---
title: "Recht op aftrek, Bewijs recht op aftrek · Hof van beroep te Gent, 24 december 2019"
description: "Recht op aftrek, Bewijs recht op aftrek, Voorwaarden uitoefening van het recht op aftrek. Hof van beroep te Gent (België), 24 december 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijs-voorwaarden-uitoefening-hof-van-beroep-gent-2019-12-24-e55c"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, Bewijs recht op aftrek

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

24 december 2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

86 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.12.2019

WF 709-15-16/053963

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Bewijs recht op aftrek – Voorwaarden uitoefening van het recht op aftrek - Vermeldingen op factuur*

## Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 45 §1

## Samenvatting

## 1) Feiten en procedure in eerste aanleg

De belastingplichtige is geregistreerd voor de activiteit van ontwikkeling van residentiële bouwprojecten. Ze was de eigenares van een nieuwbouwpand, dat ter beschikking werd gesteld aan een restaurant-hoteluitbater. Op 5 augustus 2009 werd met deze uitbater een overeenkomst "toekenning om recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen" afgesloten.

Naar aanleiding van een fiscale controle stelde de administratie vast dat de btw-aangiften van het 3de en 4de kwartaal 2013 een bedrag van 28.899,05 euro vermelden in vak 62, als tegoed in het voordeel van belastingplichtige. De administratie stelde vast dat een groot bedrag aan btw op nutsvoorzieningen in aftrek werden gebracht. Volgens de administratie hebben deze kosten betrekking op de uitbating van het hotel en restaurant die volgens de overeenkomsten door de belastingplichtige ten onrechte in aftrek zijn gebracht. Volgens de administratie waren er nog andere inbreuken vastgesteld wegens het niet in bezit zijn van regelmatige facturen.

Op 2 augustus 2016 verstuurde de administratie een dwangbevel. Daartegen werd met een verzoekschrift van 15 november 2016 een rechtsvordering gesteld door de belastingplichtige.

De rechtbank van eerste aanleg te Gent verklaart de vordering van belastingplichtige ontvankelijk doch ongegrond. De belastingplichtige stelt tegen het vonnis hoger beroep.

## 2) Arrest van het hof van beroep

## *a) de btw-aftrek voor kosten van nutsvoorzieningen restaurant/hotel, sanitaire kosten en voedingswaren*

De belastingplichtige (appellante) benadrukt dat in de voormelde overeenkomst een forfaitaire prijs was bepaald en de partijen overeenkwamen dat in die prijs alles begrepen was, inclusief de nutsvoorzieningen voor het hotel en restaurant.

Het hof oordeelt dat de overeenkomsten slaan op vergoedingen waarop de belastingplichtige in uitvoering van de overeenkomst aanspraak kunnen maken. De kosten voor nutsvoorzieningen kunnen daaronder niet begrepen worden. Die kosten kunnen niet worden aangemerkt als vergoeding voor de terbeschikkingstelling van de bepaalde ruimtes, maar hebben betrekking op de levering van nutsvoorzieningen aan de uitbater van het restaurant en hotel. De overeenkomsten bevatten geen bepaling over de doorrekening van de kosten voor nutsvoorzieningen.

[Artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) voorziet over de aftrekbaarheid van btw dat deze betrekking moet hebben op goederen en diensten die bestemd zijn voor de economische activiteit van de belastingplichtige. De belastingplichtige wenst de btw in mindering te brengen van kosten die betrekking hebben op de economische activiteit van de restaurant-hoteluitbater.

Ook wat betreft andere kosten heeft de administratie terecht aangenomen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van [art. 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

Deze kosten zijn terecht niet aanvaard.

### *b) het voorleggen een regelmatige factuur*

De administratie heeft ook de aftrek van de btw verworpen met betrekking tot bepaalde facturen wegens het ontbreken van bepaalde vermeldingen op deze facturen. Uit het overzicht dat de administratie voorlegt van die facturen blijkt dat het geen verwaarloosbare maar essentiële onregelmatigheden betreffen die het onmogelijk maken om de facturen te controleren, namelijk het ontbreken van de naam van de gecontroleerde belastingplichtige; de datum en het nummer van de factuur. In andere situaties betreft het een aftrek van btw op basis van een leveringsbon, bestelbon, verzekeringskwitantie of kasticket. De belastingplichtige legt deze facturen bovendien niet voor en komt niet tegemoet aan de op haar rustende bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van art.[45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) WBTW.

