---
title: "Recht op aftrek, beroepsgebruik · Hof van beroep te Antwerpen, 27 februari 2024"
description: "Recht op aftrek, beroepsgebruik, privéwoning zaakvoerder, recht op aftrek van Btw, beroepswerkzaamheid. Hof van beroep te Antwerpen (België), 27 februari 2024."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsgebruik-privewoning-zaakvoerder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-02-27-22ef"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, beroepsgebruik, privéwoning zaakvoerder

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

27 februari 2024

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

101 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest hof van beroep Antwerpen d.d. 27.02.2024

## Titel van het document

Arrest hof van beroep Antwerpen dd. 27.02.2024 - Rolnummer: 2022/AR/1647

Gunstig arrest

## Trefwoorden Geschillen

Belasting over de toegevoegde waarde – recht op aftrek – beroepsgebruik – privéwoning zaakvoerder

Wettelijke bepalingen

[Art. 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)

## Samenvatting van het vonnis/het arrest

1\. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Naar aanleiding van een btw-controle voor de periode 2016 – 2017 stelde de administratie inbreuken vast op de aftrekregeling inzake btw.

De administratie stelde vast dat de woning van de zaakvoerder en aanpalende delen, zoals zwembad, stallingen en andere bijgebouwen geheel of gedeeltelijk continu ter beschikking zijn voor het private gebruik door de zaakvoerder en zijn gezin en dat mogelijk een gedeelte van de woning en bijgebouwen gebruikt wordt voor de activiteit van bed & breakfast. De administratie stelde dat de kosten die daaraan verbonden zijn slechts kunnen aanvaard worden wanneer het bewijs van het bestaan van deze activiteit wordt geleverd. De administratie stelde dat een eventueel beroepsgebruik van de woning, het zwembad, bijgebouw, paardenstallen enz. niet op ernstige wijze kon worden vastgesteld. Er volgde een btw-navordering ten bedrage van 167.077,10 EUR aan verschuldigde btw, een geldboete ten belope van 19.750,00 EUR, meer intresten.

Aangezien eiseres in hoger beroep het hiermee niet eens was, tekende zij verzet aan.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, in de mate dat de btw-aftrek van de kosten en investeringen met betrekking tot het hoofdgebouw geacht worden voor 20% overeen te stemmen met een werkelijk gebruik voor de economische activiteiten van eiseres in hoger beroep en bestemd zijn voor het stellen van belastbare handelingen. Met betrekking tot het gastenverblijf, de garage/carport, de paardenstallen, het zwembad en de tuin oordeelde de eerste rechter dat het beroepsgebruik niet werd aangetoond.

Tegen dit vonnis heeft eiseres hoger beroep aangetekend.

2\. Het arrest in hoger beroep

Het hof van beroep stelt dat in toepassing van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

Het komt eiseres in hoger beroep toe het beroepsmatig gebruik van het betrokken onroerend goed aan te tonen.

Daarbij is het irrelevant dat de eerste rechter aanvaardt dat 20% van het hoofdgebouw, zijnde de woning, beroepsmatig wordt gebruikt. Het gedeeltelijk beroepsmatig gebruik van het hoofdgebouw bewijst niet het beroepsmatig gebruik van de bijgebouwen, tuin, zwembad e.d..

Het enkele feit dat aan eiseres in hoger beroep een management fee werd betaald voor haar managementactiviteiten, bewijst niet het beroepsmatig gebruik van het volledige onroerend goed. Het hof stelt dan ook vast dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat het hoofdgebouw voor meer dan 20% en voor meer dan de managementactiviteiten beroepsmatig werd aangewend.

Bij gebrek aan enige bewijs van het beroepsmatig gebruik van de carport/garage, werd de aftrek van de btw met betrekking tot deze kosten terecht verworpen. Enig bewijs van beroepsmatige aanwending van de tuin, het zwembad en de paardenstallen wordt evenmin geleverd.

Het bestreden vonnis wordt integraal bevestigd.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**A. BV**, ON 04…88, met zetel te …

eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. V.V., advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), … en mr. A.T., advocaat te 1000 BRUSSEL, …

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 februari 2022, gekend onder rolnummer 20/4673/A

tegen

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financién, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR-GENERAAL-** **DIRECTEUR VAN HET KMO MECHELEN 767**, met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20,

verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw W.M., fiscaal ambtenaar (kenmerk:71…)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 februari 2022, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 11 oktober 2022 en ingeschreven op 13 oktober 2022, waarbij tijdig hoger beroep werd ingesteld.

