---
title: "24 april 2008 · Recht op aftrek van belasting, vervolging · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 24 april 2008."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-vervolging-geding-rechtbank-gent-2008-04-24-5de4"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

24 april 2008

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

117 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 24.04.2008

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer – openbare terechtzitting van 24 april 2008

Rolnummer **AR 02/734/A**

In de zaak van :

**D. D.**, wonende te …, …

**eiser,**

hebbende als raad Mter **M. V. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-kantoor Gent, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 107 ,

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **C. D.**, advocaat te …, …

En in de zaak van Rolnummer **AR 03/114/A**

**D. D.**, wonende te …, …

**eiser,**

hebbende als raad Mter **M. V. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-kantoor Gent, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 107

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **C. D.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. RECHTSPLEGING

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 3.4.2008 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder :

In de zaak AR **02/734/A**

\- de gedinginleidende dagvaarding d.d.14.2.2002, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.

In de zaak AR **03/1114/A**

\- de gedinginleidende dagvaarding d.d. 31.12.2002, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.

## 2. DE VORDERING

De vordering van eiser strekt ertoe

> "…
>
> Dienvolgens het bestreden dwangbevel Reg. 127/72/2001, uitgevaardigd op 10.10.2001 en uitvoerbaar verklaard op 16.10.2001, en het dwangbevel Reg. 127/2147, uitgevaardigd op 3.12.2002 en uitvoerbaar verklaard op 5.12.2002, te vernietigen en concluant te horen ontslaan van de in voormelde dwangbevelen gevorderde sommen;
>
> Verweerder te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die werden toegerekend op de sommen vermeld in de dwangbevelen waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd;
>
> Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding ..."

## 3. FEITEN

1\. Eiser werkt sedert 1.3.1994 als loontrekkende bij de Noord-Franse firma PAB **N.** SA.

Daarnaast is eiser sedert 1.10.1989 geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van "prospectie voor aannemers en architecten en marktonderzoek".

Eiser brengt de BTW inzake verbouwingswerken aan een onroerend goed gelegen in de … (…) volledig in aftrek, evenals de BTW m.b.t. een aantal autokosten.

2\. Na een controle op 11.6.2001 en 31.7.2001 over de periode van 1.7.1996 t/m 31.12.1999 werden door de BTW-administratie een aantal overtredingen vastgesteld die in een correctieopgave werden opgenomen.

Bij schrijven d.d. 22.8.2001 verklaart eiser dat hij hiermee niet akkoord is.

Op 8.10.2001 wordt een proces-verbaal opgesteld waarin de administratie de BTW-aftrek verwerpt en een boete wordt opgelegd.

Op 10.10.2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.10.2001 en aan eiser ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d.17.10.2001 voor volgende bedragen :

\- BTW : … frank

\- Boete : … frank

Samen : … frank (… EUR)

Op 14.2.2002 tekent eiser verzet aan tegen het dwangbevel. Deze procedure is gekend onder AR/02/734/A.

3\. Naar aanleiding van een controle op 16.10.2001 en 13.11.2001 over de periode van 1.7.1996 t/m 31.12.1999 werd op 27.11.2002 een proces-verbaal opgesteld.

Het proces-verbaal handelt grotendeels over dezelfde transacties. Andermaal werd gesteld dat eiser geen zelfstandige economische activiteit zou uitoefenen; dat het pand gelegen te … nooit zou aangewend zijn voor de economische activiteit van eiser; dat de wagens Renault Express en Renault Kangoo nooit zouden zijn aangewend voor de economische activiteit van eiser; dat eiser de in beide processen-verbaal opgenomen overtredingen zou hebben begaan met het oogmerk de belastingen te ontduiken.

Op 3.12.2002 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.12.2002 en aan eiser ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d.12.12.2002, voor een bedrag van :

\- BTW : … EUR

\- Boete : … EUR

\- Vervallen intresten : … EUR

Samen : … EUR.

Op 31.12.2002 tekent eiser verzet aan tegen het dwangbevel. Deze procedure is gekend onder AR/03/114/A.

## 4. BESPREKING

1\. Nopens de samenvoeging.

Partijen vragen de samenvoeging van de beide zaken met resp. AR 02/734/A en AR 03/114/A.

De twee zaken betreffen gelijkaardige betwistingen tussen dezelfde partijen met betrekking tot BTW die zou verschuldigd zijn voor de periode van 1.7.1996 t/m 31.12.1999.

De betwistingen hebben grotendeels betrekking op dezelfde facturen en het dwangbevel d.d. 3.12.2002 is een aanvulling en uitbreiding van het dwangbevel d.d. 17.12.2001.

