Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23.12.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op drieëntwintig december tweeduizend en elf in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk ·arrondissement Antwerpen, waar zetelden :
P. W., rechter,
N. V., griffier,
Inzake AR nr. 05/1830/A
NV K. M. C.,
NV KMC, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester B. V. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 maart 2005,
- de conclusies en stukken van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 december 2011.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 6 december 2004 en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2004, te vernietigen, minstens te hervormen, dienvolgens de terugbetaling te verkrijgen van de BTW, inclusief administratieve geldboeten en nalatigheidsintresten, en dit voor een totaal bedrag van 157.816,11 EUR, zoals reeds betaald door eiseres ingevolge een aanmaning tot betaling van 6 december 2004, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig de wet, alsmede de kapitalisatie van de intresten overeenkomstig artikel 1154 BW, in ondergeschikte orde wat betreft het BTW-regime terzake de door eiseres aangekochte kledij bij NV C. F. R. een BTW-aftrek ten belope van 20 % op deze kledij toe te staan, desgevallend een waardevermindering te hanteren ten belope van 80 % op deze kledij, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een onttrekking op grond van artikel 12, § 1, 2° W.BTW zich opdringt, en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.
Beoordeling
Betreffende de ontvangen facturen van de NV G. M. F.
Krachtens artikel 45, § 1 W.BTW, waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten bestemt voor zijn economische activiteiten die onderworpen zijn aan de BTW.
De belastingplichtige, die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.
Te dezen ontving eiseres maandelijks een inkomende factuur van de NV G. M. F. met vermelding "beheersvergoeding".
Eiseres, die het recht op aftrek inroept, moet de echtheid bewijzen van de dienstprestaties van de NV G. M. F., doch faalt in haar bewijslast.
Eiseres kan met betrekking tot deze beheersvergoedingen geen schriftelijke overeenkomst en/of stavingsstukken overleggen, maar bovendien heeft haar volmacht drager bij de controle verklaard dat de reden van deze factureringen enkel was om de winst van eiseres te verlagen om tegenover de Koreaanse leverancier lagere winstcijfers te tonen en alzo gunstige aankoopprijzen te kunnen bedingen.
Eiseres beweert thans weliswaar dat aan de facturen wel effectieve dienstprestaties van de NV G. M. F. ten grondslag liggen, doch deze beweringen worden niet het minst bewezen en worden trouwens door geen enkel objectief en controleerbaar gegeven bevestigd.
Aangezien eiseres in haar bewijslast faalt om aan te tonen dat aan de facturen effectieve dienstprestaties ten grondslag liggen, wordt het neutraliteitsbeginsel geenszins geschonden door de verwerping van de BTW-aftrek.
Niettegenstaande de BTW-aftrek in het verleden zou aanvaard zijn, wordt het vertrouwensbeginsel hierdoor geenszins geschonden nu alsdan geen enkele controle had plaatsgevonden.
Verder dient te worden opgemerkt dat eiseres weliswaar beweert dat de werkelijkheid van de dienstprestaties van de NV G. M. F. wel werd aanvaard inzake directe belastingen, doch dit is een loutere bewering die niet het minst wordt bewezen, te meer nu uit de akkoordverklaring van 12 november 1997 en uit de directorale beslissing van 9 augustus 2005 integendeel blijkt dat de facturen voor de beweerde dienstprestaties slechts werden aanvaard in zoverre zij fiscaal neutraal zijn en dat, wanneer de gezamenlijke belastbare basis lager was dan in het geval de facturen voor de beweerde dienstprestaties niet zouden betaald zijn, dit bedrag in de belastbare basis werd opgenomen; in de directorale beslissing werd nog uitdrukkelijk vermeld dat er binnen de groep winstoverhevelingen waren; de akkoordverklaring van 12 november 1997 en de directorale beslissing van 9 augustus 2005 tonen bijgevolg geenszins aan dat de werkelijkheid van de dienstprestaties werd aanvaard, doch tonen juist het tegendeel aan.
Er is dan ook geen sprake van dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden.
Aangezien eiseres in haar bewijslast faalt om aan te tonen dat aan de facturen effectieve dienstprestaties ten grondslag liggen, werd de BTW-aftrek dan ook terecht verworpen.
Betreffende de ontvangen factuur van de NV C. F. R. voor kledij
Het staat ontegensprekelijk vast dat het geen specifieke beroepskledij betreft, doch wel gewone kledij en dat deze kledij in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt of als zodanig dient, hetgeen voldoende is om de BTW-aftrek dienaangaande te verwerpen.
Nergens uit blijkt dat dienaangaande het vertrouwensbeginsel werd geschonden.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zijn beide partijen in hun conclusies akkoord met een bedrag van 5.500,00 EUR na indexering, waarvan de rechtbank akte kan verlenen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op 5.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
N. V. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.