---
title: "2 april 2001 · Recht op aftrek van belasting, vervolging · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Recht op aftrek van belasting, vervolging, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 2 april 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-vervolging-rechten-rechtbank-brugge-2001-04-02-c8ff"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

2 april 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

67 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 02.04.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

**In de zaak 00/1421/A** Rep. nr. 2001/4038

**De CV A.**, (HR Kortrijk nr. …), binnenhuisinrichting, met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voer wie optreedt Meester **J. S.**, advocaat te …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

mevrouw eerst aanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Kortrijk 2, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hovenierstraat 31,

de heer eerst aanwezend Inspecteur (hoofdcontroleur) van het BTW-controlekantoor te Izegem, met kantoren te 8870 Izegem, Kasteelstraat 19,

**verweerders, hierna genoemd 'verweerder'**

voor wie optreedt Meester **F.W.**, advocaat te …;

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 2 mei 2000.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoerd in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 5 maart 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge haar activiteit van binnenhuisinrichting. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 16 juni 1999 werd door **R. G.**, eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te lzegem, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 7 december 1999 werd door **R. G.** voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 14 april 2000 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 17 april 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard daar de gedelegeerde wnd. Inspecteur van de BTW-controle te Izegem daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Op 18 april 2000 werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gegeven door middel van een aangetekend schrijven.

**2.2.** Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en dat voornoemd dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg kan hebben. Verder vordert zij de terugbetaling van de eventueel ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire rente te rekenen vanaf de datum der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf de datum van het verzet. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

**2.3.** Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12,600 BF, rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW

**3.1.1.** Artikel 45, § 2, 1 e lid W.BTW, bepaalt het volgende : “Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Verweerder stelt dat de bewuste wagen Chrysler Grand Voyager Crew Cab niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt zich hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald op pagina 2 van de aanschrijving nr. 25 van 1990. De passagiersruimte is deze van een personenwagen of auto voor dubbel gebruik en is niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Bedoeld voertuig is ontstaan uit de verbouwing van een auto voor dubbel gebruik tot een voertuig met dubbele cabine en bevat 2 rijen zetels.

**3.1.2.** Eiseres stelt dat aangezien in het W.BTW, nergens een omschrijving wordt gegeven van de begrippen '”automobiel voor personenvervoer” en '”lichte vrachtwagen”, er mag aangenomen worden dat hieraan dezelfde betekenis moet worden gegeven als deze: voorzien in de reglementering inzake de inschrijving van motorvoertuigen. In artikel 1, 10° van het KB de dato 31.12.1953 betreffende de inschrijving van motorvoertuigen wordt, aldus eiseres, een lichte vrachtwagen omschreven als elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van 3.500 kg; dat hoofdzakelijk opgevat en opgebouwd is voor het vervoer van goederen.

De door verweerder gehanteerde administratieve aanschrijvingen hebben slechts een indicatieve waarde. De rechter dient derhalve zelf de interpretatie te geven die aan een bepaalde wettekst moet worden gegeven.

Volgens eiseres voldoet zijn voertuig van het type Chrysler Grand Voyager Crew Cab aan de kwalificatie van lichte vrachtwagen zoals bepaald in het KB d.d. 31.12.1953.

**3.1.3.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

**3.1.4.** In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van "een lichte vrachtwagen" en van “een auto voor dubbel gebruik”.

In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt wordt ook geen definitie van lichte vrachtwagen teruggevonden in het thans van kracht zijnde artikel 1 van het KB de dato 31.12.1953 betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. Het door eiseres geciteerde artikel 1, 10° van het KB d.d. 31.12.1953 werd immers afgeschaft en vervangen door artikel 2 van het KB d.d. 11.01.1990 (BS 26.01.1990).

Daarentegen wordt in het KB de dato 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt”. Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde “elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder”.

**3.1.5.** Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW, conform artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

**3.1.6.** Door de controleagent werden de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 7.12.1999 - stuk 1 van verweerder) :

\- de passagiersruimte omvat 2 rijen zetels; de achterste zitbank is naar voren gericht.

\- de passagiersruimte is van de laadruimte achteraan gescheiden door een ijzeren traliewerk dat niet wegneembaar is er definitief bevestigd aan de zijwanden en de vloer en het plafond van net voertuig, de scheidingswand is geplaatst onmiddellijk achter de tweede rij zetels.

\- de laadruimte is in de zijwanden en de achterdeur uitgerust met ruiten welke niet afgedicht zijn.

\- de passagiersruimte is door verbouwing afgeleid van een personenwagen of auto voor dubbel gebruik, type mono-volume.

**3.1.7.** Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de activiteit van binnenhuisinrichting, hetgeen impliceert dat men zowel de te installeren meubelen als het daartoe vereiste personeel kan ter plaatse brengen. Het voerruig is uitgerust met 2 rijen zetels zodat de oppervlakte van de passagiersruimte vrij aanzienlijk is.

Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW, is de aftrek van BTW, op facturaties beperkt tot 50 %.

### 3.2. nopens het opgewekt vertrouwen

**3.2.1.** Eiseres stelt dat bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën gedurende meerdere jaren het door haarzelf geleasde voertuig behandeld hebben als een lichte vrachtwagen. Deze vaste handelswijze heeft bij eiseres het vertrouwen opgewekt dat haar voertuig als een lichte vrachtwagen te kwalificeren is. Wanneer verweerder nu hierop terugkomt schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur.

**3.2.2.** De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van het eerste BTW-toezicht bij eiseres de dato 16 juni 1999 de controleambtenaar er op gewezen heeft dat de beperking van artikel 45, § 2 W.BTW, toepasselijk was op de facturen.

Verder is het ook zo dat de overheid niet gebonden kan zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW­administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.600 BF, uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding (zoals gevorderd)·

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **twee april tweeduizend en één**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter,

**L. N.**, e.a. adjunct-griffier

**N. L.** **N. H.**
