---
title: "Recht op aftrek van belasting, vervolging · Hof van beroep te Antwerpen, 7 april 2009"
description: "Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Hof van beroep te Antwerpen (België), 7 april 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2009-04-07-2c0b"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

7 april 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

75 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 07.04.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

Inzake : **2008/AR/866**

**De vereniging zonder winstoogmerk P. V.**, waarvan de zetel is gevestigd te …, …, …, KBO …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12 december 2007

AR 05/368/A;

vertegenwoordigd door Meester **G. P.**, advocaat te …, …;

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **L. A.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 12 december 2007, dat op verzoek van de Belgische Staat werd betekend op 3 maart 2008, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 3 april 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

### 1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft de aftrek van de BTW door VZW **P. V.** voor de jaren 2001, 2002 en 2003.

VZW **P. V.** had als maatschappelijk doel het creëren, produceren, beheren, exploiteren en verspreiden van projecten in de sector van cultuur en amusement en het uitgeven van muziekwerken en was als BTW-belastingplichtige geregistreerd.

Naast concerten, organiseerde de VZW ook de 11-juli-vieringen in een aantal Vlaamse steden, waarvoor zij inkomsten uitving uit subsidies van de Vlaamse Gemeenschap en de deelnemende steden en uit publiciteit. De toegang tot deze evenementen was gratis.

De BTW op de kosten met betrekking tot de 11-juli-vieringen en op de gemengde kosten (de kosten die niet toewijsbaar waren aan een bepaald evenement) werden volledig in aftrek gebracht.

### 1.2. Controle en dwangbevel

Een controle met betrekking tot de jaren 2001, 2002 en 2003 op 3 maart 2004 resulteerde in een proces verbaal van 2 december 2004 en een correctie-opgave. Er werd een dwangbevel opgemaakt op 8 december 2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 december 2004 en betekend op 14 december 2004.

In dit proces verbaal van 2 december 2004 stelde de administratie vast dat de inkomsten die de VZW verkreeg voor de 11-juli­vieringen belastbare handelingen waren voor zover ze afkomstig waren uit publiciteit. De ontvangen subsidies werden evenwel niet aangemerkt als betrekking hebbend op handelingen die aan de BTW zijn onderworpen.

Bijgevolg stelde de administratie dat de economische activiteit van de VZW slechts deels bestond in het verrichten van leveringen van goederen en diensten en voor een ander deel in het geregeld verrichten van handelingen die niet in het BTW-wetboek zijn omschreven, zodat de VZW als een gedeeltelijke BTW­belastingplichtige diende te worden beschouwd.

In toepassing van de regel van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten werd het recht op aftrek door de administratie als volgt berekend :

\- kosten toewijsbaar aan concerten (belastbare handelingen) : aftrek volgens de normale regels;

\- kosten toewijsbaar aan de 11-juli-vieringen: aftrek volgens werkelijk gebruik : toepassing van een bijzonder verhoudingsgetal (verhouding belastbare inkomsten 11-juli­vieringen tot totale inkomsten 11-juli-vieringen);

\- gemengde kosten (niet toewijsbaar aan concerten of 11-juli­vieringen) : aftrek volgens het werkelijk gebruik : toepassing van het algemeen verhoudingsgetal (verhouding totale belastbare inkomsten tot totale inkomsten).

Aldus berekende de administratie dat voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2003 de volgende bedragen verschuldigd waren :

\- BTW : … EUR

\- boete overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW, verminderd overeenkomstig tabel H van het K.B. nr.41 van 30 januari 1987 (10 %) van … EUR, afgerond op … EUR

\- wettelijke interesten krachtens artikel 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand over … EUR vanaf 21 januari 2004

\- moratoire interesten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel

\- vervolgingskosten.

### 1.3. Procedure voor de eerste rechter

De vordering voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen strekte ertoe, voormeld dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens de VZW te ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde BTW en boetes, de Belgische Staat te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend op de sommen, vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging werd gevorderd, dit met vermeerdering met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelde dat de VZW **P. V.** beschouwd moest worden als een gedeeltelijke belastingplichtige, vermits de ontvangen subsidies geen verband hielden met de prijs van haar uitgaande handelingen. De gedeeltelijke belastingplichtige heeft zoals de gemengde belastingplichtige slechts een gedeeltelijk recht op aftrek van de voorbelasting, met name voor wat betreft die voorbelasting met betrekking tot de ontvangen goederen en diensten die zij bestemt voor haar economische activiteit die bestaat in het verrichten van leveringen van goederen en diensten, namelijk het organiseren van concerten waarvoor toegangsgeld werd aangerekend en het verkopen van publiciteit met betrekking tot de 11 juli-vieringen.

Volgens de eerste rechter is artikel 46 W.BTW niet van toepassing op de VZW, vermits ze als gedeeltelijke belastingplichtige in de uitoefening van haar economische activiteit ook handelingen verricht die niet in het W.BTW zijn omschreven.

Er was volgens de eerste rechter hierbij geen schending van het vertrouwensbeginsel en de belastingverhoging van 10 % werd volgens de eerste rechter terecht opgelegd.

De vordering van de VZW **P. V.** werd derhalve toelaatbaar doch ongegrond verklaard en de VZW werd veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

### 1.4. Procedure voor het hof van beroep

In haar verzoekschrift hoger beroep vorderde de VZW **P. V.** :

> *"Het hoger beroep bij huidig verzoekschrift ingesteld, ontvankelijk en gegrond te verklaren.*
>
> *Dienvolgens het vonnis van de 4 F kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd.12 december 2007, A.R. 07/368/A te hervormen, en derhalve het verzet tegen het dwangbevel van 8 december 2004 ontvankelijk en gegrond horen verklaren.*
>
> *Bijgevolg het dwangbevel (...) van 8 december 2004 (...) van nul en generlei waarde te verklaren en verzoekster te ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen, en de Belgische Staat te veroordelen om aan verzoekster terug te betalen alle uit hoofde van kwestieuze aanslag ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met moratoire interesten.*
>
> *Dienvolgens gedaagde in hoger beroep te veroordelen in de kosten van het geding, dewelke in hoofde van verzoekster begroot worden op (...)"*.

In latere conclusies vorderde de VZW de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR in eerste aanleg en … EUR in hoger beroep.

De Belgische Staat vorderde in hoofdorde om het hoger beroep onontvankelijk te verklaren en in bijkomende orde om het hoger beroep ongegrond te verklaren en aldus de inhoud van het vonnis a quo te bevestigen. De Belgische Staat vorderde de veroordeling van de VZW tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, in eerste aanleg bepaald op … EUR en in graad van beroep te bepalen op … EUR.

## 2. Bespreking : ontvankelijkheid

De Belgische Staat werpt op dat het hoger beroep van de VZW **P. V.** onontvankelijk is, vermits ze niet is overgegaan tot consignatie van een bedrag van … EUR, zoals gevraagd door de administratie in haar aangetekende brief van 9 april 2008 en vermits geen verzoekschrift werd ingediend binnen de twee maanden vanaf de kennisgeving van 9 april 2008.

Volgens de VZW is een verzoek tot consignatieverplichting, zoals voorgeschreven door artikel 92 W.BTW in strijd met artikel 6.1 EVRM, vermits het een belemmering van de rechtsingang vormt. De VZW verwijst hierbij naar het arrest Loncke van het EHRM van 25 september 2007.

Bovendien betreft een verzoek tot consignatie volgens de VZW een bestuurshandeling die overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 formeel moet worden gemotiveerd en worden geen redenen aangetoond die een verplichting tot cons1gnatie kunnen verantwoorden.

Artikel 92 W.BTW, zoals het van toepassing is in huidig geding, luidt als volgt :

> *"In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.*
>
> *De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.*
>
> *Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is."*

Het hof oordeelt vooreerst dat appellante ten onrechte voorhoudt dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens op algemene wijze zou geoordeeld hebben dat de consignatieverplichting, zoals voorgeschreven in artikel 92 W.BTW in strijd zou zijn met artikel 6.1 E.V.R.M. Het arrest Loncke (E.H.R.M., 25 september 2007, *R.G.C.F.*, 2007, afl. 6, p. 456), waar appellante naar verwijst betreft een zaak, waarin het Europees Hof oordeelde dat, gelet op de concrete feiten van de betwisting, de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep wegens het niet-voldoen aan een consignatie-verzoek van een uitzonderlijk hoog bedrag dat de belastingplichtige onmogelijk kon betalen, kennelijk onredelijk en buiten verhouding was met het nagestreefde doel. Het Europees Hof oordeelde derhalve niet op algemene wijze, doch gelet op de specifieke omstandigheden dat het recht op toegang tot de rechter werd aangetast.

Het hof stelt verder vast dat appellante geen gebruik gemaakt heeft van de haar door artikel 92 W.BTW geboden mogelijkheid om een met reden omkleed verzoekschrift neer te leggen waarin de consignatie wordt aangevochten. Er wordt niet aangetoond, en zelfs aangevoerd, dat appellante niet in de mogelijkheid zou zijn geweest om dergelijk verzoekschrift neer te leggen. De grieven aangaande de gevraagde consignatie kunnen in deze dan ook niet verder worden onderzocht.

Nu vaststaat dat de Belgische Staat op 9 april 2008 een aangetekend verzoek heeft gericht tot consignatie van een bedrag van … EUR en appellante niet binnen de wettelijke termijn is overgegaan tot het consigneren van de door de administratie gevraagde som, dient het hof overeenkomstig artikel 92 W.BTW tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep te besluiten.

Gelet op het voorgaande dienen de grieven betreffende de grond van de zaak niet verder te worden onderzocht.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk.

Veroordeelt VZW **P. V.** tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van **ZEVEN APRIL** **TWEEDUIZENDENNEGEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. G.**

en **R. L.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A.V. L.** **R. L.**

**M. G.** **D. W.**
