Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van een onroerend goed · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 28 juni 2013

Zoeken

Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van een onroerend goed

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsmatig-gebruik-onroerend-rechtbank-brussel-2013-06-28-a9be

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
28 juni 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dd. 28.06.2013

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Beroepsmatig gebruik van een onroerend goed

Samenvatting

Criteria voor het bepalen van het percentage beroepsmatig gebruik van een onroerend goed.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg, 33ste Kamer te Brussel dd. 28/06/2013

AR. 2012/404/A

In zake van:

ebvba C. met zetel te …,

Vertegenwoordigd door Mevr. P. S., zaakvoerster

EISENDE PARTIJ

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, met kantoren te 1000 Brussel, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het B.T.W. ontvangkantoor Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32

Vertegenwoordigd door de heer J. A. en door mevr. M. S., ambtenaren e.a inspecteurs

VERWEERDER

In deze zaak, in beraad genomen op 19/04/2013, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9/01/12;

• de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in

toepassing van art. 747 Ger. W. dd. 20/02/12;

• de conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op 31/05/2012;

• de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 17/04/2012;

• de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 25/02/2013;

• de nota van verwerende partij neergelegd op 19/04/2013;

• het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter griffie op 31/05/2012;

• het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter griffie op 17/04/2012 (aangehecht aan conclusies neergelegd op 17/04/2012);

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 19/04/2013 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. VOORAFGAANDELIJK

Verwerende partij verzoekt om de door eisende partij op 25/02/13 neergelegde conclusies uit de debatten te weren omwille van het feit dat ze laattijdig zijn neergelegd.

Eisende partij betwist niet dat ze laattijdig zijn neergelegd.

Nu de conclusies door eisende partij neergelegd op 25/02/13 buiten de in de beschikking tot regeling van conclusietermijnen bepaalde termijn( en) voor eisende partij is neergelegd en partijen in onderling akkoord geen afwijking overeengekomen waren dienen deze conclusies en de eraan vastgehechte stukken uit de debatten te worden geweerd.

2. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T. W. N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2008- 4/05/2011 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van art. 45§1 W.B.T.W. (aftrekregeling).

Omdat er geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de B.T.W. wetgeving en een proces-verbaal van vaststelling op 12/12/11.

Vervolgens werd op 25/01/12 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30/01/12 en middels aangetekend schrijven op 3/02/13 aan eisende partij betekend.

Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder:

B.T.W. : €11 574,35

Geldboeten : € 1 150,00

Interesten : p.m.

D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9/01/12 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voor de behandeling van dit geschil zijn voorts nog relevant dat eisende partij een activiteit als accountant uitoefent. Zij gebruikt een gedeelte van de aan de orde zijnde woning (een gezinswoning) als kantoor.

Eisende partij is voor 80% blote eigenaar van het pand, de zaakvoerster van eisende partij is voor 20% blote eigenaar en zou zelf 80% van het vruchtgebruik van het goed bezitten.

3. VOORWERP VAN DE VORDERING

De rechtbank denkt uit de conclusies van eisende partij samengevat te kunnen afleiden dat de vordering van eisende partij ertoe strekt het dwangbevel dd. 25/01/12, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30/01112 en betekend op 3/02/12 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht in die mate dat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat zij haar woning voor 50% beroepsmatig gebruikt, en dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W., geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn in de mate de Fiscale Administratie haar op dat vlak te kort doet door geen 50% beroepsgebruik te aanvaarden maar 31 %.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van B.T.W., boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

4. BEOORDELING

4.I. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder. Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

4.II. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat zij, in tegenstelling tot wat de Fiscale Administratie aanneemt, meer dan 31%van de woning beroepsmatig gebruikt, namelijk 50%.

Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eisende partij 31% beroepsmatig zou gebruiken, en verwijst naar de berekening aan de hand van de oppervlakte in het proces-verbaal.

Beoordeling

Uit het dossier blijkt dat de zaakvoerster van eisende partij op 12/04/10 een verklaring indiende waaruit blijkt dat ze het onroerend goed in kwestie hetzij uitsluitend hetzij hoofdzakelijk als privé woning gebruikt (stuk 5 bundel verweerder). Daardoor genoot ze een tarief van 6% B.T.W. op een schijf van €50 000,00.

Verder blijkt uit het dossier dat het pand in hoofdzaak een privé woning is.

Dit zijn gegevens (m.a.w. overheersend privé - gebruik) waar men niet om heen kan. Desalniettemin is er een zeker beroepsmatig gebruik, hetgeen ook door de Fiscale Administratie wordt aangenomen.

Partijen vertrekken van de indeling van het gebouwen van de aan de lokalen verbonden opper-vlaktes.

De rechtbank wenst er vooreerst op te wijzen dat er geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat het beroepsmatig gebruikt gedeelte aan de hand van de (gebruikte) oppervlakte dient te worden bepaald.

De oppervlakte vormt één criterium, een logisch criterium maar er kan/dient ook met andere criteria rekening worden gehouden zoals o.m. intensiteit van het gebruik en belangrijkheid van de gebruikte lokalen.

Rekening houdend met dergelijk uitgangspunt kan eisende partij niet gevolgd worden waar ze stelt dat de inkomhal 100% beroepsmatig wordt gebruikt, en ook niet met het gegeven dat de ruimte die als wachtruimte wordt gebruikt 100% beroepsmatig wordt gebruikt. De uitleg van het gebruik van de achterdeur is niet ernstig.

Dat een gedeelte van de leefruimte bij gelegenheid (of zelfs regelmatig) als vergaderruimte wordt gebruikt kan worden aangenomen.

Hetzelfde geld voor de keuken die zowel privé als voor het kantoor dienst doet en voor het toilet.

Het bureel wordt dan weer 100% beroepsmatig gebruikt.

De stookplaats en de ruimte voor de server worden voor 50% beroepsmatig gebruikt.

Ook een groot gedeelte van de zolder wordt beroepsmatig gebruikt als archiefruimte en opslagruimte. Vandaar dat de trap en de passage ook beroepsmatig worden gebruikt.

Mogelijks maakt/maken de zaakvoerster en haar medewerkster af en toe ook eens gebruik van het terras.

Rekening houdend met dit alles, waaronder meerbepaald dat de oppervlakte geen verplicht/uniek/exclusief criterium is maar een criterium dat samen met andere factoren zoals de intensiteit van het beroepsgebruik en de belangrijkheid van de lokalen (een bureel en leefruimte wegen zwaarder dan een zolder en een stookplaats) in aanmerking moet worden genomen bepaalt de rechtbank het beroepsgebruik inzake ex aequo et bono op 37,5%.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg deels gegrond te worden verklaard.

5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is en deels gegrond gegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Nu eisende partij geen beroep deed op een raadsman heeft zij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. De waarde van het geschil dient dan ook niet te ,worden bepaald.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37,41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt het bestreden dwangbevel dd. 25/01/12, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30/01/12 en betekend op 3/02/12 in die mate dat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de woning voor 37,5% beroepsmatig wordt gebruikt, zegt voor recht dat de bedragen in het dwangbevel vermeld ten titel van B.T.W., geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn in de mate er geen rekening wordt gehouden met 37,5% beroepsmatig gebruik.

Veroordeelt verwerende partij tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel teveel uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van B.T.W., boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Veroordeelt verwerende partij tot betaling van de gedingkosten,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 28 juni 2013.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. L. : rechter

Mevrouw L. D. :afgevaardigd griffier