**1. Feitelijke en procedurele retroacta.**

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de B.T.W.-navordering gekend onder R.C.I.V.-artikelnummer 500.2195.353.25, ten bedrage van 167.077,10 EUR aan verschuldigde B.T.W., en een geldboete ten belope van 19.750,00 EUR, meer intresten, opgenomen in het innings-en invorderingsregister, gekend onder het registernummer 201911NL005, opgemaakt op 7 november 2019 en uitvoerbaar verklaard op 8 november 2019.

Op 17 december 2018 werd een controle inzake B.T.W. en vennootschapsbelasting aangekondigd. Naar aanleiding van de controle ter plaatse werd op 18 januari 2019 een proces-verbaal van vaststelling opgesteld (A.D. 10).

Op 7 en 8 februari 2019 werd om bijkomende inlichtingen gevraagd. Omdat deze niet werden overgemaakt werden de stukken (aankoop- en verkoopfacturen en rekeninguittreksels 2016-2017) op 27 februari 2019 opgehaald door de administratie. Hiervan werd een proces-verbaal van retentie opgesteld.

Vervolgens werden diverse vragen en bijkomende vragen om inlichtingen verzonden aan eiseres in hoger beroep en aan A.R. NV waarop deels werd geantwoord.

Op 28 mei 2019 werd een correctieopgave opgesteld over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017. Er werd gespecificeerd dat het nazicht betrekking had op de aankopen en kosten en op de uitgeoefende economische activiteit met betrekking tot de aanspraak op het recht op aftrek. De administratie had een inbreuk vastgesteld betreffende de ingebruikneming ais bedrijfsmiddel door de belastingplichtige, met name van een Bentley (30.450 EUR terug te storten B.T.W.). Er waren inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van de levering, invoer en intracommunautaire verwerving van autovoertuigen, waarbij de B.T.W. volledig in aftrek werd gebracht terwijl deze niet hoger mag zijn dan 50% (515,87 EUR terug te storten B.T.W.). Tevens werden inbreuken vastgesteld op de verplichting tot herziening van de B.T.W. geheven op bedrijfsmiddelen (74.980,81 EUR terug te storten B.T.W.) omdat de afgetrokken B.T.W. dient te worden herzien indien de investering niet meer voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. De herziening werd aldus doorgevoerd voor investeringen aan woning, tuin, omheining en zwembad. Voorts werden inbreuken vastgesteld ten aanzien van goederen en diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere dan die van de economische activiteit. Het betroffen leveringen van energie en water die op grond van artikel 45 W.B.T.W. niet voor aftrek in aanmerking kwamen (1.514,59 EUR terug te storten B.T.W.). De aftrek werd vervolgens verworpen in toepassing van artikel 45 W.B.T.W. voor werken aan de woning en de tuin waarbij onvoldoende bewijs van effectief beroepsmatig gebruik werd geleverd (23.116,23 EUR en 34.896,86 EUR terug te storten B.T.W.). Tenslotte werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten betreffende personenwagens die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere dan die van de economische activiteit (1.602,74 EUR terug te storten B.T.W.).

Op 30 oktober 2019 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld waarbij het bedrag van 167.077,10 EUR ais B.T.W. werd nagevorderd en een proportionele geldboete van 19.750 EUR. In het proces-verbaal van regularisatie stelde de administratie dat de woning en aanpalende delen, zoals zwembad, stallingen en andere bijgebouwen geheel of gedeeltelijk continu ter beschikking zijn voor het private gebruik door de zaakvoerder en zijn gezin en dat mogelijk een gedeelte van de woning en bijgebouwen gebruikt wordt voor de activiteit van bed & breakfast. De administratie stelde dienaangaande uitdrukkelijk dat de kosten die daaraan verbonden zijn slechts kunnen aanvaard worden wanneer het bewijs van het bestaan van deze activiteit wordt geleverd. De administratie stelde dat een eventueel beroepsgebruik van de woning, het zwembad, bijgebouw, paardenstallen enz. niet op ernstige wijze kon worden vastgesteld.

De B.T.W.-schuld werd op 15 november 2019 ingeschreven in het innings- en invorderingsregister.

