---
title: "d82bd34f · 17 mei 2010 · Recht op aftrek van belasting, vervolging · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Recht op aftrek van belasting, vervolging, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 17 mei 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-vervolging-rechten-rechtbank-brugge-2010-05-17-d82b"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

17 mei 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

88 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 17.05.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

**In de zaak 09/1224/A** Rep. nr. 2010/6787

**NV P.**, met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **G. S.** en **G. A.**, beiden advocaat te …, …

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN**, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1 en de heer Directeur van de BTW ter beschikking gesteld van de Administatie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het Controlecentrum te leper, Arsenaalstraat 4A

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **F. W.**, advocaat kantoorhoudend te …, …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 24 februari 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging, van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzittingen van 26 april 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van drukkerij. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 26 juni 2001 werd door **E. V.**, eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum leper, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1998 tot 30 september 2000.

Op 16 september 2003 werden de overtredingen en vaststellingen voor het jaar 2000 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres BTW ten bedrage van 88.979,45 EUR betreffende aankoop van zeilschip en navigatie-instrumenten ten onrechte afgetrokken, gezien deze goederen niet gebruikt worden voor het verrichten van belastbare handelingen. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 88.979,45 EUR, als evenredige geldboete 8.890,00 EUR en intresten vanaf 21 oktober 2000.

Op 24 november 2003 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 3 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. L.** de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 9 december 2003 aangetekend verzonden aan eiseres.

Tegen het dwangbevel werd op 24 februari 2004 verzet aangetekend door eiseres.

**2.** Eiseres vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- dienvolgens voor recht gezegd wordt dat geen terugvordering kan geschieden;

\- eiseres wordt ontslagen van de teruggave van 88.979,45 EUR en van de geldboete;

\- de geldboete minstens wordt herleid tot een minimum;

\- eiseres wordt ontslagen van de intresten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. het basisbedrag;

\- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

**3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.000,00 EUR.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

#### 1. aftrek van BTW

**1.1.** Conform artikel 45, § 1, 1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.

**1.2.** In 2000 heeft eiseres een zeilschip en navigatie-instrumenten gekocht (417.136,16 EUR incl. BTW) en de BTW die daarop verschuldigd is (88.979,45 EUR) afgetrokken Het is aan eiseres om te bewijzen dat zij de aangekochte goederen gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

Eiseres faalt evenwel in de op haar rustende bewijslast.

Uit het proces-verbaal d.d. 16 september 2003 blijkt o.a. wat volgt.

Eiseres heeft haar statuten gewijzigd op 20 december 2000 en in artikel 2 is als doel o.a. vermeld het organiseren van cruisen en reizen per boot alsmede de invoer, uitvoer de handel en de verhuur van yachten en plezierboten, zowel in binnen- en in buitenland en het organiseren en inrichten van vermakelijkheden en events voor het grote publiek, bedrijven en andere.

Eiseres heeft bij de BTW-administratie geen aangifte ingediend van een wijziging van werkzaamheid. Het handelsregister werd door eiseres pas gewijzigd op 23 april 2002 (zijnde na aanvang van de controle door verweerder).

Op 1 oktober 2002 bericht eiseres aan de BTW-controle te leper dat zij geen belastbare activiteiten ontwikkeld heeft en NIHIL-aangiften indient.

Een vlaggenbrief werd voor het zeilschip afgeleverd op 30 maart 2001, met als vermelding dat het pleziervaartuig mag verhuurd of gebruikt worden voor het vervoer van maximum 12 passagiers.

Het zeilschip is verzekerd bij **D. L.** (polisnr. …) en bij de voorwaarden is als uitsluiting vermeld de verhuur (verhuur-, lease en charterdoeleinden) en het personenvervoer (vervoer van personen tegen betaling).

Verder is uitdrukkelijk bepaald dat van dekking is uitgesloten de aansprakelijkheid voor personenschade geleden door de betalende passagiers.

