosport op een hoog niveau, dat zij hun activiteiten uitoefen(d)en in een professionele context en op een bestendige manier.

Uit het dossier blijkt tevens dat de geïntimeerde rond deze raceactiviteit, en ongetwijfeld ter financiering van deze activiteit waar het genereren van prijzengeld geen zekerheid is, ook sinds 2016 een reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit heeft ontwikkeld (zie bv. sponsor file, stuk 22, bundel geïntimeerde). De geïntimeerde stelt dat ze een marketingactiviteit uitoefent voor de cie6, dat bedrijfseconomisch de marketing binnen de autosport een belangrijke factor voor de groep is om potentiële klanten te werven en relaties met klanten op te bouwen en te versterken, en dat ze wordt vergoed door middel van 'aanbrengfees', dit is een soort commissie bestaande uit percentage van de waarde van de contracten die tot stand zijn gekomen in het kader van een prestigieus autosport-evenement. Uit het dossier blijkt alvast dat de geïntimeerde sinds boekjaar 2018 belastbare inkomsten uit 'aanbrengfees' heeft behaald van 1.667.920 euro in boekjaar 2019, 1.107.500 euro in boekjaar 2020, 1.750.000 euro in boekjaar 2021 en 4.102.166 euro in boekjaar 2022. Ook blijkt uit het dossier (stukken 20-21, bundel geïntimeerde) dat er sponsorovereenkomsten werden gesloten, waaruit de geïntimeerde (belastbare) inkomsten behaalt. Zo werden er 250.000 euro sponsorinkomsten behaald in boekjaar 2018, 142.555 euro sponsorinkomsten in boekjaar 2021 en 415.649 euro sponsorinkomsten in boekjaar 2022. Dat de reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit volledig losstaat van de raceactiviteit, zoals de administratie beweert, blijkt uit niets en wordt tegengesproken door de stukken. De sponsorovereenkomsten verwijzen uitdrukkelijk naar de raceactiviteiten van de geïntimeerde waarrond een sponsordeal wordt gesloten. Gelet op de aard van de activiteiten van de cie6, is het ook aannemelijk dat de \`aanbrengfees' aan de geïntimeerde werden betaald als vergoeding voor het faciliteren van een bepaalde vastgoedtransactie. De geïntimeerde stelt terecht dat de stelling van de administratie dat deze facilitatie een afzonderlijke activiteit zou betreffen die volledig losstaat van de raceactiviteiten van de geïntimeerde, wordt tegengesproken door het feit dat de aanbrengfees niet voor alle vastgoedprojecten van de cie6 werden betaald. De compartimentering van activiteiten waarvan de administratie uitgaat, houdt ten onrechte geen rekening met de bedrijfseconomische context en de aard van de activiteiten van de geïntimeerde. Deze activiteiten werden alle sinds 2016 gezamenlijk ontwikkeld. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat de ontwikkeling van zowel de reclame-, marketing- en sponsoractiviteit als de raceactiviteit synergieën oplevert eerder dan dat deze beide activiteiten volledig losstaan van elkaar (zie bv. stuk 23, bundel geïntimeerde). De administratie compartimenteert dan ook ten onrechte voor doeleinden van de beoordeling van de economische aard van de raceactiviteit de inkomsten behaald uit de sponsoractiviteit, enerzijds, en de inkomsten behaald uit de aanbrengfees, anderzijds. Dat de aanbrengfees grotendeels (of in bepaalde jaren zelfs uitsluitend) afkomstig zijn uit verbonden vennootschappen uit de cie6, is geen reden om deze opbrengsten te negeren voor doeleinden van de beoordeling of de raceactiviteit al dan niet als een economische activiteit kwalificeert. Dat deze opbrengsten zouden voortvloeien uit fictieve prestaties, blijkt uit niets. De geïntimeerde stelt, en de administratie betwist dit niet, dat de aftrek van (de btw op) deze betalingen bij de betalende vennootschappen niet werd verworpen. Om deze reden is de discussie over het al dan niet fictieve karakter van de facturen die in boekjaar 2018 zijn gericht aan cie7, niet dienend.

Hieruit blijkt dat de raceactiviteit en de reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit samen worden ontwikkeld sinds 2016, ter financiering en ondersteuning van elkaar. Het kan dan ook niet worden ontkend dat de geïntimeerde economische activiteiten verricht, aangezien zij op duurzame, bestendige en professioneel georganiseerde manier streeft naar een vergoeding. Het is niet vereist dat er winst of rentabiliteit wordt nagestreefd; een opbrengst is voldoende. Dat de opbrengsten werden behaald op een ogenblik dat de kost werd gedragen, m.a.w. ter behoud van de liquiditeit, is evenmin een reden om te besluiten dat er geen sprake is van een economische activiteit.