De belastingplichtige wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer, 24 december 2019**

Rol: 2018/AR/1619

In de zaak van:

**F.-P. N.V**., ON 0871...., met maatschappelijke zetel te ..., appellante, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANClEN**. Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Generaal-Centrumdirecteur KMO Centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...,

wijst het hof het volgend arrest:

## 1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 augustus 2018 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 8 mei 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 16/4345.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 december 2019, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is geïdentificeerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van ontwikkeling van residentiële bouwprojecten. Ze was de eigenares van een nieuwbouwpand gelegen te .... Het pand is ingericht als hotel met restaurant.

De appellante sloot op 5 augustus 2009 met O. bvba, een overeenkomst 11 toekenning om recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen". Bij deze overeenkomst verleende de appellante aan O. bvba het recht om in het gedeelte 'hotel' van het voormelde pand in eigen beheer en voor eigen rekening, het hotel uit te baten. De appellante sloot op 1 juli 2010 met O. bvba ook een overeenkomst "toekenning om recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen", houdende het recht om in het gedeelte 'restaurant' van het pand te Wetteren in eigen beheer en voor eigen rekening, het restaurant uit te baten.

Bij vonnis van 14 oktober 2013 werd het faillissement uitgesproken van O. bvba. De appellante heeft nadien het hotel en het restaurant uitgebaat.

De beide overeenkomsten voorzien een maandelijkse vaste vergoeding.

De administratie voerde bij de appellante een fiscale controle uit. De btw aangiften van het 3de en 4de kwartaal 2013 vermelden in vak 62 een bedrag van 28.899,05 euro, zijnde een tegoed in het voordeel van de appellante. De administratie stelde naar aanleiding van de controle vast dat een groot bedrag aan btw op nutsvoorzieningen in aftrek werden gebracht. Volgens de administratie hebben deze kosten betrekking op de uitbating van het hotel en restaurant die volgens de overeenkomsten gebeurt door O. bvba en door de appellante ten onrechte in aftrek zijn gebracht. Volgens de administratie waren er nog andere inbreuken vastgesteld wegens het niet in bezit zijn van regelmatige facturen. Bij gebreke aan een reactie van de appellante verstuurde de administratie op 4 maart 2016 naar de appellante een correctieopgave per e-mail. Op 28 april 2016 liet de boekhouder van de appellante weten niet akkoord te kunnen gaan met de correctieopgave. Op 26 juli 2016 werd een proces-verbaal van regularisatie betekend. Op 2 augustus 2016 verstuurde de administratie naar de appellante een dwangbevel, houdende de vordering tot betaling van het bedrag van 21.288,60 euro.

Met een verzoekschrift van 15 november 2016 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 8 mei 2018 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond. Stelt vast dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3 De vorderingen van de partijen

### *3.1* *De vordering van de appelante*

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het ingestelde hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren. Dientengevolge het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende;

Het bestreden dwangbevel nr. 500/1673/45584 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat concluante de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, boeten, intresten en kosten verschuldigd zijn;

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art.1022 Ger. Wb, in hoofde van concluante begroot als volgt:

\- RPV eerste aanleg: € 2.400

\- RPV beroep: € 2.400

### *3.2* *De vordering van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, maar het af te wijzen als ongegrond;

Het bestreden vonnis en het bestreden dwangbevel ten bedrage van 21.288,60 euro, geviseerd op 15/09/2016, te bevestigen;

De appellante te veroordelen tot de kost en van de procedure, inclusief de rechtsplegingvergoeding van€ 2.400,00

## 4 De betwistingen en hun beoordeling

***4.1*** ***Eerste\_middel: de btw-aftrek voor kosten van nutsvoorzieningen restaurant/hotel sanitaire kosten en voedingswaren.***

De appellante benadrukt dat in de voormelde overeenkomsten een forfaitaire prijs was bepaald en de partijen overeen kwamen dat in die prijs alles begrepen was, inclusies de nutsvoorzieningen voor het hotel en restaurant.

Die stelling van de appellante vindt geen steun in de artikelen 8.1 en 8.2 van de overeenkomst van 1 juli 2010. Artikel 8.3 van de overeenkomsten slaan op vergoedingen waarop de opdrachtgever of de medecontractant in uitvoering van de overeenkomst aanspraak kunnen maken. De kosten voor nutsvoorzieningen kunnen daaronder niet begrepen worden. Die kosten kunnen niet worden aangemerkt als vergoeding voor de terbeschikkingstelling van de bepaalde ruimtes, maar hebben betrekking op de levering van nutsvoorzieningen aan de uitbater van het restaurant en hotel. De overeenkomsten bevatten geen bepaling over de doorrekening van de kosten voor nutsvoorzieningen.