Er werd bezwaar aangetekend dat bij beslissing d.d. 1 september 2020 werd afgewezen.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 27 oktober 2020, vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, de samenhang overeenkomstig artikel 30 Ger.W te willen bevestigen met de zaak betreffende de aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2017, dienvolgens het administratief verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de vernietiging, minstens de gedeeltelijke ontheffing uit te willen spreken van het proces-verbaal opgesteld op 30 oktober 2019, van de beslissing over het administratief verzoekschrift d.d. 1 september 2020, gevestigd onder het R.C.I.V.-artikelnummer 50...25 en de schuld met schuldnummer 50...25, bestaande uit 167.077,10 EUR aan verschuldigde BTW, nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21 januari 2018 en een geldboete ten belope van 19.750,00 EUR, opgenomen in het innings- en invorderingsregister, gekend onder het registernummer 2019…5, opgemaakt op 7 november 2019 en uitvoerbaar verklaard op 8 november 2019, te horen zeggen voor recht dat eiseres in hoger beroep de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen, en zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister gekend onder het registernummer 2019…5 en schuldnummer 50...25, niet verschuldigd is en verweerder in hoger beroep te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen terug te betalen, meer de moratoriuminteresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

De eerste rechter heeft de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en in beperkte mate gegrond verklaard en zei voor recht dat de vordering van eiseres in hoger beroep slechts gegrond is in de volgende mate, namelijk dat de B.T.W.-aftrek van de kosten en investeringen met betrekking tot het hoofdgebouw alsook de kosten voor nutsvoorzieningen geacht worden voor 20% overeen te stemmen met een werkelijk gebruik voor de economische activiteiten van eiseres in hoger beroep en bestemd zijn voor het stellen van belastbare handelingen. De eerste rechter beval de terugbetaling van wat eventueel reeds werd betaald of geïnd, meer moratoriumintresten en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot 3/0 de van de kosten van het geding, niet begroot en vereffend op 0 EUR en verweerder in hoger beroep tot 1/4 de van de kosten van het geding, begroot en vereffend op 1.625 EUR (1/4" van 6.500 EUR) rechtsplegingsvergoeding. De eerste rechter liet de kosten van de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten laste van eiseres in hoger beroep.

De eerste rechter stelde vast dat er geen betwisting werd gevoerd omtrent de volgende inbreuken: de inbreuk betreffende de ingebruikneming ais bedrijfsmiddel door de belastingplichtige met name van een Bentley (30.450 EUR terug te storten B.T.W.), de inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de levering van autovoertuigen (515,87 EUR terug te storten B.T.W.) en de inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten betreffende personenwagens die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere dan die van de economische activiteit (1.602,74 EUR terug te storten B.T.W.).

De eerste rechter stelde vast dat eiseres in hoger beroep wel betwisting voerde omtrent de B.T.W.-aftrek van de kosten en investeringen aangaande het hoofdgebouw, het gastenverblijf, de garages/carport en de paardenstallen, het zwembad en de tuin, allen gelegen op de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep te Puurs-Sint-Amands. De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek ter zake Iigt bij eiseres in hoger beroep.

Betreffende het beroepsmatig karakter van de aangewende ruimtes in het hoofdgebouw en het gastenverblijf, stelde de eerste rechter dat niet ernstig kan betwist worden dat minstens de bureelruimte van het hoofdgebouw daadwerkelijk beroepsmatig wordt aangewend, gelet op de niet ter discussie staande managementactiviteiten. Daarnaast aanvaardde de eerste rechter dat de inkomhal, vestiaire, wc gelijkvloers, woonkamer, keuken en presentatieruimte deels beroepsmatig worden gebruikt in het kader van haar managementactiviteiten. Wat de gastenkamers, douche, wasruimte e.d. betreft in het hoofdgebouw die ter beschikking werden gesteld van A.R. NV diende de eerste rechter vast te stellen dat eiseres in hoger beroep geenszins aantoonde aan de hand van objectieve en controleerbare stukken dat deze daadwerkelijk beroepsmatig werden aangewend. Het recht op aftrek voor de gemaakte kosten voor het hoofdhuis werd beperkt tot 20%.

De eerste rechter stelde nog vast dat onder de facturen in de correctieopgave facturen zijn terug te vinden die loutere privéaankopen betreffen (donsbed, fitnesstoestellen, spelcomputers, vleugelpiano, ...) waarvan de B.T.W. niet in aftrek kan worden gebracht.

Betreffende het beroepsmatig gebruik van het gastenverblijf stelde de eerste rechter vast dat niet werd aangetoond dat dit op enige wijze werkelijk werd gebruikt voor de economische activiteit. Wat betreft de garage/carport, oordeelde de eerste rechter dat het beroepsmatig gebruik niet was aangetoond. De eerste rechter stelde vast dat geen enkel stuk werd bijgebracht waaruit bleek dat enige activiteit met betrekking tot de aan- en verkoop van luxewagens werd uitgeoefend, noch enig ander beroepsgebruik van de carport werd aangetoond. Het appartement boven de carport was nog in aanbouw in 2017, zodat in de gecontroleerde periode geen beroepsgebruik kon worden vastgesteld. Ook enige intentie om dit aan te wenden voor beroepsmatige doeleinden werd niet aangetoond.

