Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 20.02.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 11/1288/A
M. I. EN A. NV, RPR Tongeren - KBO …, geïdentificeerd voor BTW-doeleinden onder het nummer BE …, met vennootschapszetel gevestigd te …, …,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. W. H., advocaat te …, …,
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
2. DE REKENPLICHTIGE AMBTENAAR VAN DE FOD FINANCIËN, Inning en Invordering, sector BTW, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Hasselt 2, met kantoor gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 47,
verweerders,
vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heren O. E., eerstaanwezend inspecteur - diensthoofd bij een fiscaal bestuur en M. F., eerstaanwezend inspecteur- diensthoofd bij een fiscaal bestuur,
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- de inleidende dagvaarding dd. 8/04/2011 betekend aan eerste verweerder, d.d. 13/04/2001 betekend aan tweede verweerder,
- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder,
- de conclusies; syntheseconclusies en stukken van eiseres.
I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN
De betwisting heeft betrekking op een geschil inzake BTW.
Bij eiseres werd door de belastingadministratie een controle uitgevoerd op de toepassing van de BTW-wetgeving.
Er werden door de administratie overtredingen tegen de aftrekregeling vastgesteld. De administratie verwierp de aftrek van de BTW op de aankoop stadskledij en bril voor een totaal bedrag van 3.403,71 euro.
Het resultaat van de controleverrichtingen inzake BTW nam verweerder op in een proces-verbaal van 23.11.2010.
Op 01.12.2010 werd tegen eiseres een dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door de heer T. D., d.d. Eerstaanwezend Inspecteur, gesteund op het proces-verbaal van 23.11.2010. Het dwangbevel werd op 07.12.2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Bij aangetekende kennisgeving van een dwangbevel d.d. 09.12.2010 werd aan eiseres een voor eensluidend verklaard afschrift van het dwangbevel overgemaakt.
In dit dwangbevel werden volgende bedragen gevorderd :
- 3.403,71 euro BTW
- 340 euro boete
alsook de intresten en vervolgingskosten.
Vervolgens ging eiseres over tot betaling van het in het dwangbevel gevorderde bedrag en dit louter ter vermijding van praktische ongemakken en onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkenning of bekentenis.
Bij gerechtsdeurwaardersexploot tekende eiseres verzet aan tegen voormeld dwangbevel en dagvaardde de Belgische Staat en de rekenplichtige ambtenaar van de FOD Financiën teneinde te verschijnen voor de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.
Eiseres vordert :
- het proces-verbaal van 23.11.2010 opgesteld door de heer F. M., e.a. Inspecteur van de FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, ter beschikking gesteld van de AOIF, Controlecentrum Tongeren van onwaarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van eiseres gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn;
- de Belgische Staat te veroordelen om de ten onrechte ingehouden of ten onrechte door eiseres betaalde bedragen aan eiseres terug te betalen meer de intresten;
- verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding begroot op de kosten van dagvaarding 303,72 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 715 euro.
De Belgische Staat, verweerder, besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de vordering van eiseres en vordert eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding. Verder stelt verweerder dat de gemaakte kosten van dagvaarding ten laste van eiseres dienen te blijven, nu zij de mogelijkheid had haar vordering opzichtens verweerders in te stellen bij gewoon verzoekschrift op tegenspraak overeenkomstig art. 1385decies Ger. W.
II. IN RECHTE
Vooreerst merkt de rechtbank op dat uit de motivering van de conclusies van eiseres blijkt dat haar vordering in feite gericht is op het voor onwaarde verklaren van het dwangbevel dat evenwel gesteund is op het proces verbaal 23.11.2010 en dat zij derhalve terugbetaling wenst te bekomen van hetgeen zij onder voorbehoud op basis van voormeld dwangbevel betaalde.
1. De ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
a. Aftrek BTW
Volgens eiseres is de verwerping van de aftrek van BTW over de niet-specifieke beroepskledij ontoelaatbaar.
Volgens verweerder daarentegen werd de aftrek van de BTW terecht verworpen op grond van art. 45, § 1 W.BTW.
Eiseres voert aan dat de kledij waarvan de voorbelasting in aftrek werd gebracht beroepsmatig gemaakte kosten betreft. Eiseres stelt dat zij actief is in de sector van de vastgoedmakelarij en zij bij wege van haar bestuurders optreedt als tussenpersoon bij de aan- en verkoop en bij de huur en verhuur van onroerende goederen in de regio …. Volgens eiseres dienen haar bestuurders dan ook voortdurend professionele contacten te onderhouden met mogelijke kopers en verkopers, respectievelijk huurders en verhuurders. Eiseres stelt dat zij haar bestuurders voorziet van de nodige beroepskledij (kostuums, hemden, dassen, tailleurs, jassen ... ) teneinde er tijdens deze zakelijke contacten steeds onberispelijk en conform een bepaalde stijl uit te zien.
Art. 45, § 1 W.BTW bepaalt :
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën, te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
Het recht op aftrek wordt niet vermoed en moet door de belastingplichtige worden bewezen.
Te dezen faalt eiseres in de op haar berustende bewijslast.
De in art. 45, § 1 W.BTW bedoelde goederenlevering en diensten zijn alleen en uitsluitend die welke een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit verricht. In principe houdt dit de uitsluiting in van iedere aftrek van voorbelasting geheven van uitgaven die bestemd zijn voor het verrichten van goederenlevering en diensten voor privé-doeleinden en voor andere doeleinden dan die economische activiteit.
Eiseres dient zelf het bewijs te leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek wel degelijk bestaat met andere woorden dat de door haar ontvangen goederen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die een recht op aftrek verlenen.
De goederen en diensten waarvan de BTW-aftrek wordt gevorderd moeten aldus voldoende bijdragen tot de belaste activiteit van de belastingplichtige en er moet een voldoende verband zijn tussen de gedane uitgaven en de activiteit van eiseres.
Ter zake bewijst eiseres niet dat er een verband bestaat tussen de kosten voor kledij en haar activiteit als vastgoedmakelaar.
De aankoop van kledij voor haar bestuurders vertoont wezenlijk een privé-gebruik. Eiseres betwist ook niet dat het te dezen kledij betreft die in het privé-leven kan gebruikt worden.
De mogelijke wijze waarop deze kosten in de vennootschapsbelasting door de belastingadministratie behandeld werden, doet geen afbreuk aan voorgaande.
De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.
Gelet op voorgaande zijn alle overige argumenten van partijen niet ter zake dienend en/of overbodig.
De rechtsplegingsvergoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.
Partijen hebben terzake standpunt ingenomen.
De vordering is in geld waardeerbaar (zie Cass., 12 maart 2010, F.J.F., 2010/183).
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van verweerders niet bij gebreke aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusies.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer C, op het gerechtshof te Hasselt op 20 februari 2013, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw C. P., enige rechter, en
Mevrouw N. L., hoofdgriffier.
N. L. C. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.