Aangezien de twee zaken onderling zo nauw verbonden zijn, dringt de samenvoeging zich op.

Op vraag van beide partijen kunnen de twee zaken dan ook worden samengevoegd.

2\. Eiser betwist de latere bijvoegingen van de processen-verbaal d.d. 10.12.2003 en d.d. 16.12.2003 (stukken 4 en 5 verweerder).

De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal d.d. 8.10.2001 (stuk 1 verweerder) het dwangbevel uitgevaardigd op 10.10.2001 en het proces-verbaal d.d. 27.11.2002 (stuk 3 verweerder) het dwangbevel uitgevaardigd op 3.12.2002 afdoende schraagt. De latere bijvoeging van de processen-verbaal d.d. 10.12.2003 en d.d. 16.12.2003 is geldig als aanvullend bewijsmiddel (zie H. VANDENBERGHE, De Geschillenprocedure inzake BTW, Larcier 2005, p. 21 nr. 28).

Deze grief is niet gegrond.

3\. Nopens de verjaring.

Eiser laat gelden dat een deel van de vordering van de administratie m.n. de teruggevorderde aftrek m.b.t. het derde kwartaal 1996, verjaard is :

Voor wat betreft de vorderingen tot voldoening van de BTW, intresten en de administratieve geldboeten ontstaan voor 1.1.1999 bepaalde het toenmalige art. 81 W.BTW dat deze verjaarden door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij zijn ontstaan.

De verjaring tot voldoening van de BTW en toebehoren kan worden gestuit door de kennisgeving van een dwangbevel (art.85 W.BTW).

In casu is de vordering tot terugbetaling van kwestieuze aftrek ontstaan op 20.10.1996. De terugvordering zou bijgevolg verjaren op 20.2.2001. Het dwangbevel dat o.m. betrekking heeft op kwestieuze aftrek werd ter kennisgeving toegestuurd bij aangetekende zending die op 17.10.2001 werd afgegeven bij de post.

De verjaring werd dan ook tijdig gestuit op 18.10.2001.

Deze grief is niet gegrond.

4\. Nopens art. 45, § 1 W.BTW.

4.1. Verweerder voert aan dat eiser geen zelfstandige economische activiteit uitoefent; dat de door hem gefactureerde prestaties hooguit zouden kunnen beschouwd worden als verloning voor overuren gepresteerd in het kader van de arbeidsovereenkomst met PAS **N.** SA.

Verweerder kan niet worden gevolgd.

Terecht laat eiser gelden dat het statuut van werknemer niet tot gevolg heeft dat daarnaast geen zelfstandige activiteit meer kan worden uitgeoefend.

In casu blijkt dat eiser na zijn indiensttreding op 1.3.1994 bij PAB **N.** SA, zijn zelfstandige informatie- en marketingactiviteiten hoofdzakelijk in opdracht van PAB **N.** SA in het kader van een samenwerkingsovereenkomst d.d. 4.1.1994 (stuk·6 eiser) is blijven verder zetten. Deze activiteiten zijn duidelijk onderscheiden van de taak die eiser heeft als werknemer m.n. het verrichten van expertises en evaluaties van schadegevallen en het voeren van onderhandelingen met het oog op een minnelijke regeling van schadeclaims. Eiser factureerde in de gecontroleerde periode telkenjare een omzet van ongeveer … frank welke effectief door PAB **N.** SA werd betaald. Voorts ontkent verweerder niet dat eiser daarnaast nog, weze het miniem, een omzet met andere klanten realiseert.

4.2. Krachtens art. 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

4.2.1. M.b.t. het pand gelegen te ….

4.2.1.1. Eiser beweert dat het pand te … dienstig is voor de activiteit die hij op zelfstandige basis uitvoert, doch toont dit niet aan.

Ten aanzien van het handelsregister te Gent wordt door eiser als adres waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend het adres te … aangeduid (stuk 9 (7) verweerder). Te … is geen telefoon- noch internetaansluiting, de facturen van eiser vermelden enkel het adres en het telefoonnummer te … en er is geen verwijzing naar het adres te …. Bovendien stelde de BTW controle te … in december 1996 vast dat er te … kennelijk geen inrichting is die een economische activiteit laat vermoeden. Het pand werd te huur aangeboden als vakantiewoning en eiser heeft in 1995 een premie aangevraagd en bekomen voor de oprichting van een "gite rural" waarbij hij zich engageerde het logement gedurende 5 jaar ter beschikking te stellen van toeristen.