De eerste rechter stelde vast dat uit verklaringen van eiseres in hoger beroep zelf bleek dat de paardenstallen en de tuin niet beroepsmatig werden aangewend, zodat de B.T.W. op deze facturen niet in aftrek kon worden gebracht. Ten aanzien van de factuur van H.D. d.d. 17 februari 2017 stelde de eerste rechter vast dat deze betrekking had op betuiningswerken, ruimingswerken grachten en vijver en algemene opkuiswerken van het terrein en derhalve niet op de aanleg van een helipad. De aftrek van de B.T.W. kon derhalve niet worden toegestaan voor deze factuur.

Wat betreft de herziening van de B.T.W. op bedrijfsmiddelen, oordeelde de eerste rechter dat de B.T.W. dient te worden herberekend rekening houdend met het beroepsmatig percentage van 20%, percentage dat tevens moet worden weerhouden voor de kosten van energie en water.

Het verzoek tot aanstelling van een gerechtsdeskundige werd afgewezen.

De opgelegde boete werd gerechtvaardigd en evenredig met de begane inbreuken geacht.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 11 oktober 2022 en ingeschreven op 13 oktober 2022, hoger beroep ingesteld.

**2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.**

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert de samenhang overeenkomstig artikel 30 Ger.W te willen bevestigen met de zaak, gekend onder het rolnummer 2022/AR/…, de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te willen verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis, uitgesproken op 16 februari 2022 te willen hervormen, dienvolgens het administratief verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te willen verklaren, dienvolgens de vernietiging, minstens de gedeeltelijke ontheffing uit te willen spreken van het proces-verbaal opgesteld op 30 oktober 2019, van de beslissing over het administratief verzoekschrift d.d. 1 september 2020, gevestigd onder het R.C.I.V.-artikelnummer 50…25 en de schuld met schuldnummer 50...25, bestaande uit 167.077,10 EUR aan verschuldigde BTW, nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21 januari 2018 en een geldboete ten belope van 19.750,00 EUR, opgenomen in het innings- en invorderingsregister, gekend onder het registernummer 2019…5, opgemaakt op 7 november 2019 en uitvoerbaar verklaard op 8 november 2019, te horen zeggen voor recht dat eiseres in hoger beroep de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen, en zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister gekend onder het registernummer 2019…5 en schuldnummer 50...25, niet verschuldigd is en verweerder in hoger beroep te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen terug te betalen, meer de moratoriuminteresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 6.500 EUR in eerste aanleg en 7.500 EUR in hoger beroep, alsook de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 20,00 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert in hoofdorde het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vordering van eiseres in hoger beroep af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. Verweerder in hoger beroep verklaarde zich in voorkomend geval louter defensief akkoord met de kosten van het geding, zoals begroot door eiseres in hoger beroep.

**3. Bespreking.**

3.1. De zaken gekend onder rolnummers 2022/AR/… en 2022/AR/… werden samen behandeld ter zitting voor het hof. Samenvoeging van deze zaken wordt door partijen niet gevraagd en het hof bemerkt ambtshalve geen reden tot samenvoeging aangezien de zaken verschillende belastingen betreffen, zijnde de vennootschapsbelasting en de BTW.

3.2. Het hof stelt met de eerste rechter vast dat er geen betwisting wordt gevoerd omtrent de volgende inbreuken: de inbreuk betreffende de ingebruikneming als bedrijfsmiddel door de belastingplichtige met name van een Bentley (30.450 EUR terug te storten B.T.W.), de inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de levering van autovoertuigen (515,87 EUR terug te storten B.T.W.) en de inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten betreffende personenwagens die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere dan die van de economische activiteit (1.602,74 EUR terug te storten B.T.W.). Het hof gaat hier dan ook niet nader op in.

Het hof stelt vast dat huidige betwisting geen betrekking heeft op kosten, gefactureerd door eiseres in hoger beroep, die in het kader van de vennootschapsbelasting zouden zijn verworpen in hoofde van A.R. NV, een andere belastingplichtige. In zoverre de argumentatie van eiseres in hoger beroep betrekking heeft op A.R. NV, gaat het hof hier dan ook niet nader op in.

3.3. De betwisting betreft de verwerping in hoofde van eiseres in hoger beroep van de aftrek van de B.T.W. en de herziening van B.T.W.-aftrek met betrekking tot de kosten die betrekking hebben op het hoofdgebouw, het gastenverblijf, de garages/carport, de paardenstallen, het zwembad en de tuin en het helipad gelegen te Puurs, …. Op dit adres is de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep gevestigd en de privéwoning van haar zaakvoerder. De B.T.W. op de betrokken kosten werd voor 56,10% in aftrek gebracht. Eiseres in hoger beroep stelt dat het beroepsgebruik van de betrokken gebouwen voor 56,10% zou zijn aangetoond.

