---
title: "10 maart 2006 · Recht op aftrek van belasting · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Recht op aftrek van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 10 maart 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-brussel-2006-03-10-e57b"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

10 maart 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

69 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 10.03.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste Kamer**

**AR 2003/15620/A**

## Fiscaal geschil : BTW

## [Art. 10, 4° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) d.d. 10 december 1969

**op tegenspraak**

**eindvonnis**

In zake van :

**De heer Y. D.**, wonende te …, …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter. **J. D. N.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bemardastraat, 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter. **B.** loco Mter. **J. H.**, advocaat te …, …,

## In deze zaak, in beraad genomen op 21 februari 2006, spreekt de rechtbank

**het navolgend vonnis uit :**

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 9 december 2003,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 28 mei 2004,

• de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 juni 2004 en op 29 september 2004,

• de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 27 augustus 2004.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 21 februari 2006, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

---

## 1. FEITEN

Eiser is sedert 1 juli 1985 als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer ….

Op 1 april 1993 werd tussen eiser en de NV **C.** een handelshuurovereenkomst gesloten waarbij laatstgenoemde aan eiser een gebouwencomplex in huur heeft gegeven bestaande o.m. uit een restaurant, feestzaal en vergaderzaal.

Overeenkomstig artikel 8 van deze handelshuurovereenkomst was de huurder gerechtigd verbouwingen uit te voeren met het oog op het uitbaten van de handelszaak. Bij de beëindiging van de huurovereenkomst zouden de verbouwingen door de verhuurder zijn verworven en door hem aan de huurder worden vergoed.

Tussen 1997 en 2001 heeft eiser aanzienlijke verbouwingswerken laten uitvoeren, voornamelijk aan de feestzaal, tuin en parking. De BTW verschuldigd op de kostprijs van de uitgevoerde werken werd door eiser in aftrek gebracht.

Op 10 augustus 2001 heeft de NV **C.**, waarvan eiser eveneens afgevaardigd bestuurder was, met betrekking tot hetzelfde onroerend goed een handelshuurovereenkomst afgesloten met de heer **M. G.**. Op dezelfde dag werd een tweede overeenkomst afgesloten, thans tussen eiser en de heer **G.**, met betrekking tot de verhuring van het handelsfonds gelegen in het voormelde onroerend goed.

Op 24 september 2002 heeft de administratie bij eiser een controle uitgevoerd voor de periode 1 januari tot 31 december 2001. De verificateur besloot dat de gedane investeringen sedert 10 augustus 2001 hadden opgehouden te bestaan in de onderneming van de belastingplichtige derhalve dat een herziening diende te worden verricht overeenkomstig [artikel 10, 4° van het Koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) *'met betrekking tot de aftrekregeling van de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde'* (hierna : KB nr. 3).

De vaststellingen werden vermeld in een proces-verbaal van 14 november 2003. De opsteller kwam hierin tot het besluit dat de belastingplichtige nog een bedrag verschuldigd was van € 19.855,11 ten titel van BTW, te vermeerderen met een verminderde boete van € 1.980,00, vermeerderd met de interesten. Het proces-verbaal werd dezelfde dag aan eiser bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht.

Op grond van de vaststellingen vermeld in dit proces-verbaal werd op 17 november 2003 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 november 2003 door de door de gewestelijke directeur aangewezen ambtenaar werd geviseerd.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het dwangbevel en het proces-verbaal waarop het dwangbevel is gesteund te horen vernietigen en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de interesten en kosten.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

**3.1.** Overeenkomstig [artikel 45 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) (hierna W.BTW) mag de belastingplichtige, van de door hem verschuldigde belasting, de BTW in aftrek brengen die werd geheven op de aan hem geleverde goederen en diensten.

Artikel 48, § 2 W.BTW bepaalt evenwel dat de aftrek van de belasting geheven op bedrijfsmiddelen onderworpen is aan een herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar. De herziening heeft plaats, elk jaar, tot beloop van één vijfde van het bedrag van die belasting, wanneer enige wijziging is opgetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen.

Partijen betwisten niet dat de door eiser geïnvesteerde goederen te beschouwen zijn als bedrijfsmiddelen in de zin van [artikel 6 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-3e1c), met name lichamelijke goederen die bestemd zijn op duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen, en dat de geleverde diensten overeenkomstig artikel 7 van hetzelfde KB strekken of bijdragen tot het totstandkomen, het verbeteren, of het omvormen van deze bedrijfsmiddelen.

[Artikel 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10), [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art4) van het KB nr. 3 verplicht de belastingplichtige tot herziening wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan, tenzij aangetoond wordt dat zulks het gevolg is van een levering die recht geeft op aftrek of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd.

**3.2.** Eiser betoogt dat de goederen zijn onderneming helemaal niet hebben verlaten en verwijst daarbij naar de overeenkomst afgesloten met de heer **G.** waarbij hij, samen met zijn echtgenote, het persoonlijke handelsfonds heeft verhuurd. De verhuring wijst er volgens eiser op dat hij nog steeds eigenaar is van dit handelsfonds - met inbegrip van de kwestieuze bedrijfsmiddelen - derhalve dat de administratie ten onrechte een herziening heeft toegepast.

Nochtans dient te worden vastgesteld dat de handelshuurovereenkomst tussen eiser en de NV **C.** verbroken werd. In ontkennend geval zou eiser immers met de heer **G.** een overeenkomst van onderverhuring hebben afgesloten terwijl het thans de NV **C.** zelf is die met de nieuwe handelshuurder heeft gecontracteerd.

Bijgevolg staat vast dat eiser niet het minste zakelijk of persoonlijk recht meer kan doen gelden op (het gebruik van) het onroerend goed waarin het restaurant, de feestzaal en de vergaderzaal werd ondergebracht.

De door eiser geïnvesteerde goederen zijn zonder uitzondering alle onroerend door bestemming geworden. Zulks blijkt uit de in het proces-verbaal van 14 november 2003 opgenomen lijst. Overeenkomstig artikel 553 van het burgerlijk wetboek worden de resultaten van de werken uitgevoerd op de terreinen en aan de gebouwen van de NV **C.** geacht aan haar toe te behoren. Eiser bewijst niet dat de eigendom van deze goederen aan hem werd voorbehouden.

Derhalve kan niet anders dan besloten worden dat eiser elk gebruiks- en beschikkingsrecht over de geïnvesteerde bedrijfsmiddelen heeft verloren, zodat hij deze evenmin kon verhuren aan de heer G..

Overigens dient te worden vastgesteld dat artikel 1 van deze huurovereenkomst bepaalt dat het verhuurde handelsfonds bestaat uit roerende goederen - vermeld in een thans niet bijgevoegde bijlage - en onlichamelijke bestanddelen zoals cliënteel en goodwill. Noch de huurrechten, noch de geïnvesteerde goederen schijnen deel uit te maken van het handelsfonds.

Derhalve kon de administrateur terecht besluiten dat de goederen de ondernemingen hadden verlaten.

Het feit dat eiser nog geen vergoeding zou hebben ontvangen voor de gedane verbouwingen, zoals gestipuleerd in artikel 8 van de oorspronkelijke handelshuurovereenkomst tussen eiser en de NV **C.**, bewijst nog niet de goederen de onderneming niet zouden hebben verlaten. Hieruit zou hoogstens afgeleid kunnen worden dat eiser nog een persoonlijk recht op vergoeding kan uitoefenen lastens de NV **C.**.

Het middel is derhalve ongegrond.

**3.3.** Tot slot is eiser van oordeel dat de administratie zou hebben gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Met name zou de administratie nagelaten hebben te antwoorden op de middelen ontwikkeld in het schrijven dat de raadsman van eiser aan de administratie heeft gericht op 1 augustus 2003.

Voormeld schrijven van 1 augustus 2003 wordt door partijen niet neergelegd zodat niet kan worden nagegaan welke middelen werden ingeroepen. Eiser geeft in conclusie evenmin een overzicht van de middelen waarop hij zich heeft gesteund.

Bovendien kan enkel worden vastgesteld dat het proces-verbaal van 14 november 2003 op voldoende en volledige wijze de redenen omschrijft waarom de administratie van oordeel was dat tot herziening diende te worden overgegaan.

De middelen welke tijdens dit geding werden ingeroepen, en waarvan mag worden aangenomen dat zij niet verschillen van deze die werden ingeroepen in het schrijven van 1 augustus 2003, werden reeds in het proces-verbaal behandeld.

Het tweede en laatste middel is eveneens ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiser tot betaling van de gedingkosten, begroot op € 356,97 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij en op € 356,97 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de **35ste kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **10 maart 2006**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **P. H.**, rechter

Mevrouw **N. F.**, afgev. adj.-griffier

**N. F.** **P. H.**

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 3 art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 3 voorkomens

[KB nr. 3 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-3e1c) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Bedrijfsmiddel, Overdracht bedrijfsmiddel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bedrijfsmiddel-overdracht-herziening-cassatie-brussel-2021-09-30-3429) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Beperking recht op aftrek, Innings- en invorderingsregister, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-beperking-recht-aftrek-innings-rechtbank-brugge-2023-02-20-6127) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kans- en geldspelen, Langs elektronische weg aangeboden, Vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kans-geldspelen-langs-elektronische-weg-hof-van-beroep-gent-2023-06-664d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vestiging recht van erfpacht, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vestiging-recht-erfpacht-aftrek-herziening-hof-van-beroep-antwerpen-2019-06-04-fe32) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Economische activiteit, Investeringen, Oorspronkelijke kunstwerken, belastbaarheid, kunstvoorwerp](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-economische-activiteit-investeringen-cassatie-brussel-2024-02-22-11ab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Controle, Overname, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-controle-overname-recht-aftrek-rechtbank-2026-04-09-4381) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bouwen van een appartementsgebouw, Bestemming voor de beroepsactiviteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bouwen-appartementsgebouw-bestemming-beroepsactiviteit-wijziging-rechtbank-2025-09-23-a01c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Grondwettigheid en wettelijkheid van koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grondwettigheid-wettelijkheid-december-omvang-recht-hof-van-beroep-brussel-2016-12-15-0448) 2 gemeenschappelijke bepalingen