In de gegeven omstandigheden kan eiser geen aftrek genieten van de BTW geheven of verschuldigd m.b.t. de verbouwingswerken aan het pand.

4.2.1.2. Eiser stelt dat verweerder het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden heeft. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur die ook ten aanzien van verweerder gelden, sluiten het recht op rechtszekerheid in : dat recht houdt ondermeer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat als een vaste gedragsregel of beleidsregel van de overheid (Cass. 27 maart.1992, R.W., 1991-1992, 1466).

Dit houdt onder meer in dat de fiscus niet retroactief kan en mag terugkomen op het door hem ingenomen standpunt of houding, indien deze houding een vaste gedragslijn is; er moet met andere woorden enerzijds een vaste gedragslijn van de fiscus zijn en anderzijds moet de belastingplichtige zich gedragen hebben conform deze gedragslijn.

Zelfs al zou eiser de terugbetalingen in het verleden geïnterpreteerd hebben als een vaste gedragslijn om de BTW aftrek toe te staan, dan nog kan eiser hier geen gerechtvaardigde verwachtingen uit putten. Wanneer eiser een toestand heeft doen ontstaan, waarvan hij diende te weten dat deze niet met de werkelijkheid strookte dan kan hij geen beroep doen op het beginsel van het opgewekt vertrouwen.

4.2.2. M.b.t. het gebruik van de wagens Renault Express en Renault Kangoo voor de economische activiteit.

Eiser beschikt over een firmawagen van PAB **N.** en krijgt zijn brandstofverbruik terugbetaald.

Blijkens de aangiften inzake directe belastingen werden de Renault Express en de Renault Kangoo bijna integraal ingebracht voor de activiteit van de echtgenote van eiser als loontrekkende.

Eiser beweert maar bewijst niet dat hij de Renault Express en de Renault Kangoo gebruikt voor zijn zelfstandige economische activiteit, bovendien wat de brandstofkosten betreft is niet uit te maken voor welk voertuig deze werden gemaakt. De BTW komt dan ook niet voor aftrek in aanmerking.

5\. M.b.t. het zorgvuldigheidsbeginsel.

Eiser laat gelden dat het dwangbevel nietig is omdat verweerder, het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft geschonden door het professioneel gebruik van het pand te … te verwerpen zonder zich te vergewissen van de toestand ter plaatse.

Eiser kan hierin niet worden gevolgd aangezien eiser zelf aan de administratie meedeelde dat zijn uitbatingsadres te … was en zelf vroeg de controle te laten doorgaan bij zijn accountant. Overigens werd pas op 17.12.2001 de inschrijving in het handelsregister te … doorgehaald.

6\. M.b.t. de opgelegde boete.

Bij het uitvaardigen van het dwangbevel d.d. 3.12.2002 werd gesteld dat m.b.t. de in het proces-verbaal d.d. 8.10.2001 opgenomen overtredingen de opgelegde boete verhoogd wordt tot 200 % en dat geen vermindering kan worden toegestaan van de opgelegde geldboete. Eiser zou de inbreuken op de BTW-wetgeving hebben gepleegd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Terecht laat eiser gelden dat doordat in het proces-verbaal d.d. 8.10.2001 wel sprake was van een vermindering van de boete tot … frank ingevolge tabel H van de in [artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) bedoelde schaal de administratie zelf aangegeven heeft dat in hoofde van eiser geen bedrieglijk opzet voorhanden was. In het proces-verbaal d.d. 27.11.2002 worden immers geen nieuwe argumenten aangehaald die de herziening van de herleiding van de geldboete kunnen rechtvaardigen.

7\. Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Ger. W.).

De kosten omvatten in de onderhavige zaak de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Ger. W. (art. 1018, 6° Ger.W.).

Ter terechtzitting verklaren partijen zich akkoord dat de vordering in geld waardeerbaar is.

Partijen ramen het bedrag van de vordering tussen 10.000 en 20.000 EUR. In dat geval is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan … EUR. Partijen hebben niet verzocht om de rechtsplegingsvergoeding te verminderen of te verhogen.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Voegt de zaken gekend onder AR 02/734/A en AR 03/114/A samen.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond in de mate dat de boete in het dwangbevel d.d. 3.12.2002 niet kan worden verhoogd tot 200 %.

Beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde te vermeerderen met de moratoriumintresten.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

\- aan de zijde van eiser :

kosten dagvaarding : … EUR en … EUR

\- aan de zijde van verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **donderdag vierentwintig april tweeduizend en acht**, waar aanwezig waren :

mevrouw **J. D. B.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **J. D. B.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