De heer **D.** algemeen directeur bij eiseres, verklaarde aan de controle-ambtenaar dat hij niet juist op de hoogte was van de ‘cruises’.

Er is publiciteit gevoerd : een uitnodiging voor het doopfeest van het zeilschip op 10 februari 2001, 1 advertentie in het tijdschrift ‘Varen’ betreffende de Belgian Boat Show te … ( waar het zeilschip te zien was), een folder ‘**S.**’ betreffende 3 boten (waaronder de door eiseres aangekochte zeilboot; de andere twee boten zijn niet verhuurd geweest) en 1 advertentie in het tijdschrift ‘Imago’ uitgegeven door eiseres. Er is ook een website van '**S.**' met de beschrijving van 3 boten (waaronder het zeilschip door eiseres aangekocht; de andere twee boten zijn niet verhuurd geweest). Op deze website is er geen informatie te vinden wat betreft prijs of beschikbare periodes voor het huren van het zeilschip. Op de uitnodiging voor het doopfeest en op de website is als eigenaar van het zeilschip vermeld de heer **H. S.**, zijnde gedelegeerd bestuurder van eiseres.

Volgens verklaringen van eiseres kan voor cruises met het zeilschip geboekt worden via de website ‘**S.**’ en wordt geen gebruik gemaakt van een reisbureau (later zouden er onderhandelingen zijn met reisbureaus maar bewijzen worden niet voorgelegd). Wat betreft reeds geboekte cruises beschikt eiseres niet over formele contracten.

Er zijn 2 facturen opgemaakt op 15 oktober 2001 en 1 factuur op 17 december 2001 (zou om een proefvaart gaan) betreffende uitgevoerde reizen, volgens eiseres. De vermeldingen op de facturen zijn zeer summier.

Op basis van het geheel van de feiten opgenomen in het proces-verbaal, is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet bewezen is dat het zeilschip en de navigatie-instrumenten gebruikt worden door eiseres voor het verrichten van belastbare handelingen, noch dat eiseres hier de intentie echt toe had.

**1.3.** Het verweer van eiseres dat de heer **H. S.** niet op de hoogte is dat de activiteiten met het zeilschip van 2001 en 2002 niet zijn aangegeven, kan de rechtbank niet ernstig nemen. Pas voor het eerst in haar besluiten van 3 november 2009 stelt eiseres dat er in 2001 en 2002 verschillende chartervaarten werden uitgevoerd, bewijzen worden evenwel niet voorgelegd door eiseres. De heer **S.** is gedelegeerd bestuurder van eiseres en heeft in die hoedanigheid de balans en de resultaatrekeningen goedgekeurd. Bovendien heeft hij op 1 oktober 2002 aan de BTW-controle te leper bericht dat er geen belastbare activiteiten zijn en heeft hij NIHIL-aangiften ingediend.

Ook de voorgelegde publiciteit kan de rechtbank niet overtuigen. Het is niet duidelijk wanneer deze werd gemaakt l op hoeveel exemplaren en hoe deze is verdeeld.

Bovendien is niet onbelangrijk dat eiseres een drukkerij heeft en dus zeer eenvoudig publiciteitsfolders kan maken.

**1.4.** Dat het zeilschip door eiseres niet gebruikt wordt voor belastbare handelingen wordt ook bevestigd door latere feiten.

In de vennootschapsbelasting werden voor aanslagjaar 2000 de afschrijvingen van het zeilschip verworpen. Na bezwaar en een negatieve directorale beslissing heeft eiseres zich hierbij neergelegd.

Inzake BTW werden NIHIL-aangiften ingediend tot en met eind mei 2003. Ook voor 2008 en het eerste en tweede kwartaal 2009 werden NIHIL-aangiften ingediend. Eiseres betwist de NIHIL-aangiften voor 2008 maar legt geen bewijzen voor.