De vraag stelt zich of er tussen de kwestieuze uitgaven en de economische activiteiten van de geïntimeerde een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Het hof is van oordeel dat dit bewijs wel degelijk geleverd is. Immers, zoals hierboven vastgesteld, worden de raceactiviteit en de reclame-, marketing- en sponsoringactiviteit sinds 2016 samen ontwikkeld, ter financiering en ondersteuning van elkaar. Uit voormelde feiten en vaststellingen blijkt duidelijk dat het sinds 2016 de bedoeling van de betrokken partijen was om de raceactiviteiten van G. en A.C. in een professionele context uit te oefenen, en om uit deze activiteiten op duurzame en bestendige manier opbrengsten te behalen. Dat deze professionele context jaar na jaar verder uitgebouwd wordt en afhankelijk is van het carrièreverloop van de sporters, volgt uit de aard van de economische activiteit die, net zoals vele andere economische activiteiten, persoonsgebonden is. Deze bedoeling was duidelijk aanwezig sinds 2016, en wordt niet tegengesproken door de in 2016 nog jonge leeftijd van de sporters. Dat de opbrengsten niet onmiddellijk maar pas naderhand werden gegenereerd, is geen reden om de aftrek van de btw op de uitgaven gemaakt in de beginfase te verwerpen op grond van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Zoals blijkt uit de voorgelegde krantenartikelen, is de autosportactiviteit uitgeoefend door de geïntimeerde een activiteit die kennis en expertise vereist die wordt opgebouwd over de jaren heen. Dat er jaarlijks hogere opbrengsten werden gerealiseerd (zie bv. de omzet van de geïntimeerde in de jaren 2022 en 2023), is dan ook logisch en bevestigt enkel de blijvende bedoeling van de geïntimeerde om middels haar activiteiten opbrengsten te genereren. Dat deze activiteiten 'geldverslindend' zouden zijn, verhindert niet dat de btw op de kosten niet aftrekbaar is op grond van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Dat het carrièreverloop van G.C. anders verloopt dan het carrièreverloop van A.C., is geen reden om aan de intentie van de geïntimeerde vanaf 2016 te twijfelen. Tussen de kosten gemaakt voor het verrichten van de raceactiviteit en de reclame-, marketing- en sponsoringdiensten geleverd door de geïntimeerde voor verwante vennootschappen en derden in de context van deze raceactiviteit, bestaat wel degelijk een rechtstreeks en onmiddellijk verband. Middels de vergoedingen betaald voor de geleverde diensten beoogt de geïntimeerde de kosten voor de raceactiviteit terug te verdienen. De gemaakte kosten hebben rechtstreeks en onmiddellijk geleid tot het behalen van opbrengsten uit het geheel van de economische activiteiten gevoerd door de geïntimeerde.

Het criterium of iemand talent heeft om een economische activiteit gevoerd door een vennootschap te bewerkstelligen, is niet relevant in het kader van de beoordeling op grond van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Het is evenmin relevant dat deze persoon 'graag' de economische activiteit gevoerd door een vennootschap bewerkstelligt. De vraag stelt zich (enkel) of de kosten werden gemaakt in het eigen economisch belang van de geïntimeerde en aldus of er tussen de kwestieuze uitgaven en de economische activiteiten van de geïntimeerde een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Daarbij dient de administratie zich te hoeden voor een (economische) opportuniteitsbeoordeling. Dat de administratie zelf de economische activiteit niet of niet op dezelfde manier zou voeren, is geen reden om de aftrek van voorbelasting op grond van [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) te verwerpen.

4.2.3. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek van btw op de kwestieuze uitgaven vervuld zijn.

De kwestieuze uitgaven betreffen uitsluitend de racingactiviteiten (zie ook lijst van kosten op p. 9-12 van het proces-verbaal, stuk 1 van het bundel van de appellant). Er is geen reden om de btw-navordering deels te bevestigen, zoals de eerste rechter heeft gedaan. Gelet op voormeld oordeel dient dan ook de volledige btw-navordering te worden vernietigd. Het bestreden vonnis wordt om die reden vernietigd.

Bij gebrek aan overtreding en aan verschuldigde btw, dient het middel omtrent de boete niet te worden ontmoet.

## 5. De gerechtskosten

De appellant wordt volledig in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf boven 1.0000.000,01 bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 22.500,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en 23.546,51 euro voor de procedure in hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

** het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

** het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk en gegrond als volgt;

** het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde;

** het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de geïntimeerde gegrond als volgt;

 zegt voor recht dat de geïntimeerde het middels proces-verbaal van 17 november 2021 nagevorderde bedrag aan btw en proportionele geldboete niet verschuldigd is;

 vernietigt de opname in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500/2486/45227 op datum van 28 december 2021 en uitvoerbaar verklaard op 29 december 2021;

 het hof beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde opname in het innings- en invorderingsregister ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met moratoriumintrest;

** het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van de beide

instanties, vastgesteld als volgt:

aan de kant van de appellant (doch te zijnen laste blijvend):

** bijdrage begrotingsfonds hoger beroep : 24,00 EUR

aan de kant van de geïntimeerde:

** bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 24,00 EUR

** rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 22.500,00 EUR

** rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 23.546,51 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **23 december 2025.**

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend Jenny Dammekens, griffier

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 9 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) 2 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[C-132/16, arrest van 14 september 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-16-arrest) 2 voorkomens

[C-219/12, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest) 2 voorkomens

[C-153/17, arrest van 18 oktober 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-153-17-arrest) 1 voorkomen

[C-165/17, arrest van 24 januari 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-165-17-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Belastingplicht, Economische activiteit, Investeringen, Oorspronkelijke kunstwerken, belastbaarheid, kunstvoorwerp](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-economische-activiteit-investeringen-cassatie-brussel-2024-02-22-11ab) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Economische activiteit, Rechtstreeks en onmiddellijk verband](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-economische-activiteit-rechtstreeks-rechtbank-bergen-2025-12-01-85f6) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-weigering-boekhoudkundige-stukken-rechtbank-luxemburg-2024-12-18-ffcb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Economische activiteit, Economisch karakter, Winstmarge](https://juriel.be/nl/rechtspraak/economische-activiteit-economisch-karakter-winstmarge-rechtbank-brussel-2023-02-23-49ee) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Uitoefening van een economische activiteit, Aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-uitoefening-economische-activiteit-aftrek-rechtbank-2021-09-03-5ad2) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby](https://juriel.be/nl/rechtspraak/paardenfokkerij-recht-aftrek-economische-activiteit-rechtbank-2022-11-24-c56d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-economische-activiteit-uitbating-rechtbank-2020-09-07-ca78) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen
