---
title: "17 juni 2013 · Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting, vervolging. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 17 juni 2013."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-teruggaaf-vervolging-rechtbank-gent-2013-06-17-47d2"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

17 juni 2013

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

279 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 17.06.2013

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer – openbare terechtzitting van 17 juni 2013

## TUSSENVONNIS

Rolnummer **12/1327/A**

In de zaak van :

**BVBA B.**, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **F. V.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW­Ontvangkantoor Gent 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gasten Crommenlaan 6/107, Zuiderpoort, blok B,

**verweerders,**

voor wie optreedt mevrouw **C. D. C.**, gewestelijk directeur a.i.,

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 22 mei 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 10 april 2012, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt er achtereenvolgens toe :

\- Te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben;

\- De terugbetaling te bevelen van alle eventueel in uitvoering van deze kennisgeving van dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de interesten vanaf de datum van betaling of inhouding;

\- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, begroot op 5.500,00 EUR.

\- Ondergeschikt, voor zover de rechtbank de vordering in hoofdorde niet zou kunnen inwilligen, minstens overeenkomstig artikel 77, § 1, 1° W.BTW de teruggaaf te bevelen van de ten onrechte betaalde BTW over de volgende handelingen, met dien verstande dat deze vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 82 W.BTW ontstaat op het moment dat definitief komt vast te staan dat deze BTW onverschuldigd is, met name door het definitief in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;

\- De verkoop van het scherm, de Blue Ray DVD-speler en de boxen d.d. 23 december 2010 : teruggaaf van de BTW ten bedrage van 569,10 EUR;

\- De doorfacturatie van de prestaties van mevrouw **V. D.** in 2007 en 2008 aan het notariaat : teruggaaf van de BTW ten bedrage van 10.836 EUR;

\- De verhuur van het vliegtuig OO-URA van 2007 tot en met heden : teruggaaf van de BTW van minstens 3.296,88 EUR te verhogen met de teruggaaf van de BTW over alle andere facturen van verhuur sinds de aankoop van het vliegtuig;

\- De verkoop van het vliegtuig OO-URS op 30 januari 2013 : teruggaaf van de BTW ten bedrage van 13.276,86 EUR.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres werd opgericht op 13 juni 1986 door de genaamden **N. V. D.** en **J.-B. M.** (tevens notaris, met notariaat op hetzelfde adres).

In de periode van 29 juli 2002 tot 14 september 2010 trad de heer **M. M.**, broer van **J.-B. M.**, op als zaakvoerder.

Op 11 maart, 27 september en 6 december 201O werd door de diensten van verweerder bij eiseres een fiscaal toezicht uitgeoefend inzake de toepassing van de BTW-reglementering over de kalenderjaren 2007 en 2008.

Het dossier werd vervolgens samengevat in een proces-verbaal van 23 december 2010.

Op basis van ditzelfde proces-verbaal werd op 27 december 2010 een dwangbevel uitgevaardigd, dat diezelfde dag tevens werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Aan eiseres werd bij aangetekend schrijven van 28 december 2010 kennis gegeven van dit dwangbevel, evenals van het proces-verbaal.

Eiseres diende vervolgens op 10 april 2012 een verzoekschrift in ter griffie, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.

## 4. BEOORDELING

***4.1.*** *Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de vordering van eiseres alvast ontvankelijk worden bevonden.

***4.2.*** *Met betrekking tot de grond van de zaak*

\- Betreffende de verwerping van de aftrek wegens gebrek aan een regelmatig stuk

**4.2.1.** Verweerder stelde vast dat eiseres in de gecontroleerde periode zes maal BTW in aftrek bracht aan de hand van stukken welke niet voldeden aan de wettelijke vereisten.

Tegen deze verworpen aftrek ten bedrage van 40,36 EUR zou eiseres geen verweermiddelen aanvoeren, zodat verweerder aanneemt dat eiseres hiermee kan instemmen.

De rechtbank kan betreffende de verworpen aftrek inderdaad geen grief van eiseres aantreffen, zodat mag worden aangenomen dat eiseres zich hiermee verzoend heeft.

\- Betreffende de verwerping van de aftrek wegens gebrek aan gebruik van de goederen of diensten voor handelingen die een recht op aftrek verlenen

**4.2.2.** Volgens eiseres is het niet correct dat voor een aantal goederen en diensten niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW, in die zin dat de bedoelde goederen en diensten niet voor belastbare handelingen gebruikt zouden worden.

Deze prestaties zouden kaderen in de economische activiteit van eiseres.

Verweerder blijft daarentegen bij zijn standpunt dat eiseres faalt in het bewijs dat aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW werd voldaan.

De rechtbank zal hierna de diverse goederen/prestaties bespreken waaromtrent deze discussie wordt gevoerd.

\* Nopens de vliegtuigen met kentekens OO-URA en OO-URS

**4.2.3.** Het vliegtuig *met kenteken OO-URA* werd door eiseres in Amerika aangekocht op 18 juli 2007 en in België ingevoerd met voldoening van de BTW.

Eiseres beweert dit vliegtuig te gebruiken voor :

\- Het onderzoek naar de haalbaarheid van buitenlandse projecten in onroerend goed;

\- Advies en tussenkomst in het kader van de zogenaamde "air parc" projecten;

\- Het gebruik door derden van dit vliegtuig tegen betaling van een vergoeding.

Eiseres zou onder meer voor de groep ABS de exploitatiemogelijkheden hebben onderzocht van een onroerend goed gelegen te … in Frankrijk en dit zou geleid hebben tot een facturatie aan "**D. d. P.-S.**". In diezelfde hoedanigheid zou eiseres ook zijn tussengekomen voor “**L. C. d. L.**”.

Eiseres zou tegelijk ook inkomsten beogen uit onroerend goed projecten welke gerelateerd zijn aan de privé burgerluchtvaart. In deze bijzondere niche markt zou zij met haar gespecialiseerde kennis en ervaring een meerwaarde kunnen betekenen. Per 1 december 2011 zou eiseres aldus samen met de heer **C. B.** "**P. A. O.**" hebben opgericht, teneinde de exploitatiemogelijkheden van een air parc in Frankrijk nader te bekijken.

Het bezit en de kennis van een vliegtuig zou bij dit alles een bijzondere aanwinst en noodzakelijk verplaatsingsmiddel zijn.

In de mate dat verweerder zijn visie onder meer grondt op een vraag om inlichtingen van 29 juli 2007, repliceert eiseres dat in het kader van een controle voor de kalenderjaren 2005 en 2006 vragen werden gesteld over de verhuuractiviteit en hierop per 3 juli 2008 werd geantwoord. De administratie zou hier toen niet verder op gereageerd hebben en de vliegtuigkosten hebben aanvaard.

Gedurende de gecontroleerde periode zouden wel degelijk omzetten zijn gerealiseerd met het vliegtuig. De verwachte aangroei van onroerend goed projecten zou in de toekomst nog een stijging van de verhuuractiviteit met zich meebrengen.

Het is volgens eiseres correct dat deze niche-activiteiten niet onmiddellijk resulteren in aan BTW onderworpen opbrengsten, doch men zou niet kunnen ontkennen dat er concrete en objectieve gegevens zijn tot staving van de intentie om economische activiteiten in die zin te ontwikkelen.

Indien de rechtbank de stelling zou bijtreden dat het vliegtuig niet voor belastbare handelingen gebruikt wordt, dan volgt hier volgens eiseres tevens uit dat minstens de verhuur van het vliegtuig niet met toepassing van BTW gefactureerd moest worden, in welk geval zij recht zou hebben op de teruggave van ten onrechte betaalde BTW op deze facturen.

**4.2.4.** Voor een omschrijving van de economische activiteit van eiseres baseert verweerder zich op de inlichtingen verschaft door accountant **G.** tijdens de controle en een inlichtingen fiche van 29 juni 2007.

Voor 2007 zou er slechts sprake zijn geweest van één factuur voor aangerekende vlieguren ten bedrage van 6.930,00 EUR, overeenstemmend met het bedrag vermeld in de "klantenlisting 2007" als zijnde gefactureerd aan de heer **J.-B. M.** zelf. Op diezelfde rekening zou echter een tegenboeking zijn doorgevoerd ten bedrage van 6.300,00 EUR - gezien het bedrag zou deze correctie "bijna alleen" (sic) op deze factuur kunnen slaan.

Voor 2008 zou aan diezelfde **J.-B. M.** één factuur zijn uitgereikt voor 5.220,00 EUR voor aanrekening van vlieguren.

Verder noteert verweerder voor 2008 :

\- Een factuur ten bedrage van 15.000,00 EUR voor prestaties nav de verkoop van een eigendom, gericht aan de BVBA MSG, eveneens een vennootschap van de heer **M. M.**;

\- Een factuur voor 125.000,00 EUR gericht aan **L.** SPRL voor tussenkomst bij een verkoop van aandelen.

Nopens het gebruik van de vliegtuigen in 2007 en 2008 leidt verweerder uit de verklaringen van de vertegenwoordigers van eiseres af dat deze werden gebruikt voor training van de piloot (**J.-B. M.**), om het vliegtuig technisch in orde te houden en gekeurd te krijgen en voor privé-vluchten van de heer **J.-B. M.** zelf.

Wat deze laatste betreft, stelt verweerder dat hij slechts aandeelhouder en geen werknemer of zaakvoerder is, zodat diens gebruik van het vliegtuig .geen recht op aftrek van BTW impliceert doch een louter privé-gebruik omvat.

Omtrent de verhuur zouden bij de controle geen vragen zijn gesteld, nu in de gecontroleerde periode geen dergelijke facturen voorkwamen. Bij aanvang van de controle zou geen van de vertegenwoordigers van eiseres ook gewag hebben gemaakt van enige verhuur.

Bij een laatste bespreking op 6 december 2010 zou eiseres plots met een tweede piloot zijn komen aandraven, waarna ook twee facturen aan de bedoelde piloot van 2010 werden voorgelegd. Later zou eiseres met nog meer "verhuurfacturen" van 2010 op de proppen zijn gekomen. Deze stukken werden volgens eiseres enkel "pour les besoins de la cause" opgemaakt, gezien de timing van het opstellen en aanbrengen ervan en de identiteit van de bestemmelingen (allen goede bekenden van **J.-B. M.**).

Ook het vastgoedproject van eiseres aan het … te … zou geen verantwoording kunnen opleveren voor enige aftrek aan BTW, gezien :

\- Geen concreet en objectief controleerbaar gebruik van het vliegtuig voor dit project werd aangetoond;

\- Zelfs indien het vliegtuig hier voor werd ingeschakeld, het project in elk geval geen aan de BTW onderworpen omzet heeft gegenereerd.

Het is verder volgens verweerder absurd te .beweren dat men op zijn eentje vanuit het vliegtuig met een digitaal fototoestel luchtfoto's zou hebben gemaakt van onroerende projecten.

Wat het zogenaamde "project Air parc" betreft is er volgens verweerder geen bewijs dat eiseres bij dergelijk project betrokken was én daarvoor het vliegtuig heeft gebruikt. Bovendien zou tijdens de controle zijn verklaard dat het project in 2003 definitief werd afgeblazen. De stukken 18 en 19 die eiseres in deze context aanreikt zouden alvast met haar als vennootschap niets te maken hebben. Het stuk 20 zou dan weer illustreren dat **J.-B. M.** er enkel in geïnteresseerd is om als privé-persoon in dergelijke projecten te investeren.

Betreffende de oprichting van het "**P. A. O.**" argumenteert verweerder dat uit de tekst van de overeenkomst niet blijkt dat eiseres haar vliegtuig ter beschikking zal stellen. De beweerde kennis van het private vliegwezen en de vastgoedmarkt betreffen allen **J.-B. M.** in persoon en niet eiseres, aldus verweerder. Al jaren zou eiseres uit dien hoofde een mogelijke realisatie van omzet voorhouden, doch zonder dat hier ooit iets van in huis is gekomen.

Nopens het domein in … in Frankrijk, kan verweerder naar eigen zeggen niet aannemen dat de heer **J.-B. M.** een offerte zou hebben gemaakt voor dat onroerend goed, aangezien de heer **G.** zelf al een bod had uitgebracht met zijn brief van 29 juni 2006, dit bod werd afgewezen met de brief van La Poste van 4 juni 2006 en **J.-B. M.** zelf blijkbaar eind 2006 nog helemaal geen kennis had van het domein en de toestand ter plaatse. Voor deze beweerde tussenkomst kon volgens verweerder evenmin enige facturatie van eiseres worden voorgelegd. Bij de controle zou **J.-B. M.** nog hebben verklaard dat de opdrachtgever het project uiteindelijk niet kon realiseren, hetgeen verweerder grote vraagtekens doet plaatsen bij de huidige bewering dat het project op 7 februari 2012 al een eerste facturatie zou hebben opgeleverd. Verweerder zou naar eigen zeggen de bestemmeling "**D. d. P. S.**" in geen enkele databank kunnen aantreffen. Verweerder wijst ook op het gebrek aan vermelding van BTW­nummer en de vage en algemene omschrijving van de prestaties. Nopens de overeenkomst betreffende dit project, stelt verweerder vast dat de namen uit de tekst zijn verwijderd, het document niet gedateerd is en evenmin werd ondertekend.

Indien **J.-B. M.** werkelijk in april 2007 ter plaatse een kijkje is gaan nemen, dan was dit volgens verweerder als kandidaat-privé investeerder, hetgeen door het e-mailverkeer uit die periode alleen onderstreept zou worden.

Wat de beweerde tussenkomsten bij allerhande vastgoedprojecten betreft, zou het blijven bij louter mondelinge beweringen, niet gestaafd door contracten, briefwisseling of andere overtuigende stukken.

Uit het logboek van de vluchten met het vliegtuig OO-URS blijkt volgens verweerder dat voor de vluchten in 2007 het verband met vastgoed- of andere projecten niet aangetoond zou worden, noch het feit dat deze vluchten economisch aan eiseres iets hebben opgeleverd.

Wat de vluchten met het vliegtuig OO-URA betreft, dringt zich volgens verweerder dezelfde conclusie op. Het zou louter gaan om privé-verplaatsingen van **J.-P. M.**.

Verweerder verbaast zich verder over het feit dat de overeenkomst met "**L. c. d. L.**" pas bij het verzoekschrift voor het eerst aan bod kwam, hetgeen hem opnieuw doet vermoeden dat één en ander in scène werd gezet. Het valt verweerder daarbij ook op dat opnieuw de naam van de heer **G.** opduikt. Verweerder gelooft naar eigen zeggen niet dat met het vliegtuig geïnteresseerden naar … werden overgebracht, gezien de verklaring op de eerste controle dag dat men niet beschikt over een exploitatievergunning voor personenvervoer. De kostprijs van een dergelijke vlucht zou bovendien niet realistisch zijn, in vergelijking met de prijzen uit de commerciële luchtvaart.

De vliegtuigen zouden dus enkel dienstig zijn geweest voor de hobby van **J.­B. M.** zelf.

Nopens de door eiseres aangehaalde controle voor 2005 en 2006 merkt verweerder nog op dat zowel de voorgehouden vragen als de antwoorden niet door eiseres worden voorgelegd.

**4.2.5.** De rechtbank bemerkt vooreerst een discrepantie tussen de omschrijving van de werkelijke activiteit van eiseres voorafgaand aan de controle en het ontstaan van de betwisting met de administratie en de huidige omschrijving in conclusies.

Eiseres betwist niet dat de heer **G.**, haar accountant, bij de omschrijving van de maatschappelijke activiteit van eiseres bij aanvang van de controle geen melding maakte van de inschakeling van de vliegtuigen voor :

\- het onderzoek naar de haalbaarheid van buitenlandse projecten in onroerend goed;

\- advies en tussenkomst in het kader van de zogenaamde "air parc" projecten;

\- het tegen betaling verhuren aan anderen dan de heer **J.-P. M.** zelf.

Ook in de inlichtingenfiche van 29 juni 2007 komen dergelijke activiteiten niet voor (stuk 5, bijlage 1 verweerder).

In die zin deelt de rechtbank de verwondering van de administratie over de huidige pogingen om één en ander als een kernactiviteit van de vennootschap voor te stellen. Indien dit zo was, dan zou eiseres niet hebben nagelaten dit ook in tempore non suspecte aan de fiscale diensten mee te delen.

Nopens het onderzoek naar de haalbaarheid van het vastgoedproject te … (Frankrijk), blijkt uit de eigen stukken van eiseres dat de heer **G.** namens AABS Bouwteam in juni 2006 een bod uitbracht, doch dit bod wegens ontoereikend werd afgewezen door de eigenaar (stukken 11-12 eiseres).

Het stuk nr. 13 van eiseres betreft een e-mailbericht van **J.-P. M.** van 12 december 2006 (dus daterend van na het bod en de afwijzing ervan) aan AABS Bouwteam met opgave van zijn bevindingen over het project. Uit het antwoord op dit bericht blijkt dat **J.-P. M.** op dat ogenblik nog niet zelf ter plaatse was geweest om het domein te bekijken. Het weze alvast aangestipt dat deze correspondentie uitging van **J.-P. M.**, dus niet van eiseres en hierin ook geen enkele andere verwijzing naar eiseres als vennootschap voorkomt. De rechtbank stelt tevens vast dat deze stukken niet aantonen of en zo ja, in welke mate, de vliegtuigen voor dit project werden ingeschakeld.

In het proces-verbaal werd genoteerd dat **J.-P. M.** had verklaard dat voor deze tussenkomst geen facturatie werd gedaan en de opdrachtgever het project uiteindelijk ook niet had kunnen realiseren (blz. 8, stuk 5 verweerder).

Gezien deze duidelijke verklaring, deelt de rechtbank de argwaan nopens de thans in de procedure bijgebracht facturatie aan het **D. d. P. S.** (stukken nrs. 14 en 32 eiseres).

De inhoud en het tijdstip van redactie van deze stukken staaft het vermoeden van een poging aan de zijde van eiseres om de kritiek te pareren van de administratie nopens de afwezigheid van stukken tot staving van het genereren van een factureerbare omzet via de vliegtuigen.

Het BTW-nummer van de bestemmeling wordt niet vermeld en de prestaties zijn bijzonder vaag en nietszeggend omschreven. Van de facturen worden ook geen onderliggende stavingsstukken aangereikt die de werkelijkheid van de voorgehouden prestaties concreet aantonen. Nopens de datum van 7 april 2007 is het inderdaad frappant dat in de besprekingen met de administratie ter gelegenheid van de controle precies deze datum werd aangereikt als de datum waarop de heer **J.-P. M.** ten vroegste ter plaatse kon zijn geweest (blz. 8 stuk 5 verweerder).

Wat de nota over de maatschap **S.** betreft en de aangehechte ontwerpovereenkomst, stelt ook deze rechtbank vast dat de namen uit de tekst zijn verwijderd, de ontwerpovereenkomst niet gedateerd is en evenmin werd ondertekend (stuk 38 eiseres). De analyse van de maatschap blijkt bovendien uit te gaan van **J.-P. M.** (en dus niet van eiseres), die gezien zijn professionele activiteiten als notaris uiteraard bij uitstek daartoe gekwalificeerd is. Bovendien toont de globale lezing van het dossier ook een, wellicht mede vanuit deze professionele achtergrond, grote persoonlijke interesse van **J.-P. M.** voor buitenlandse vastgoedprojecten. Notaris **J.-P. M.** blijkt bovendien ook over contacten te beschikken met gelijkaardige interesse, personen met wie hij, gezien de familiaire toon van correspondentie, zeer vertrouwd is (cf. bv. stuk 13 eiseres). In die zin kan de ontwerpovereenkomst eveneens verklaard worden hetzij vanuit de werkzaamheden van het notariaat, hetzij vanuit de persoonlijke betrokkenheid van de notaris in kwestie als privé-investering, samen met vrienden en kennissen. Deze nota en de bijgevoegde overeenkomst volstaan op zich dan ook in geen geval om enige betrokkenheid van eiseres bij het project aan te tonen, nu de stukken ook andere, minstens even plausibele verklaringen aanreiken.

Wat "**L. C. d. L.**" betreft, dringt zich andermaal de vaststelling op dat dit gegeven pas in het kader van de procedure voor deze rechtbank aan het licht komt.

Het schrijven van 16 juli 2011, waarin nota wordt genomen van het feit dat eiseres geïnteresseerden aan 185,00 EUR per vlieguur ter plaatse zou kunnen brengen, blijkt opnieuw uit te gaan van de heer **G.**, tevens actief binnen AABS Bouwteam en eveneens behorend tot de entourage van **J.-B. M.**. Deze stukken dateren eveneens van ruim na de fiscale controle, waarin precies het ontbreken van concrete stukken als pijnpunt aan de oppervlakte was gekomen. Mede gezien het vooropgestelde tarief, dat inderdaad weinig realistisch lijkt in vergelijking met de gebruikelijke tarieven in de sector en het ontbreken van een exploitatievergunning voor personenvervoer (cf. tevens stuk 10 verweerder), dringt zich ook hier de conclusie op dat deze stukken enkel werden opgesteld en voorgebracht om de administratie de wind uit de zeilen te halen. Van een eigenlijke overeenkomst om passagiers te vervoeren is ten andere nooit sprake geweest : men nam enkel nota van het potentieel inzake vervoer aan de zijde van eiseres. Een bindende, door beide partijen ondertekende en gedateerde overeenkomst wordt als dusdanig niet bijgebracht, net zoals evenmin wordt aangetoond dat dergelijke vluchten van geïnteresseerden ooit hebben plaatsgevonden.

Wat verder de zogenaamde "air parcs" betreft, is de discrepantie met de gezegdes ten tijde van de controle andermaal frappant. Toen hield men immers nog voor dat het project in 2003 definitief was afgeblazen. In deze stukken komt bovendien andermaal de betrokkenheid van **J.-P. M.** als notaris heel sterk op de voorgrond. Enkel in de stukken 17, 22 en 23 duikt de naam van eiseres zelf op. Bij de lectuur van de overeenkomst van 1 december 2011 deelt de rechtbank bovendien de analyse van de administratie dat de vereniging de realisatie beoogde van een luchtvaartpark en site met zonnepanelen en daartoe in het bijzonder :

\- de mogelijkheid tot aankoop van een terrein zou onderzoeken;

\- een aankoopoptie zou onderhandelen;

\- de bestemmingswijziging zou bewerkstelligen;

\- de nodige studies inzake infrastructuur en planning zou opstellen.

Van de aanwending van enig vliegtuig van eiseres in het kader van deze samenwerking was/is als dusdanig geen sprake.

Eiseres is correct in haar stelling dat ook de intentie om economische activiteiten te ontwikkelen, zonder dat reeds enige belastbare opbrengst werd behaald, in deze kan volstaan, doch al even pertinent is de repliek van verweerder dat deze intentie voldoende concreet en vaststaand moet zijn en ook door voldoende objectieve gegevens moet worden ondersteund.

Het dossier toont in zijn totaliteit aan dat eiseres reeds sedert de controle schermt met dergelijk voornemen en de wil om zich verder te ontwikkelen en profileren in wat zij als een "niche activiteit" omschrijft, doch hiervan bitter weinig stukken kan aanreiken. De stukken die eiseres toch naar voor brengt zijn ofwel ronduit twijfelachtig wat de waarachtigheid ervan betreft, hetzij te vaag om te kunnen besluiten tot een vast en concreet voornemen om de vliegtuigen via allerhande projecten economisch te exploiteren.

Met haar stuk nr. 27 brengt eiseres thans wel een aantal facturen van verhuur van het vliegtuig bij. Vooreerst dient opgemerkt dat voor 2007 en 2008 telkens slechts één factuur van vlieguren voorkwam, telkens aangerekend aan **J.­B. M.**, zelf piloot en fervent liefhebber van vliegtuigen. Eiseres kan geen enkel stuk aanbrengen waaruit blijkt dat deze vluchten werden afgelegd binnen het kader van de activiteiten van eiseres en dus geen louter private uitstappen van de piloot betroffen, dan wel het beoefenen van de eigen liefhebberij en/of het vergaren van de nodige vlieguren voor behoud van zijn brevet. De administratie heeft zich de moeite getroost om op de bladzijden 21 en volgende van haar· syntheseconclusie de vluchten uit het logboek in detail te bespreken, een uiteenzetting waar eiseres zelfs niet op repliceert, hetgeen de rechtbank sterkt in de overtuiging dat hier inderdaad geen speld tussen te krijgen is.

Nopens het oude vliegtuig 00-URS stelde ook de accountant van eiseres ten andere in zijn e-mail van 20 oktober 2010 dat hier in 2007 enkel ten behoeve van het onderhoud en de beoogde verkoop mee gevlogen was (bijlage 4, stuk 5 verweerder).

Wat de overige facturen betreft, is de rechtbank het eens met de op de bladzijden 14 en 15 van de syntheseconclusie van verweerder uiteengezette opmerkingen nopens de merkwaardige timing waarmee deze facturen werden opgesteld en aan de administratie voorgelegd. Het blijft ongeloofwaardig dat deze verhuur werkelijk heeft plaatsgevonden, gezien de vertegenwoordigers van eiseres bij de laatste bespreking van 6 december 2010 nergens gewag maakten van enige verhuur aan derden. Gezien de vermeldingen van de later voorgebrachte facturen betrof het nochtans telkens een verhuur die bij deze laatste bespreking al had moeten plaatsvinden. Te meer nu de administratie hier uitdrukkelijk naar vroeg, neemt de rechtbank aan dat deze verhuur, indien hij werkelijk had plaatsgevonden, vast en zeker ter sprake was gekomen. Ook op de opmerking dat de bestemmelingen van de facturen opnieuw te zoeken zijn in de vrienden- en kennissenkring van **J.-P. M.** moet eiseres het antwoord schuldig blijven.

Bij gebrek aan enig bewijs dat deze vliegtuigen werden ingeschakeld in de economische activiteit van eiseres, dan wel daartoe concrete en welomlijnde plannen voorhanden waren, is inderdaad niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW.

**4.2.6.** Betreffende de vermeende onttrekking van het vliegtuig met kenteken 00-URS laat eiseres gelden dat een onttrekking een definitieve aanwending veronderstelt voor andere doeleinden dan de economische activiteit·van de belastingplichtige. De bewijslast zou in deze bij de administratie berusten.

De vaststelling dat het vliegtuig werd aangekocht op 15 juli 1978 en tijdens de gecontroleerde periode te koop werd aangeboden, zou niet volstaan. In 18 juli 2007 werd immers het vliegtuig met kenteken 00-URA aangekocht, reden waarom het oude vliegtuig te koop werd aangeboden. Gezien het oude vliegtuig toen te koop werd aangeboden en deze verkoop aan BTW onderhevig was, zou men niet kunnen besluiten dat dit goed definitief bestemd werd voor niet BTW­belastbare handelingen.

Het vliegtuig werd intussen per 9 januari 2013 ook daadwerkelijk verkocht met voldoening van BTW, aldus eiseres.

**4.2.7.** Wat verweerder betreft werd het vliegtuig in de gecontroleerde periode helemaal niet gebruikt voor de economische activiteit van eiseres. Na de aankoop zou dit enkel zijn gebruikt voor privé-verplaatsingen van **J.-P. M.**, terwijl tegelijk maar een beperkt aantal van de vlieguren werden aangerekend.

Hoewel de onttrekking in 2007 moet worden gesitueerd en dus als maatstaf van heffing eigenlijk de aankoopprijs op dat ogenblik moet worden genomen, heeft verweerder billijkheidshalve, rekening houdend met de gedaalde verkoopprijs tot 85.000,00 EUR en de zoektocht op internet naar gelijkaardige vliegtuigen die te koop werden aangeboden, de BTW gerekend over de maatstaf van 85.000,00 EUR.

Het te koop stellen van het vliegtuig is op zich niet voldoende om de onttrekking niet toe te passen, aldus verweerder, gezien het toestel pas in 2008 te koop werd aangeboden.

Wat de maatstaf van de BTW betreft, meent verweerder te zijn uitgegaan van de normale aankoopprijs van het goed in de staat waarin het zich bevindt op het tijdstip van de onttrekking. Eiseres zou deze normale waarde in dit geval niet zelf hebben bepaald, maar daar wel de nodige elementen voor aangereikt hebben, zodat verweerder geenszins willekeurig te werk zou zijn gegaan.

Gezien de inmiddels tussengekomen verkoop voor 63.223,14 EUR, meegedeeld in de loop van de procedure, verklaart verweerder zich bereid de vordering overeenkomstig te herleiden tot 13.276,86 EUR, evenals de overeenstemmende boete (herleid tot 2.655,37 EUR).

Verweerder stelt het er verder mee eens te zijn dat in geval van onttrekking, de latere verkoop niet meer aan BTW onderworpen is, zodat hij kan instemmen met het principe van de teruggave van deze BTW. De oorzaak van de teruggave ontstaat wat verweerder betreft op de datum waarop de onverschuldigde belasting werd betaald, zodat eiseres ten laatste in het derde kwartaal van 2016 een aangifte tot teruggave zou kunnen indienen.

**4.2.8.** De rechtbank is het ook hier eens met de analyse van de administratie nopens de onttrekking in 2007 gezien het vliegtuig in 2007 voor geen enkele economische activiteit van eiseres werd gebruikt.

Het te koop zetten van het vliegtuig, verkoop waarop BTW aangerekend zou worden, volstaat niet om de onttrekking te betwisten, nu gezien de stukken het toestel pas in 2008 en dus niet reeds in 2007 te koop werd aangeboden.

Nu de te koop stelling zich in de tijd na de onttrekking situeert is deze niet relevant als een gebruik in het kader van de economische activiteiten van eiseres.

Eiseres beweert weliswaar dat het te koop aanbieden in de tijd zou samenvallen met de aankoop van een nieuw toestel in 2007, doch dit blijkt niet uit de stukken.

Wat de maatstaf van de heffing betreft, blijkt uit de syntheseconclusie voor verweerder dat deze zich heeft aangesloten bij de argumenten die eiseres hieromtrent had ontwikkeld op de bladzijden 19 tot en met 21 van haar synthesebesluiten. Partijen hebben over dit punt van het dossier aldus een akkoord bereikt, dat in rechte en in feite juist voorkomt en als dusdanig door deze rechtbank kan worden bekrachtigd.

Nopens het recht op teruggave van de BTW, bepaalt artikel 77, § 1, 1° W.BTW dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven :

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Het KB nr. 4 schrijft verder nopens de teruggave het volgende voor :

> *"Ten aanzien van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of* [*artikel 53ter, 1°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)*, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan in dat tijdvak.*
>
> *Ten aanzien van de belastingplichtige die gehouden is de aangifte bedoeld in* [*artikel 53, eerste lid, 3°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)*, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen wordt de teruggaaf van de belasting, die in het kader van de vergunning bedoeld in* [*artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-6aae) *van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde werd vooruitbetaald voor de invoer van goederen uit de grondgebieden van de lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap die binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vallen, evenwel gespreid over acht kalenderkwartalen wanneer het bedrag van die teruggaaf meer dan 500.000 frank bedraagt. In dat geval vindt de teruggaaf plaats door toerekening van een achtste van de terug te geven belasting op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangifte vak waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan en door toerekening van een achtste van die terug te geven belasting op het bedrag van de belasting verschuldigd voor de zeven volgende kalenderkwartalen of voor de laatste maand van die zeven kwartalen.*
>
> *De belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verricht de toerekening, door het voor teruggaaf vatbare bedrag op te nemen in het bedrag van de herzieningen van belasting voor het aangiftetijdvak.*
>
> *§ 2. Wanneer de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de toerekening niet heeft verricht conform § 1, mag hij dat nog doen in een van de aangiften ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan".*

De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet ([artikel 3 KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3)).

De oorzaak en dus ook de vordering van de teruggave van de onverschuldigd betaalde BTW ontstaan derhalve op het tijdstip waarop deze niet verschuldigde belasting werd voldaan en niet bij het definitief in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest dat over de teruggave uitspraak doet (cf. Gent 27 juni 2006 TFR 2007, afl. 322, 436 en http://tfrnet.larcier.be (2 juni 2007), noot HEYRMAN, K; Rb. Brugge 18 december 2001 FJF 2002, afl. 6, 532 en http://www.monkey.be

(1 september 2008); RABG 2003, afl. 8, 430).

\* Nopens de door **P. V. D.** gefactureerde prestaties

**4.2.9.** Eiseres benadrukt dat zij tevens instaat voor de boekhouding en de administratie van het notariskantoor **M.** evenals het begeleiden van potentiële kopers bij het bezichtigen van panden die te koop worden aangeboden.

Voor deze diensten zou vanaf november 2002 tot juli 2009 beroep zijn gedaan op mevrouw **P. V. D.**. Voordien zou men daarvoor met bedienden hebben gewerkt. Zij zou onder meer hebben ingestaan voor de input van boekhoudkundige stukken, secretariaatswerk, de receptie en de behandeling van dossiers inzake nalatenschappen, echtscheidingen,... Betrokkene zou ook ervaring hebben in de sector van het notariaat.

**P. V. D.** factureerde haar diensten aan eiseres, die deze op haar beurt aan een hoger tarief door factureerde aan het notariskantoor.

Eiseres stelt tal van e-mails met de accountant te kunnen voorleggen waaruit blijkt dat **P. V. D.** wel degelijk administratieve prestaties verrichtte. Zij zou de dagdagelijkse administratie en boekhouding voor haar rekening hebben genomen.

De prestaties van mevrouw **V. L.** en de Comm. **V. A.-L.** zouden de tussenkomsten van **P. V. D.** evenmin fictief maken. Vooreerst zouden beiden enkel in 2008 prestaties hebben verricht, zodat hun tussenkomst al niets zou zeggen over de diensten uit 2007. Bovendien zouden zij evenmin kopers hebben begeleid zoals **P. V. D.** dat deed. Eiseres wijst tevens op de hoegrootheid van de aan beiden gefactureerde bedragen.

Indien de rechtbank de stelling zou bijtreden dat deze prestaties niet tot de economische activiteit van eiseres behoren, dan volgt hier volgens eiseres tevens uit dat minstens deze diensten niet met toepassing van BTW gefactureerd moest worden, in welk geval zij opnieuw recht zou hebben op de teruggave van ten onrechte betaalde BTW op deze facturen.

**4.2.10.** Verweerder wijst er op dat **J.-P. M.** verklaarde dat betrokkene instond voor de boekhouding van eiseres, alsook een aantal administratieve werkzaamheden voor het notariaat. Toen tijdens de controle om stavingsstukken van deze werkzaamheden werd gevraagd, zou men geantwoord hebben dat **P. V. D.** zelf haar uren bijhield en alles "in vertrouwen" gebeurde.

Op 6 december 2010 verklaarde **J.-P. M.** verder dat 90% van de prestaties het notariaat betroffen. Na controle van de facturen komt verweerder echter uit op een verdeling 66 % - 34 % in 2007 en 42 % - 58 % in 2008.

De prestaties voor eiseres zelf, bestaande uit de boekhouding, werden door verweerder geanalyseerd op de bladzijden 37 en volgende van zijn conclusie.

Rekening houdend met het aantal boekingsstukken, komt verweerder aldus uit op een verwerkingstijd van 2u 15 min per factuur in 2007 en ruim 4 uur per factuur in 2008.

Voor het verzorgen van de boekhouding zou de externe accountant van eiseres in 2007 en 2008 bovendien respectievelijk 3.332,00 EUR en 5.284,25 EUR (telkens excl. BTW) hebben aangerekend. Verweerder toetst één en ander ook aan de verklaring van de heer **M.** als zou de externe accountant vanaf 2009 de volledige boekhouding hebben verzorgd - merkwaardig is het volgens verweerder om dan vast te stellen dat voor 2009 door de accountant minder werd gefactureerd dan in 2008 (met name slechts 4.419,75 EUR).

Het aantal te boeken stukken zou doorheen de jaren overigens niet significant gewijzigd zijn.

Voor personeelsadministratie kan **P. V. D.** evenmin ingestaan hebben, nu eiseres geen personeel tewerk stelt.

Bij plaatsbezoeken zouden de ambtenaren verder hebben vastgesteld dat er geen receptie was. Volgens verweerder is het anderzijds ook weinig waarschijnlijk dat eiseres leveranciers en klanten heeft die vaak over de vloer komen.

Ook de administratie voor het verhuurmateriaal kan volgens verweerder weinig om het lijf hebben.

Dezelfde vaststelling zou zich opdringen voor wat het administratief werk betreft voor het opmaken van de afrekeningen van het Notarieel Annonceblad.

Verweerder vervolgt dat het ook markant is dat de kosten die zogezegd voor de boekhouding van eiseres werden gedaan haar inkomsten van 2007 evenaren. In 2008 zou de omzet weliswaar gevoelig hoger zijn geweest, doch als gevolg van een commissie voor de verkoop van aandelen, welke geen noemenswaardige extra prestaties zou hebben gevergd.

De prestaties van de twee andere externen die diensten factureerden aan eiseres zouden enkel het notariaat betreffen. Het is volgens verweerder, gezien de door **P. V. D.** gefactureerde uren, niet geloofwaardig dat zij enkel ingezet werden in geval van overwerk op het notariaat.

**P. V. D.** betreft de ex-echtgenote van **J.-P. M.**. De chronologie leert volgens verweerder dat de echtscheiding samenvalt met het ontslag als zaakvoerster om dan als zelfstandige aan de vennootschap te beginnen factureren, waarbij het factureren opnieuw stopt bij het overlaten van het notariaat door notaris **M.**. Eén en ander doet verweerder vermoeden dat het zou gaan om een verkapte alimentatieregeling.

Wat de e-mails tussen de accountant en **P. V. D.** betreft, vraagt verweerder zich af in welke hoedanigheid betrokkene deze verzond. Verweerder wijst verder ook op het herhaald bijsturen van de uitleg nopens de precieze aard en omvang van de prestaties van **P. V. D.**. Zo zou pas in het verzoekschrift voor deze rechtbank voor het eerst melding zijn gemaakt van bijstand in echtscheidings- en andere dossiers en het verzorgen van de boekhouding van het notariskantoor. In conclusies komt men dan weer voor het eerst aandraven met bijstand bij de verkoop door eiseres.

**4.2.11.** Op de bladzijde 12 van het proces-verbaal (stuk 5 verweerder) verklaarde **J.-P. M.** dat **P. V. D.** instond voor de boekhouding van eiseres, alsook een aantal administratieve werkzaamheden voor het notariaat. Op diezelfde bladzijde noteerde de administratie tevens de verklaring van eiseres dat haar boekhouding vanaf 2009 volledig door externe accountant G&V (in de persoon van de heer **G.**) werd verzorgd.

Op de facturen zelf werd als omschrijving telkens het volgende vermeld: *"Voor imput van boekhoudkundige stukken. Algemene administratie secretariaatswerk, receptie"*, met uitzondering van de factuur van 02/12/2008 waarop tevens vermeld stond : "controlecommissie notarissen" (stuk 6 en 34 eiseres).

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de hand van een gedetailleerde en nauwgezette analyse van de facturenstroom van **P. V. D.** aan eiseres enerzijds en van eiseres aan het notariaat anderzijds en het totaal aan boekhoudkundig te verwerken stukken in 2007 en 2008 tot een aantal ongerijmdheden komt. Niet alleen blijkt eiseres hiervoor geen enkele verklaring te kunnen aanreiken, zij gaat het hele debat eenvoudig uit de weg door in conclusies met geen woord over de frappante resultaten van dit onderzoek te reppen.

De cijfers en de uiteenzetting van verweerder, weergegeven op de bladzijden 36 tot en met 39, worden op geen enkele manier door eiseres ontzenuwd, hetgeen alvast noopt tot de conclusie dat het bijhouden van de boekhouding geen verklaring kan bieden voor de omvang van het gefactureerde.

Drie uittreksels van de loonadministratie in 2001 tonen weliswaar aan dat er in dat jaar telkens een persoon in loondienst was bij eiseres, doch het blijkt niet dat deze personen in 2007 en 2008 (gecontroleerde periode) ook nog in dienst waren.

Het blijkt verder uit niets dat eiseres beschikt over een receptie, laat staan dat aldaar met een dermate frequentie leveranciers, klanten of andere zakelijke contacten opdagen dat zij de door **P. V. D.** gefactureerde prestaties kunnen verklaren.

Gezien de aanrekening van een vast bedrag per kwartaal, stemt de rechtbank ermee in dat de daaraan verbonden administratie evenmin significante prestaties kan hebben omvat en ook het administratief werk voor het opmaken van de afrekeningen van het Notarieel Annonceblad mag geacht worden beperkt en eenvoudig van aard te zijn geweest. Het tegendeel wordt alleszins niet beweerd door eiseres, laat staan aangetoond. Bovendien worden de concrete, zij het dan beperkte prestaties, die **P. V. D.** hiertoe verricht zou hebben andermaal niet gestaafd met stukken. De eenvoudige beweringen van eiseres en betrokkene zelf kunnen niet volstaan als bewijs in rechte.

Nopens het rondleiden van klanten in panden die te koop worden aangeboden, merkt de rechtbank op dat van dergelijke prestaties geen gewag werd gemaakt tijdens de controle. Evenmin kan deze taak geacht worden vervat te zijn in de gebruikelijke omschrijving op de facturen : *"Voor imput van boekhoudkundige stukken. Algemene administratie secretariaatswerk, receptie"*. Er worden ook geen andere stukken aangereikt die enige prestatie in die zin aannemelijk maken.

Ook wat de beweerde bijstand in notariaatsdossiers betreft, dringt de vaststelling zich op dat hier ter gelegenheid van de controle helemaal geen melding van gemaakt werd. Deze prestaties worden evenmin verder gestaafd of toegelicht aan de hand van concrete stukken. Wat 2008 betreft werden de bezoeken aan te koop staande panden overigens geregeld door **I. V. L.**.

Wat de andere externe kracht van het notariaat betreft (Comm. **V. A.-L.**) verklaarde notaris **M.** bij de controle nog dat zij enkel ingezet werd in geval van overwerk op het notariaat, hetgeen door verweerder aan de hand van een vergelijking met de door **P. V. D.** gefactureerde uren werd doorprikt als ongeloofwaardig.

De beweerde "talrijke" e-mails tussen **P. V. D.** en de accountant betreffen amper 10 berichten, daterend van respectievelijk 2005, 2007 en 2009 (stuk 40 eiseres). Het wekt op zich al verwondering dat over een tijdspanne van vier jaar slechts 10 berichten naar voor gebracht kunnen worden - hetgeen op zeer gespannen voet staat met de bewering als zou betrokkene hebben ingestaan voor nagenoeg alles wat aan administratie bij de vennootschap van eiseres kwam kijken. Voor 2008 bijvoorbeeld, het tweede jaar van de gecontroleerde periode, ligt niet één bericht voor ! Van 2007 is er slechts één enkel mailtje (!) waarin betrokkene voor notaris **M.** een afspraak maakt met de accountant. Van iemand die instaat voor de input van boekhoudkundige stukken, secretariaatswerk, de receptie en de behandeling van concrete dossiers inzake nalatenschappen, echtscheidingen,... mag men integendeel een zeer intensieve e-mailcorrespondentie verwachten, en dit op dagelijkse basis. Waar eiseres met deze mails de voorgehouden prestaties van **P. V. D.** als administratieve spilfiguur wil rechtvaardigen, bewijzen deze door hun ontstellend gering aantal alsook door hun inhoud precies het tegendeel. Deze berichten kunnen dus in geen geval de totaliteit van de gefactureerde prestaties schragen.

In het bericht van 18 april 2005 werd verzocht om de mededeling van een kopie van de laatste verkoopfacturen van eiseres, hetgeen opnieuw doet betwijfelen aan het feit dat zij verantwoordelijk was voor de administratie. De berichten van 7 september 2005 en 14 september 2005 betreffen de aangifte in de personenbelasting van **J.-P. M.** zelf en de controle daarop en hebben dus geen betrekking op de activiteiten van eiseres.

Al deze e-mails werden bovendien verzonden vanop een e-mailadres, verbonden aan het notariaatskantoor, zodat men zich inderdaad vragen kan stellen nopens de hoedanigheid waarin de ex-echtgenote van de notaris tussenkwam. In die zin laten deze e-mails wel vermoeden dat **P. V. D.** "iets" deed doch het is maar zeer de vraag in wiens opdracht en voor wiens rekening. Anders gezegd, het blijkt uit niets dat eiseres de begunstigde van deze prestaties was, in die zin dat van deze prestaties niet dienstig waren voor de belastbare handelingen van eiseres.

Tot slot kan ook de eigen verklaring van **P. V. D.** nopens de door haar verrichte werkzaamheden voor deze rechtbank niet volstaan als objectief bewijs (stuk 8 eiseres), gezien de nauwe betrokkenheid met eiseres en **J.­B. M.**. Deze verklaring dateert ten andere van na het ontstaan van het geschil met de administratie.

De rechtbank besluit dat de door **P. V. D.** aangerekende uren niet verklaard kunnen worden door het bijhouden van de boekhouding, noch door enige van de overige aangehaalde taken en de realiteit van deze prestaties niet gestaafd worden aan de hand van concrete en objectieve bewijsstukken.

Mogelijk ging het inderdaad om een verkapte vorm van alimentatie doch het is evenzeer denkbaar dat de ex-echtgenote van notaris **M.**, vertrouwd met het reilen en zeilen van het notariaat, na de echtscheiding weliswaar niet langer als zaakvoerder tussenkwam doch zich niettemin verder in goede verstandhouding ten dienste stelde van het notariskantoor en vooral de notaris zelf. Ook in de e-mails valt het op dat herhaaldelijk verwezen wordt naar een vraag om een afspraak van "de notaris" of een bespreking met "de notaris". Betrokkene wekt hierin zeer sterk de indruk te handelen als een soort persoonlijke secretaresse van de notaris zelf. In de mate dat eiseres in deze berichten aan bod komt, kunnen deze aldus in verband worden gebracht met de betrokkenheid van **J.-P. M.** als aandeelhouder van eiseres. Deze voor rekening van de notaris en/of diens kantoor verrichtte prestaties werden in dat geval niet rechtstreeks gefactureerd aan het notariskantoor, wellicht om discussies met de fiscus nopens de werkelijkheid van de prestaties (alimentatie ?) te vermijden, doch wel aan eiseres als aparte rechtspersoon, die dan op haar beurt deels door factureerde aan het notariskantoor.

Samengevat oordeelt de rechtbank dat ook de aftrek van BTW op de prestaties, gefactureerd door **P. V. D.** terecht werd geweigerd, bij gebrek aan bewijs van geleverde prestaties die verband houden met de economische activiteit van eiseres.

\* Betreffende de Vespa-scooter

**4.2.12.** Eiseres zou in het kader van haar dienstverlening heel wat verplaatsingen verrichten in de stadskern van Gent, welke men nu eenmaal makkelijker zou kunnen afleggen met een scooter. In het kader van deze dienstverlening zouden immers regelmatig stukken moeten worden opgevraagd bij het stadsbestuur en de rechtbank.

Reeds voor de gecontroleerde periode zou eiseres daartoe al een bromfiets hebben aangewend. Tijdens de controle voor de jaren 2005 en 2006 zou hier overigens niet de minste opmerking over gemaakt zijn.

De insinuaties nopens het gebruik door de dochter van notaris **M.** zijn volgens eiseres ongegrond, nu zij niet over het daartoe vereiste rijbewijs zou beschikken.

**4.2.13.** Bij de controle verklaarde notaris **M.** de scooter zelf te gebruiken, doch zonder dat hiervan een concreet bewijs werd aangereikt en zonder dat deze kosten werden doorgefactureerd aan het notariaat.

Verweerder merkt hierover op dat betrokkene in de gecontroleerde periode slechts aandeelhouder was en geen zaakvoerder of personeelslid. Indien hij de scooter al gebruikte voor beroepsmatige verplaatsingen, zou dit dus enkel op het ambt van notaris kunnen slaan. Dit zou dan betekenen dat eiseres de scooter gratis ter beschikking stelde, hetgeen geen recht op aftrek kan verschaffen.

Ook de piste van het gebruik door **M. M.** was volgens verweerder slechts een optie die hij naar voor bracht. De werkelijke reden van de verwerping zou schuilen in het gebrek aan enig gebruik voor de economische doeleinden van eiseres.

Van de zogeheten ruime dienstverlening van eiseres zou in het dossier niets te bespeuren vallen.

De bewering dat de scooter zou zijn aangekocht ter vervanging van een bromfiets die men al in 1992 aankocht, houdt volgens verweerder geen steek. Een eventueel voorheen ten onrechte genoten recht op aftrek dat niet door de administratie werd opgemerkt, zou geen voortdurend recht verlenen om bij vervanging van het goed de BTW opnieuw af te trekken.

**4.2.14.** De rechtbank is het ook wat dit twistpunt betreft eens met de administratie.

De beweerde ruime dienstverlening welke frequente verplaatsingen in de Gentse binnenstad noodzakelijk zou maken, wordt niet gestaafd door de stukken van het dossier. De beweringen van eiseres zijn andermaal algemeen en weinig concreet en worden alleszins niet met objectieve stukken onderbouwd.

Eiseres verliest in haar argumentatie bovendien uit het oog dat **J.-P. M.** tijdens de controlewerkzaamheden tot twee keer toe herhaalde dat hij de scooter zelf gebruikte voor zijn verplaatsingen in de stad. In de gecontroleerde periode 2007-2008 was betrokkene evenwel niet actief als zaakvoerder of personeelslid van eiseres en waren zijn beroepswerkzaamheden beperkt tot de uitoefening van het ambt van notaris.

Ter terechtzitting van 22 mei 2013 suggereerde de raadsman van eiseres nog dat **J.-B. M.** als werkend vennoot van eiseres actief was, doch het roept vragen op dat deze bewering pas voor het eerst in de pleidooien aan bod komt en niet in conclusies werd ontwikkeld, laat staan aan de administratie ter gelegenheid van de controle werd meegedeeld. Deze bewering is dan ook niet geloofwaardig. Er zijn in het dossier overigens ook wat deze bewering betreft geen stukken die tot staving ervan aangewend kunnen worden.

Het voldoen aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid moet bovendien getoetst worden in relatie tot het bedoelde goed zelf, waarbij in het verleden aangekochte goederen (in dit geval de in 1992 aangekochte bromfiets) in principe niet ter zake doen. Het repetitief karakter van een bepaalde aankoop is evenmin determinerend om dit te kaderen binnen de economische activiteit van de vennootschap. Het is dus niet omdat men eerder al een bromfiets aankocht, dat deze voertuigen noodzakelijk geacht moeten worden voor de economische doeleinden van eiseres te zijn ingeschakeld.

Het is bovendien mogelijk dat hier door de administratie voordien nooit opmerkingen over gemaakt werden omdat men het eenvoudig niet ter gelegenheid van een controle heeft opgemerkt. Het feit dat de aftrek van voorbelasting betreffende dergelijk vervoersmiddel tot 2007-2008 aan het kritische oog van de administratie is ontsnapt kan dus geen recht op behoud van de aftrek genereren, noch enige gerechtvaardigde verwachting welke door de administratie op straffe van schending van het vertrouwensbeginsel gehonoreerd zou moeten worden.

Ook wat de scooter betreft, dringt zich derhalve de vaststelling op dat er geen bewijs voorligt van enig verband met de dienstverlening van eiseres, zodat de geweigerde aftrek van de voorbelasting andermaal gegrond is.

\* Betreffende het scherm met PC-connectie

**4.2.15.** Eiseres benadrukt dat zij onder meer informaticadiensten verleent en in deze context de volledige IT-infrastructuur van het notariskantoor bezit en beheert en hier op maandbasis 750,00 EUR voor factureert. Ook andere notarissen zouden eiseres al hebben gecontacteerd om hun website en intranet te beheren.

Door de voor te lezen akten op een groot plasmascherm te vertonen wilde men het voor alle betrokken partijen vergemakkelijken om de voorlezing te volgen.

De verbinding van het scherm met de computer zou dan weer toelaten na te gaan of de gewenste wijzigingen aan de akte ook effectief doorgevoerd werden.

Eiseres wijst ook op het schrijven van notaris **D.** tot bevestiging van het gebruik van het toestel voor de beschreven doeleinden. Bij de overname van het kantoor zou deze notaris evenwel beslist hebben het scherm met bijhorende geluidsinstallatie niet over te nemen, waarna deze werden verkocht op 23 december 2010.

Ondergeschikt, voor zover de rechtbank de redenering van de administratie zou volgen, maakt eiseres opnieuw aanspraak op de teruggave van de BTW op grond van de hierboven reeds toegelichte redenering.

**4.2.16.** Verweerder zet uiteen dat de controlerende ambtenaren bij het eerste bezoek via de achterzijde van het pand (adres van eiseres) naar het notariskantoor aan de voorzijde werden geloodst, waartoe zij het volledige gebouw dienden te doorkruisen. Daarbij zouden zij opgemerkt hebben dat het toestel opgesteld was in een doorgang tussen het kantoor van de notaris en de werkruimte van de bedienden en dus niet in het kantoor van de notaris zelf.

Tijdens de bijeenkomst van 6 december 2010 zou notaris **M.** ontkennend hebben geantwoord op de vraag of het toestel nog in de zaak stond, zonder daar enige verdere uitleg bij te geven. Bij een bezoek aan het kantoor daags nadien zou het toestel niet meer op de aanvankelijke plaats hebben gestaan.

Bij de eerste controle dag was de bestelbon gehecht aan de factuur, doch nadien werd dit stuk weer verwijderd. Verweerder slaagde er naar eigen zeggen niettemin in een kopie bij de leverancier te bemachtigen, hetgeen naar eigen alleen maar het vermoeden bevestigde dat het de bedoeling was deze privé­ aankoop weg te moffelen in de kosten van de BVBA.

Verweerder laat ook opmerken dat het niet gaat om een hoogtechnologische computer met allerhande op de notariswereld afgestemde toepassingen maar om een eenvoudig televisietoestel met Blue-ray-homecinema. De verhullende vermelding "scherm met pc connectie voor PowerPoint toepassingen" zou op vraag van de klant zijn aangebracht.

Gezien de vindplaats van het toestel acht verweerder het ook zeer onwaarschijnlijk dat dit gebruikt werd bij het voorlezen van akten. Het zou er veeleer op lijken dat het toestel in functie van het aangekondigde controlebezoek daags voordien vlug van de private vertrekken op de bovenverdieping naar het kantoor beneden werden verhuisd.

Ook de verklaring van notaris **D.** kan verweerder naar eigen zeggen niet overtuigen.

**4.2.17.** Eiseres ontkent niet het toestel bij het controlebezoek van de administratie opgesteld was in de gang en zich dus niet bevond in het kantoor van de notaris zelf.

Van een toestel dat ingeschakeld wordt bij het voorlezen en corrigeren van akten, zou men nochtans verwachten dat dit in het kantoor van de notaris wordt ondergebracht.

De rechtbank ziet niet in wat dergelijk toestel in de gang staat te doen en eiseres biedt hier ook geen aannemelijke verklaring voor.

Het is weliswaar correct dat eiseres aan het notariskantoor factureerde voor het beheer van de IT-Infrastructuur doch dit levert nog niet noodzakelijk het bewijs op dat het betrokken toestel hier deel van uitmaakte.

De rechtbank heeft ook bijzondere aandacht voor de vermeldingen van de bestelbon, aanvankelijk gehecht aan de factuur doch na de eerste controle dag op mysterieuze wijze verdwenen en vervolgens alsnog door de administratie bij de leverancier gerecupereerd. De omschrijving op de bestelbon zelf verwijst naar een televisietoestel, home cinema-systeem en boxen, zonder meer. Bij de gegevens van de klant werd echter de volgende handgeschreven vermelding genoteerd : *"scherm met Pc conn vr present."* (stuk 8 verweerder). Op de factuur komt diezelfde vermelding voluit terug, doch deze maal in de omschrijving van het artikel : *"scherm met pc connectie voor powerpointtoepassingen"*. Waar de bestelbon nog in eerste orde de naam van notaris **M.** vermeldt en pas nadien deze van eiseres, valt het tevens op dat op de factuur nog uitsluitend sprake is van eiseres en elke verwijzing naar de notaris in persoon is weggevallen.

Deze werkwijze brengt ook de rechtbank tot het besluit dat het in werkelijkheid ging om een privé-aankoop voor notaris **M.** zelf, welke op zijn instructie op een "aangepaste" wijze werd gefactureerd teneinde te laten uitschijnen dat het om een aankoop ging, bestemd voor de activiteiten van de vennootschap. De merkwaardige locatie van het toestel sluit bij deze conclusie aan.

De verklaring van notaris **D.** doet aan het bovenstaande geen afbreuk. Deze bevestigt immers enkel dat slechts een deel van de computers werden overgenomen, *"met uitsluiting van een plasma scherm en boxen dienstig voor de teksten te tonen bij de voorlezing van de akten en video conferencing"* (stuk 4 eiseres). Hieruit blijkt niet dat de notaris in kwestie ooit zelf heeft vastgesteld dat het scherm voor deze doeleinden werd gebruikt. Men mag niet uit het oog verliezen dat de overname van het notariskantoor dateert van 2011, dus nà het ontstaan van het geschil met de administratie. Eiseres had er in die zin alle baat bij ten aanzien van de overnemer voor te houden dat het toestel deel uitmaakte van de IT-infrastructuur van het ·notariskantoor, teneinde aldus het privé-karakter van deze aankoop te weerleggen. Ook de uiteindelijke verkoop van het toestel, nota bene aan notaris **M.** zelf, met voldoening van BTW, moet in die zin gelezen worden (stuk 5 eiseres).

Bijgevolg wordt ook dit onderdeel van de vordering afgewezen, bij gebrek aan bewijs van inschakeling van het toestel in de economische activiteiten van eiseres.

\* Betreffende het recht op teruggave van de BTW

**4.2.18.** Op de principes die het recht op teruggave van de BTW beheersen, werd hierboven bij de bespreking van de beide vliegtuigen reeds uitvoerig ingegaan (verkoop en verhuur aan anderen dan de heer **M.** zelf en de bij controle vermelde **D. A.**).

Deze principes zijn mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van de verkoop van het televisiescherm met PC-connectie.

Wat verweerder betreft, zou er evenwel geen recht op teruggave bestaan ten aanzien van de met BTW gefactureerde prestaties van **P. V. D.** en de als fictief aangemerkte facturaties voor het verhuur van het vliegtuig OO-URA aan derden. Artikel 77 W.BTW zou in geval van fictieve prestaties geen recht op teruggave van de BTW toelaten.

De rechtbank onderschrijft de visie van verweerder dat fictieve prestaties welke met BTW worden gefactureerd (met nam de diensten van **P. V. D.** en de verhuur van het vliegtuig OO-URA aan anderen dan notaris **M.** en vriend **D. A.**) geen recht op teruggave van deze BTW kunnen doen ontstaan.

Voor deze prestaties wordt de in ondergeschikte orde gevorderde teruggave derhalve afgewezen.

\* Betreffende de geldboete

**4.2.19.** Volgens eiseres was er geen sprake van enig oogmerk om belastingen te ontduiken en zou verweerder falen in zijn bewijslast op dit punt.

De BTW-taxatie zou enkel doorgevoerd zijn omdat eiseres zou nalaten te bewijzen dat de goederen en diensten in kwestie bestemd waren voor BTW­doeleinden. Inzake directe belastingen zou om diezelfde reden het bestaan van aftrekbare kosten zijn verworpen.

Een betwisting over het al dan niet voldoende bewezen zijn van de bestemming tot BTW-doeleinden zou evenwel nog geen fraude of oogmerk tot belastingontduiking aantonen. De administratie van de directe belastingen zou ten andere zijn uitgegaan van een onjuiste aangifte zonder het oogmerk om belastingen te ontduiken.

Ondergeschikt meent eiseres minstens aanspraak te kunnen maken op de kwijtschelding of vermindering van de boetes die strafrechtelijk van aard zijn. Deze rechtbank zou hieromtrent met volle rechtsmacht kunnen oordelen. Het betreft volgens eiseres principiële rechtskwesties welke het opleggen van boetes van dergelijke omvang geenszins kunnen rechtvaardigen.

**4.2.20.** Volgens verweerder heeft eiseres door een bewuste verdraaiing van de feiten gepoogd op onrechtmatige wijze de aftrek van de voorbelasting te bekomen. Het zou dus om veel meer gaan dan het louter niet bewezen voorkomen van bepaalde prestaties of goederen voor BTW-doeleinden. Het feit op zich dat in de berichten van wijziging enkel een belastingverhoging van 10 % werd opgelegd, zou aan het bovenstaande geen afbreuk doen.

Verweerder wijst verder op het gebrek aan een voorafgaand verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de boete bij de bevoegde minister of diens gedelegeerde.

De boete zou opgelegd zijn conform de relevante wetsbepalingen.

Bij zijn beoordeling zou de rechter evenwel niet geplaatst zijn om de opportuniteit van de opgelegde boete te gaan toetsen. De belastingplichtige zou dan ook niet van de boete bevrijd kunnen worden op grond van loutere motieven van billijkheid of opportuniteit.

Volgens verweerder is er hoegenaamd geen sprake van "principiële rechtskwesties". De tekst van artikel 45 W.BTW zou glashelder zijn en geen enkele ruimte voor interpretatie laten.

**4.2.21.** De artikelen 70, § 1 en § 1bis W.BTW luiden als volgt :

> *"§1*
>
> *Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.*
>
> *Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen* *51**, §§ 1, 2 en 4,* *51bis**,* *52**,* *53**,* *53ter**,* *53nonies**,* *54**,* *55* *en* *58**, of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting.*
>
> *§ 1bis.*
>
> *leder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid"*.

Artikel 84, derde lid W. BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde. bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.

De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 in uitvoering van artikel 84 W.BTW, zijn *uitsluitend van toepassing wanneer de inbreuk niet begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken*.

De toepassing van het KB nr. 41 werd in dit geval geweigerd, gezien de vaststelling van het oogmerk van belastingontduiking aan de zijde van eiseres. Met toepassing van artikel 70, § 1bis W.BTW werd integendeel een boete opgelegd die het dubbele bedraagt van het op ongeoorloofde wijze in aftrek gebrachte bedrag.

**4.2.22.** Teneinde na te gaan of de opgelegde boete in wezen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie (cf. Cass. (2 e k.) AR P.99.0517.N, 25 mei 1999 (Laroy), *Arr. Cass.* 1999, 719).

Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete :

1\. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

2\. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

3\. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

4\. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is.

5\. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.

Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie van niet minder dan 114.000,00 EUR in dit geval inderdaad strafrechtelijk van aard is. Deze boete is tegelijk gericht op het bestraffen van eiseres voor de gepleegde inbreuken en het ertoe aanzetten van eiseres om in de toekomst de wettelijke bepalingen inzake BTW correct toe te passen. Bovendien is het bedrag van de boete ook vanuit pecuniair oogpunt als een bijzonder zwaarwichtige sanctie te beschouwen.

Deze administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.

De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, *BS* 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, *F.J.F.* nr. 2003/30).

Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI). Deze bevoegdheid is ook na de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geheel intact gebleven.

In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof terecht geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr. 2008/79).

De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een oogmerk om belastingen te ontduiken in dit geval vaststaat en de gronden tot vermindering uit het KB nr. 41 derhalve terecht buiten beschouwing werden gelaten. De feiten van het dossier, synthetisch gebundeld in het proces-verbaal, tonen een bewust en doelgericht handelen aan, waarbij de belastingplichtige getracht heeft de aftrek van voorbelasting te bekomen, wetende dat daartoe niet aan de voorwaarden was voldaan. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar de fictieve prestaties, gefactureerd door **P. V. D.** en de wijze waarop eiseres de factuur voor het televisiescherm met PC-connectie liet opstellen. Zelfs in het kader van de controle deinsde eiseres er niet voor terug om aan de hand van gemanipuleerde stukken te trachten de administratie op een dwaalspoor te brengen en alsnog het onrechtmatig voordeel van de aftrek te kunnen behouden. Deze volgehouden handelwijze laat niet toe het dossier te reduceren tot een loutere bewijskwestie doch illustreert afdoende de intentie tot belastingontduiking en de afwezigheid van goede trouw.

Evenmin kan de rechtbank de redenering bijtreden als zou het in dit geval gaan over principiële rechtskwesties. De voorwaarden van artikel 45 W.BTW zijn voldoende duidelijk, zo ook voor eiseres, die er niettemin wetens en willens voor geopteerd heeft deze voorwaarden te omzeilen.

Uit de conclusie voor eiseres blijkt anderzijds dat in het kader van directe belastingen eveneens reeds een belastingverhoging zou zijn opgelegd. Nopens deze belastingverhoging worden evenwel geen stukken voorgelegd, onder meer teneinde het bestaan en de exacte omvang van de verhoging met zekerheid te toetsen.

Nu de rechtbank bij de beoordeling tevens rekening kan houden met reeds opgelegde sancties, meent zij dat deze stukken relevant zijn. Alvorens verder over dit onderdeel van de vordering te oordelen, worden de debatten derhalve op dit punt ambtshalve heropend.

\* Betreffende de interesten

**4.2.23.** Bij gebrek aan voorafgaande ingebrekestelling voor de verschuldigde sommen, meent verweerder dat eiseres geen aanspraak kan maken op de moratoire interesten, bedoeld in artikel 91, § 4 W.BTW.

De vordering voor deze rechtbank staat wat eiseres betreft ten andere wel degelijk gelijk aan een aanmaning.

**4.2.24.** De rechtbank merkt op dat de vordering tot betaling van interesten betrekking heeft op de terugbetaling van de krachtens het dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen, te weten de BTW en bijhorende boete, dit in geval de rechtbank tot de nietigverklaring van het dwangbevel zou besluiten. Deze vordering berust met andere woorden integraal op de hypothese waarin de rechtbank de grieven van eiseres tegen het dwangbevel zou aannemen. Uit de bovenstaande beoordeling blijkt dat zulks niet het geval is, waardoor dit onderdeel van de vordering thans zonder voorwerp is geworden.

\* Voor wat betreft de kosten van het geding

**4.2.25.** Nu onderhavig vonnis slechts een tussenvonnis betreft, wordt de beslissing over de kosten ambtshalve aangehouden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en reeds in de hierna bepaalde mate gegrond.

Beveelt dienvolgens de teruggaaf van de ten onrechte betaalde BTW over de volgende handelingen, terug betaalbaar conform de in bovenstaande uiteengezette motieven principes van artikel 77, § 1, 1° W.BTW en het KB nr. 4 :

\- De verkoop van het scherm, de Blue Ray DVD-speler en de boxen d.d. 23 december 2010 : teruggaaf van de BTW ten bedrage van 569,10 EUR;

\- De verhuur van het vliegtuig OO-URA van 2007 tot en met heden : teruggaaf van de BTW van 1.239,84 EUR;

\- De verkoop van het vliegtuig OO-URS op 30 januari 2013 : teruggaaf van de BTW ten bedrage van 13.276,86 EUR.

Alvorens verder recht te doen ten gronde.

Beveelt ambtshalve de heropening van de debatten teneinde de partijen toe te laten stukken voor te brengen inzake de belastingverhoging, toegepast door de administratie van de directe belastingen, en hierover standpunt in te nemen, conform de bovenstaande motieven.

Stelt de zaak daartoe in voortzetting op de terechtzitting van deze rechtbank en kamer van **30 juni 2014** om 09.00 uur.

Houdt de beslissing over de kosten ambtshalve aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **zeventien juni tweeduizend en dertien**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. D. C.**

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 4 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen

[KB nr. 7 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-6aae) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 53ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Interest, Systeem van verrekening, Tarief interest](https://juriel.be/nl/rechtspraak/interest-systeem-verrekening-tarief-strijdigheid-cassatie-brussel-2023-03-24-9b56) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Neutraliteitsbeginsel, proportionele geldboete, interesten, voorafgaande kennisgeving, fraudetermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/neutraliteitsbeginsel-proportionele-geldboete-interesten-rechtbank-hasselt-2024-01-18-62ca) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, andere vrijstelling, bijzondere regeling, kleine onderneming, strafbepaling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-bijzondere-regeling-kleine-rechtbank-hasselt-2007-11-28-0322) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belasting over de toegevoegde waarde Vrijstelling art. 44](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-vrijstelling-art-hof-van-beroep-luik-2014-02-12-69c3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-rechtbank-dendermonde-2001-12-27-ac9f) 2 gemeenschappelijke bepalingen