Na controle wordt volgende omzet aangegeven : in 2003 in totaal 7.099,66 EUR, in 2004 in totaal 18.884,31 EUR, in 2005 in totaal 14.943,13 EUR, in 2006 in totaal 5.895,95 EUR en in 2007 in totaal 7.793,39 EUR. Merkwaardig is het feit dat hier gaat om ‘dagontvangsten’, terwijl het toch gaat om redelijke bedragen per betaling. Overeenkomsten betreffende reizen worden niet voorgelegd.

Op 31 juli 2009 stuurt de heer **H. S.** een e-mail bericht aan **K. M.** (stuk 20 van verweerder) betreffende een verblijf van 13 dagen op het zeilschip. Een deel, zijnde 2.600 EUR werd voorafgaandelijk (op 15 maart 2009) cash betaald en de heer **S.** vraagt het saldo, zijnde 2.600 EUR over te schrijven op zijn eigen bankrekening. In de afrekening is geen sprake van BTW. Gezien er blijkbaar problemen zijn met de betaling van het saldo wordt door eiseres op 1 september 2009 een factuur (stuk 6 van eiseres) opgemaakt met als te betalen saldo 3.899,00 EUR. Op deze factuur wordt gevraagd te betalen op het rekeningnummer van eiseres. Het betreft blijkbaar de enige factuur voor 2009, terwijl uit de website van ‘**S.**’ (stuk 13 van eiseres) blijkt dat het zeilschip een hele tour heeft gemaakt van juni tot eind oktober 2009.

#### 2. boete

**2.1.** Door de administratie werd een proportionele geldboete opgelegd van 10 % zijnde afgerond 8.890,00 EUR.

**2.2.** Een boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999. rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

**2.3.** Uit het voorgaande en de neergelegde stukken blijkt dat eiseres ten onrechte de BTW betreffende het zeilschip en de navigatie-instrumenten heeft afgetrokken en zodoende de BTW-reglementering heeft geschonden. De door verweerder bepaalde geldboete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van de betreffende boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk. De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

#### 3. intresten

**3.1.** Eiseres is intresten verschuldigd vanaf 21 oktober 2000 volgens artikel 91, § 1 W.BTW.

**3.2.** Het is correct dat eiseres op 24 februari 2004 een verzoekschrift heeft neergelegd en dat het dan aan verweerder is om als eerste te besluiten. Verweerder heeft dit in eerste instantie nagelaten, maar volgens verweerder werden er wel onderhandelingen gevoerd tussen partijen op vraag van eiseres. Deze onderhandelingen hadden blijkbaar geen succes.

Het Gerechtelijk Wetboek voorziet daarenboven voldoende mogelijkheden om een partij die nalaat te besluiten hiertoe te dwingen. Eiseres heeft evenwel tot 1 april 2009 nagelaten om aan de rechtbank conclusietermijnen en een rechtsdag te vragen.

Bovendien had eiseres ook de mogelijkheid om het gevorderde bedrag onder alle voorbehoud (geheel of gedeeltelijk) te betalen en zo de intresten (geheel of gedeeltelijk) te stoppen.

De rechtbank kan dan ook niet ingaan op het verzoek van eiseres.

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk worden gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen 60.000 en 100.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 3.000,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Eiseres vraagt een vermindering tot het minimumbedrag omdat zij niet de intentie heeft gehad het zeilschip niet als commercieel werkingsmiddel te gebruiken en dat de vraag tot teruggave van de BTW het gevolg is van pesterijen van haar vroegere algemeen bestuurder.

Het feit dat de eis van eiseres wordt afgewezen is enkel het gevolg van het feit dat zij niet bewijst dat het zeilschip gebruikt wordt voor belastbare handelingen. Dit staat totaal los van door eiseres beweerde pesterijen. De rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om een rechtsplegingsvergoeding te bepalen op een lager bedrag dan het basisbedrag.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

**Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.**

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag zeventien mei tweeduizend en tien**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**S. C.**, griffier.

**C. S.** **L. D. P.**
