---
title: "7 december 2001 · Recht op aftrek van belasting, vervolging · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 7 december 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-vervolging-geding-rechtbank-brussel-2001-12-07-c8d7"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

7 december 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

58 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 07.12.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **Kamer**

**AR 01/9201/A**

*Fiscaal geschil -BTW*

## Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak

Inzake van :

**De BVBA D.M.G. S.**, met maatschappelijke zetel te …, … en ingeschreven in het HR te Brussel onder het nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door de heer **G. D.**, haar afgevaardigde beheerder, met adres te …, ….

**tegen :**

**De BELGISCH E STAAT**, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Eerstaanwezend Inspecteur a.i. Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Brussel 2 waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Ieperlaan 41,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **K. V. d. V.** loco Mr. **F. C.**, advocaat, met kantoor te …, ….

---

In deze zaak, in beraad genomen op 16 november 2001, spreekt de rechtbank: volgend vonnis uit:

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van art. 1385decies Ger. W. van eiseres, neergelegd ter griffie op 2 augustus 2001, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 14 november 2001.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 16 november 2001, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 28 maart 2001 werd ten aanzien van de BVBA D.M.G. **S.**, huidige eiseres, proces­verbaal opgesteld met betrekking tot inbreuken op de BTW-reglementering tijdens de periode 1996-1997, en meer bepaald op art. 45, §§ 1 en 2 W.BTW betreffende de aftrekregeling en de tariefregeling met betrekking tot werken in onroerende staat uitgevoerd door haar met onterechte toepassing van het 6 %-tarief.

Op 3 april 2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd op basis van voormeld proces-verbaal van 28 maart 2001, dat op 4 april 2001 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 6 april 2001 werd het dwangbevel overeenkomstig art. 85 W.BTW genotificeerd.

Op 20 juni 201 werd het dwangbevel met bevel tot betalen betekend.

Op 2 augustus 2001 legde de NV D.M.G. een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie.

## III. IN RECHTE

### a) Standpunten van partijen

Eiseres vraagt de rechtbank: zich bevoegd te verklaren en haar verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het bevel en dwangbevel waartegen beroep nietig te verklaren.

Verder vraagt zij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met verbod van kantonnement.

Verweerder vraagt :

*-* *in hoofdorde -* de vordering van eiseres ontoelaatbaar te verklaren;

*-* *in ondergeschikte orde -* deze vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.

### b) Beoordeling : wat de beweerde ontoelaatbaarheid/onontvankelijkheid van de vordering betreft

Verweerder stelt dat eiseres huidig geding heeft ingeleid door middel van een tegensprekelijk verzoekschrift als bedoeld in art. 1034ter Ger. W., zich daarbij steunend op art. 1385decies Ger. W., dat werd ingevoegd in het Ger. W. door art. 9 van de Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

Volgens hem dient deze wetswijziging, wat de BTW betreft, te worden samengelezen met art. 59 van de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, dat een wijziging heeft aangebracht aan art. 89 W.BTW In laatstgenoemde bepaling wordt thans gesteld dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, zoals bedoeld door het W.BTW, kan worden gestuit door een vordering in rechte, daar waar voorheen de tenuitvoerlegging kon worden gestuit door een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Volgens verweerder vindt de nieuwe regeling in casu geen toepassing en diende de procedure aanhangig te worden gemaakt door middel van een met redenen omkleed verzet met dagvaarding zoals bedoeld in (oud) artikel 89, leden 2 en 3 W.BTW

De rechtbank treedt verweerder bij, wanneer hij stelt dat de door art. 9 van voornoemde Wet van 23 maart 1999 ingevoerde wijziging, wat de BTW betreft, dient te worden samengelezen met art. 59 van voornoemde Wet van 15 maart 1999.

De inwerkingtreding van voornoemd art. 59 van de Wet van 15 maart 1999 wordt bepaald in art. 97, lid 1, tweede streepje van dezelfde Wet, dat luidt als volgt :

> *"Voor zover zij de procedureregels wijzigen (...) zijn de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999"*.

Nu in casu de controle betrekking had op handelingen uitgeoefend door de belastingplichtige tijdens de periode 1996-1997, en waarvoor in dezelfde periode facturen werden uitgereikt of interne boekhoudkundige stukken dienden te worden opgesteld, handelt onderhavige procedure over de invordering lastens eiseres van belastingen, boeten en interesten waarvan de datum van opeisbaarheid zich situeert voor 1 januari 1999.

Derhalve diende deze procedure, op basis van de artikelen 59 en 97 van voornoemde Wet van 15 maart 1999 in samenhang met art. 9 van voornoemde Wet van 23 maart 1999, aanhangig te worden gemaakt door middel van een met redenen omkleed verzet met dagvaarding, zoals bedoeld in (oud) artikel 89, leden 2 en 3 W.BTW

Zodoende dient de vordering van eiseres onontvankelijk te worden verklaard.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de BVBA D.M.G. **S.** onontvankelijk.

Veroordeelt de BVBA D.M.G. **S.** tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 13.200 F. (rechtsplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op 0 F.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van : **7 december 2001**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.,** alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **V.**, adjunct-griffier.

**V.** **V.**

Vanachter Verstappen