Artikel 45, §1 W.btw voorziet over de aftrekbaarheid van btw dat deze betrekking moet hebben op goederen en diensten die bestemd zijn voor de economische activiteit van de belastingplichtige. De appellante wenst de btw in mindering te brengen van kosten die betrekking hebben op de economische activiteit van O. bvba, die namelijk op basis van de voormelde overeenkomsten de uitbating verzorgt van het hotel en het restaurant. De kosten waren niet bestemd voor de economische activiteit van de appellante.

De administratie oordeelde terecht overeenkomstig artikel 45 W.btw en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen dat aangezien het hotel en restaurant werden uitgebaat door O. bvba, de appellante de btw op de kosten voor nutsvoorzieningen (elektriciteit, water, gas, telefoon) niet in aftrek kan nemen.

Ook de kosten voor sanitair zijn contractueel ten laste van de uitbater van het hotel en het restaurant. Dit is als volgt bepaald in artikel 1.4 van de overeenkomsten:

> *"De medecontractant zal de ter beschikking gestelde inrichting onderhouden en alle nodige grote en kleine herstellingen uitvoeren op zijn kosten (...)."*

De kosten voor brandbeveiliging, voeding en vis zijn geen goederen of diensten die bestemd waren voor de economische activiteit van de appellante. Het zijn kosten die onmiskenbaar betrekking hebben op de uitbating van het hotel en restaurant die in de gecontroleerde periode gebeurde door O. bvba. Ook wat betreft deze kosten heeft de administratie terecht aangenomen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45, §1 W.btw. Deze kosten zijn terecht niet aanvaard.

O. bvba heeft op 6 juli 2013 een bedrag van 53.226,46 euro doorgefactureerd aan de appellante. Dit zouden kosten zijn met betrekking tot het gebouw. De appellante legt de factuur echter nog steeds niet voor. Uit het administratief dossier blijkt dat het kosten betreffen die aangerekend zijn door leverancier Win computers en om onderhoudskosten (o.m. betreffende de lift). Die kosten vallen overeenkomstig artikel 1.4 van de overeenkomsten ten laste van de uitbater. Aangezien de appellante bovendien de factuur nog steeds niet voorlegt, kan evenmin het hof de inhoud ervan controleren. De appellante komt niet tegemoet aan de op haar rustende bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel artikel 45, §1 W.btw. Ook de aftrek van btw op deze doorgefactureerde kosten werd terecht verworpen.

Waar de appellante zich beroept op een groepsbelang en de continuïteit van de groep, bewijst de appellante die stelling niet concreet en voorziet de wet geen uitzondering op artikel 45 W.btw wegens een groepsbelang. De appellante bewijst niet dat de tenlasteneming van deze kosten kadert binnen een kwijtschelding van schuld ten behoeve van O. bvba.

***4.2*** ***Tweede middel: het ontbreken van een regelmatige factuur.***

De administratie heeft ook de aftrek van de btw verworpen met betrekking tot bepaalde facturen wegens het ontbreken van bepaalde vermeldingen op deze facturen. Uit het overzicht dat de administratie voorlegt van die facturen blijkt dat het geen verwaarloosbare maar essentiële onregelmatigheden betreffen die het onmogelijk maken om de facturen te controleren, namelijk het ontbreken van de naam van de gecontroleerde belastingplichtige; de datum en het nummer van de factuur. In andere situaties betreft het een aftrek van btw op basis van een leveringsbon, bestelbon, verzekeringskwitantie, kasticket. De appellante legt deze facturen bovendien niet voor en komt ook hier niet tegemoet aan de bewijslast die zij draagt.

## 5 De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• Het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 24 december 2019.

Aanwezig: ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-hof-van-beroep-antwerpen-2021-02-0056) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf, ongerechtvaardigde verrijking, teveel afgedragen btw, teruggave, aangerekende Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-ongerechtvaardigde-verrijking-teveel-afgedragen-hof-van-beroep-gent-2023-01-17-13de) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, Financiële handelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-financiele-handelingen-rechtbank-hasselt-2021-02-04-167c) 1 gemeenschappelijke bepalingen