Zulks wordt door de administratie betwist. In het proces-verbaal van regularisatie d.d. 30 oktober 2019 stelde de administratie dat de B.T.W.-aftrek dient te worden herzien op bedrijfsmiddelen (woning, tuin, omheining en zwembad) die niet (meer) voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt (74.980,81 EUR terug te storten B.T.W.). De administratie verwierp voorts het recht op aftrek van de B.T.W. op kosten voor energie en water wegens bestemming voor privédoeleinden (1.514,59 EUR terug te storten B.T.W.), net ais de kosten voor werken aan de woning en de tuin en privékosten waarbij onvoldoende bewijs van effectief beroepsmatig gebruik werd geleverd (23.116,23 EUR en 34.896,86 EUR terug te storten **B.T.W**.).

Het hof stelt vast dat geen incidenteel beroep werd ingesteld door de administratie tegen het vonnis van de eerste rechter in de mate dat deze bewezen achtte dat het hoofdgebouw voor 20% werd gebruikt door eiseres in hoger beroep in het kader van haar managementactiviteiten en oordeelde dat de B.T.W.-aftrek van de kosten en investeringen met betrekking tot het hoofdgebouw alsook de kosten voor nutsvoorzieningen (energie en water) geacht worden voor 20% overeen te stemmen met een werkelijk gebruik voor de economische activiteiten van eiseres in hoger beroep en bestemd zijn voor het stellen van belastbare handelingen.

In toepassing van artikel 45, §1 W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.B.T.W., handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° W.B.T.W. of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.

Eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

Op het adres te Puurs staat een hoofdgebouw, waarin de privéwoning van de zaakvoerder is gevestigd. Er zijn tevens twee bijgebouwen (een carport en een gastenverblijf) en voorts een overdekt zwembad en paardenstallen (A.D. 10).

De betwisting inzake B.T.W. betreft het beroepsgebruik voor meer dan 20% van het hoofdgebouw, zijnde de privéwoning van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en van het gastenverblijf in het houten bijgebouw, de garages/carport, de paardenstallen, het zwembad en de tuin en het helipad. Enige beweerde 'discretieplicht' van eiseres in hoger beroep ten aanzien van haar klanten dan wel gasten kan geen afbreuk doen aan de bewijslast ter zake die rust op eiseres in hoger beroep.

Eiseres in hoger beroep betwist de verwerping van het recht op aftrek stellende dat het onroerend goed te Puurs, waaronder het hoofdgebouw, het bijgebouw, de garages/carport,

de paardenstallen, het zwembad en de tuin en het helipad worden gebruikt voor de ontvangst en het verblijf van zakelijke gasten. Het onroerend goed zou voor 56,10% beroepsmatig worden gebruikt voor vergaderingen, presentaties en overnachtingen. Zij verwijst hiervoor in eerste instantie naar de managementprestaties die werden uitgevoerd door eiseres in hoger beroep en die maandelijks werden gefactureerd aan A.R. NV samen met een vergoeding voor 'guesthouse overnachting' en \`overnachting gewone kamer'. Tevens wordt verwezen naar een 'contract terbeschikkingstelling' d.d. 1 maart 2009 en doorrekening van kosten door A.R. NV, een overzicht van afspraken, een gastenboek, getuigenverklaringen en diverse foto's.

Het enkele feit dat aan eiseres in hoger beroep een managementfee werd betaald in het betrokken aanslagjaar voor haar managementactiviteiten, bewijst niet het beroepsmatig gebruik van het volledige onroerend goed te Puurs voor de aangegeven 56,10%. Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de managementactiviteiten van eiseres in hoger beroep voor A.R. NV waarvan het bestaan niet door de administratie wordt betwist en de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het hoofdgebouw, gastenverblijf, tuin, zwembad, e.d. door eiseres in hoger beroep aan A.R. NV voor beroepsmatige overnachtingen, besprekingen en presentaties. Dit laatste wordt door de administratie betwist.

In die context is het niet relevant dat een dienstverleningsovereenkomst werd gesloten tussen de heer R., zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en A.R. NV op 14 december 2012 (stuk 56 eiseres in hoger beroep) ingevolge waarvan de heer R. wordt belast met het dagelijks bestuur van A.R. NV en evenmin dat eiseres in hoger beroep in 2021 werd benoemd ais bestuurder van A.R. NV (stuk 58 eiseres in hoger beroep). Ook het addendum aan de dienstverleningsovereenkomst d.d. 24 maart 2021 (stuk 57 eiseres in hoger beroep) waarbij wordt gesteld dat partijen (A.R. NV, de heer R. en eiseres in hoger beroep) steeds de intentie hebben gehad om eiseres in hoger beroep het mandaat van gedelegeerd bestuurder te laten opnemen, is niet relevant. Het bestaan van managementactiviteiten wordt immers niet betwist.

Het komt eiseres in hoger beroep toe het beroepsmatig gebruik van het betrokken onroerend goed aan te tonen. Daarbij is het irrelevant dat de eerste rechter aanvaardt dat 20% van het hoofdgebouw, de woning, beroepsmatig wordt gebruikt, wat door de administratie in hoger beroep niet wordt betwist. Het gedeeltelijk beroepsmatig gebruik van het hoofdgebouw bewijst niet het beroepsmatig gebruik van de bijgebouwen, tuin, zwembad e.d..

De loutere facturatie door eiseres in hoger beroep aan A.R. NV van kosten voor 'overnachtingen' (A.D. 39) bewijst evenmin het beroepsmatig gebruik van het hoofdgebouw voor meer dan 20%. Zulks geldt evenzeer voor het bijgebouw. Zulks geldt in het bijzonder nu geen objectieve en controleerbare stukken worden voorgelegd van daadwerkelijke beroepsmatige overnachtingen in het hoofdgebouw, dan wel in het bijgebouw tijdens de jaren 2016 en 2017. Er blijkt niet uit de betrokken facturen waar en wanneer de overnachtingen, dan wel vergaderingen en presentaties plaatsvonden (hoofdgebouw of bijgebouw, Puurs of A.S. te Lint).

De enkele doorrekening van kosten, in zoverre reeds bewezen -quod non-, bewijst evenmin enig beroepsgebruik van het bijgebouw dan wel van het hoofdgebouw behoudens voor managementactiviteiten. De voorgelegde stukken ter zake (stukken 16, 52, 53 en 54 eiseres in hoger beroep) zijn loutere tabellen, overzichten of voorbeelden waarbij niet kan worden opgemaakt door of voor wie ze werden opgesteld en op welke kosten (managementfee, kosten voor overnachtingen of andere) ze betrekking hebben. Hoe dan ook zijn stukken die betrekking hebben op de jaren voorafgaand aan (2011, 2013) en volgend op (2022) het betrokken jaren 2016 en 2017 niet dienend ais bewijs van enig beroepsmatig gebruik van het bijgebouw in 2016 en 2017 en van het hoofdgebouw, behoudens voor managementactiviteiten.

Eiseres in hoger beroep verwijst naar een 'contract terbeschikkingstelling' d.d. 1 maart 2009 (stuk 17 eiseres in hoger beroep) waarbij een Iocatie ter beschikking wordt gesteld door eiseres in hoger beroep aan A.R. NV voor "Raad van bestuur, meetings, ontbijtvergaderingen, trainingen van personeel, maandelijkse cijfers doornamen, motivatie dagen-avonden, overnachtingen voor A.R. personeel-cliênteel-leveranciers en/of connecties". Eiseres in hoger beroep stelt dat uit de aard van deze overeenkomst duidelijk zou blijken dat het zou gaan om het onroerend goed te Puurs. Het hof kan slechts vaststellen dat de overeenkomst niet bepaalt welke locatie ter beschikking werd gesteld door eiseres in hoger beroep aan A.R. NV. Dat het om het onroerend goed te Puurs zou gaan, kan niet worden afgeleid uit de omschrijving van de locatie ais "3 slaapkamers, 2 badkamers, ontbijthoek, presentatie ruimte voor10 man, bureau, meeting ruimte voor 10 man, 4 heren fietsen, min 4 parkings, een wagen voor gasten te kunnen vervoeren en de nodige animatie mogelijkheden". Hoe dan ook bewijst de overeenkomst van 2009 geen beroepsgebruik van het bijgebouw dat pas in 2016 werd opgericht.

In dezelfde zin kan de beweerde aanvaarding door de administratie in 2009 van de aftrek van 56,10% van de kosten van het onroerend goed te Puurs geen beroepsmatig gebruik aantonen van het in 2016 opgerichte bijgebouw. Zulks geldt evenzeer voor het beweerde beroepsgebruik van het hoofdgebouw voor meer dan 20% in 2016 en 2017. In zoverre reeds zou zijn aanvaard door de administratie dat 56,10% van het hoofdgebouw in 2009 beroepsmatig werd gebruikt -quod non bij gebrek aan akkoordverklaring ter zake-, dan bewijst zulks niet ipso facto het daadwerkelijk gebruik voor eenzelfde percentage ruim 7 jaar later. De bewijslast rust ter zake op eiseres in hoger beroep.

De voorgelegde getuigenverklaringen en krantenartikelen (stuk 19 eiseres in hoger beroep) en het overzicht van afspraken (stuk 18 eiseres in hoger beroep) leveren evenmin het vereiste bewijs. De verklaringen betreffen slechts welwillendheidsverklaringen die post factum werden opgesteld en waarvan de inhoud niet wordt ondersteund door objectieve en controleerbare stukken. Ze vermeiden veelal niet waar en wanneer exact de meetings en overnachtingen plaatsvonden. De betrokken verklaringen kunnen dan ook niet gelden als bewijs in deze. De lijst met 'afspraken' werd opgesteld in het kader van de controle en betreft evenmin een objectief controleerbare lijst. De krantenartikelen benadrukken de groei en het belang van de A.S. in Lint voor de amusementssector zonder dat hieruit enig beroepsgebruik van het betrokken bijgebouw en bijkomend van het hoofdgebouw te Puurs kan worden afgeleid. Ook het gastenboek (stuk 34 eiseres in hoger beroep) en de foto van het bijgebouw (stuk 50 eiseres in hoger beroep) bewijzen geen beroepsgebruik. De betrokken stukken zijn niet gedateerd. De verklaring van de bakker dat de 'fam. R. wekelijks"pistolets en koffiekoeken voor 10 à 12 personen' kwam kopen (A.D. 26) levert evenmin het vereiste bewijs.

Eiseres in hoger beroep stelt dat zij dankzij de geviseerde kosten jaar na jaar een mooie omzet zou hebben kunnen realiseren, dat er een onlosmakelijk verband zou zijn tussen de kosten en de omzet. Enig verband tussen de gerealiseerde omzet en de kosten met betrekking tot het bijgebouw en de kosten met betrekking tot het hoofdgebouw voor meer dan 20%, behoudens voor wat betreft de managementactiviteiten, wordt echter niet aangetoond.

Het hof stelt dan ook vast dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat het hoofdgebouw voor meer dan 20% en voor meer dan de managementactiviteiten beroepsmatig werd aangewend.

Het hof stelt tevens vast dat eiseres in hoger beroep evenmin op enigerlei wijze het daadwerkelijk beroepsgebruik van het bijgebouw aantoont, ook niet ten dele, voor 56,10% of 50% of andere percentages. In die context is de integrale verwerping door de administratie van het recht op aftrek van de B.T.W. op de kosten die betrekking hebben op het bijgebouw terecht en geenszins willekeurig. Van enige opportuniteitsbeoordeling is geen sprake.

Met de eerste rechter stelt het hof vast dat naast de verwerping van het recht op aftrek van de B.T.W. op de kosten en investeringen die betrekking hebben op het hoofdgebouw, voor meer dan 20% en van het bijgebouw, ook het recht op aftrek wordt verworpen aangaande facturen die loutere privéaankopen betreffen (donsbed, warmtetherapie, draadloze cameraset, fitnesstoestellen, spelcomputers, vleugelpiano, ...). Enig beroepsmatig gebruik wordt niet aangetoond, zodat ook het recht op aftrek met betrekking tot deze facturen terecht werd verworpen.

Eiseres in hoger beroep betwist tevens de verwerping van het recht op aftrek van de B.T.W. betreffende de kosten voor de aanleg van een helipad. In het bijzonder zou het de factuur van H.D. d.d. 17 februari 2017 betreffen voor een bedrag van 72.062,00 EUR (A.D. 36). Het hof stelt met de eerste rechter vast dat deze factuur betrekking heeft op betuiningswerken, ruimingswerken grachten en vijver en algemene opkuiswerken van het terrein en derhalve niet op de aanleg van een helipad. Eiseres in hoger beroep toont niet op objectieve en controleerbare wijze aan dat deze werken noodzakelijk zouden zijn voor de aanleg van een helipad. Zij beperkt zich ter zake tot een ongefundeerde bewering. Het enkele feit dat belastbare inkomsten werden gegenereerd uit de verhuur van helikopters en dat helikoptervluchten plaatsvonden van en naar het onroerend goed te Puurs, bewijst geenszins enig beroepsmatig karakter van de door H.D. gefactureerde werken. De aftrek van de B.T.W. kan derhalve niet worden toegestaan voor deze factuur.

Eiseres in hoger beroep betwist de verwerping van de aftrek van de B.T.W. die werd aangerekend in de facturen die betrekking hebben op de carport/garage. Zij stelt dat deze wordt gebruikt voor de uitoefening van activiteiten van aan- en verkoop van Iuxetweedehandswagens. Het hof stelt vast dat er tijdens de jaren 2016 en 2017 geen wagens werden aangekocht, noch verkocht (stuk 51 eiseres in hoger beroep). Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat hiertoe de intentie bestond tijdens de betrokken jaren. Enig bestaan of enig voornemen tot het uitoefenen van een handelsactiviteit die bestaat uit de aan-en verkoop van luxewagens wordt niet aangetoond. Het enkele feit dat tijdens een controle in 2019 werd vastgesteld dat een wagen gestald was onder de carport en dat in latere jaren (2018, 2020 en 2021) wel enkele wagens (5) werden aangekocht en verkocht, bewijst geen uitoefening van een bestendige handelsactiviteit desbetreffend, Iaat staan dat hieruit kan worden afgeleid dat de carport/garage daadwerkelijk tijdens de jaren 2016 en 2017 beroepsmatig werd gebruikt of dat hiertoe enige intentie zou hebben bestaan. De verklaring ter zake van de heer V. van V.M. BV (stuk 29 eiseres in hoger beroep) werd post factum opgesteld en toont hoe dan ook geen beroepsmatig gebruik van de carport/garage aan of enige intentie daartoe. De heer V. verklaarde ter zake aan de administratie overigens dat zou zijn overeengekomen dat wagens, zo gewenst, bij hem tentoon konden worden gesteld in de showroom (stuk 32 eiseres in hoger beroep). Bij gebrek aan enige bewijs van het beroepsmatig gebruik van de carport/garage, werd het recht op aftrek van B.T.W. aangerekend in de facturen desbetreffend terecht verworpen.

Enig bewijs van beroepsmatige aanwending van de tuin, het zwembad en de paardenstallen wordt evenmin geleverd. Eiseres in hoger beroep verklaarde ten aanzien van de paardenstallen en de tuin zelf dat deze niet beroepsmatig werden aangewend (stuk 36 eiseres in hoger beroep). Het recht op aftrek van de B.T.W. aangerekend in de facturen die op de tuin, het zwembad en de paardenstallen betrekking hebben, werd dan ook terecht verworpen.

Om voormelde redenen is ook de herziening van het recht op aftrek van de B.T.W. betreffende de woning, de tuin, de omheining en het zwembad terecht, behoudens wat de woning, met name het hoofgebouw betreft voor 20%.

3.4. Eiseres in hoger beroep stelt dat ten onrechte een B.T.W.-boete van 10% werd opgelegd. Eiseres in hoger beroep stelt dat er geen sprake is van kwade trouw en dat de boete in toepassing van de administratieve richtlijnen moet worden herleid omdat zij haar aangiften steeds tijdig indiende, tijdig betaalde en het de eerste keer is dat een boete voor dezelfde overtreding wordt opgelopen. Eiseres in hoger beroep verwijst voorts naar het beweerde mondelinge akkoord ingevolge waarvan een beroepsgebruik van 56,10% door de administratie zou zijn aanvaard.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 10 % evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door de belastingplichtige gepleegde feiten. De boete van 10% betreft een verminderde geldboete waarbij reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van eiseres in hoger beroep ([artikel 1, laatste lid K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1)). Van enige principiële betwisting is geen sprake. De enkele vaststelling dat eiseres in hoger beroep haar aangiften steeds tijdig indiende, tijdig betaalde en het de eerste keer is dat een boete voor dezelfde overtreding wordt opgelopen, acht het hof onvoldoende om tot verdere herleiding van de boete over te gaan. Het bestaan van enig mondeling akkoord blijkt nergens uit.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten is er in casu dan ook geen enkele reden om de boete van 10% kwijt te schelden dan wel te verminderen.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Verweerder in hoger beroep werd niet vertegenwoordigd door een raadsman, noch voor de eerste rechter, noch voor het hof. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt dan ook begroot op 0 EUR. De aldus begrote rechtsplegingsvergoeding wordt ten laste gelegd van eiseres in hoger beroep ais de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791,1° io. 162, 4° W.Reg..

### Beschikkend gedeelte

**4. Beslissing.**

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot en door het hof vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 februari 2024 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-hof-van-beroep-antwerpen-2021-02-0056) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf, ongerechtvaardigde verrijking, teveel afgedragen btw, teruggave, aangerekende Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-ongerechtvaardigde-verrijking-teveel-afgedragen-hof-van-beroep-gent-2023-01-17-13de) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, Financiële handelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-financiele-handelingen-rechtbank-hasselt-2021-02-04-167c) 1 gemeenschappelijke bepalingen
