Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 11 april 2005

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-brugge-2005-04-11-2379

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
11 april 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 11.04.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 03/1187/A

de heer E. D., aannemer van bouwwerken (HR Kortrijk nr. …), wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester F. K., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van de 3e BTW-controle te KORTRIJK, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …, voor wie is opgetreden meester F. H., advocaat te …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 16 april 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 14.03.2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935. op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge zijn activiteit van algemene bouwonderneming. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 11 maart 2002 werd door B. H., waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Kortrijk, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 15 april 2002 werd door B. H. voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 29 mei 2002 werden de gevorderde bedragen onder alle voorbehoud betaald.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 16 april 2003 stelt eiser zijn vordering in.

2.2. Eiser vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan hem van de onder voorbehoud van alle rechten betaalde BTW, boeten en interesten, verhoogd met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum der neerlegging verzoekschrift. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Tenslotte vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 349,53 EUR.

2.3. Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 349,53 EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de ordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW

3.2.1.1. Artikel 45, § 2, 1° lid W.BTW bepaalt het volgende : " Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Verweerder stelt dat de bewuste wagen Toyota Landcruiser type 90 niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen. Hij steunt zich hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald op pagina 2 van de aanschrijving nr. 25 van 1990. Immers, de passagiersruimte omvat twee rijen zetels, de achterste zitbank is naar voren gericht, er is een houten scheidingswand aangebracht tussen de passagiersruimte en de laadruimte, het voertuig heeft een vlakke laadvloer met een lengte die echter kleiner is dan de helft van de wielbasis en in de goederenruimte zijn de zijwanden uitgerust met niet afgedichte ruiten.

De 100 % aftrek van voorbelasting op de aankoop en kosten van de wagen Toyota Landcruiser type 90 werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.

3.2.1.2. Eiser stelt in hoofdorde dat de vordering op grond van artikel 45, § 2 W.BTW onwettig is aangezien voormeld artikel in strijd is met het EG-recht en meer bepaald met de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen.

In ondergeschikte orde stelt eiser dat artikel 45, § 2 W.BTW op hem niet van toepassing is aangezien de bewuste Toyota Landcruiser als lichte vrachtwagen moet worden beschouwd. In dat verband houdt eiser voor dat, aangezien in het W.BTW nergens een omschrijving wordt gegeven van de begrippen "automobiel voor personenvervoer" en "lichte vrachtwagen", er mag aangenomen worden dat hieraan dezelfde betekenis moet worden gegeven als deze voorzien in de reglementering inzake de inschrijving van motorvoertuigen. In artikel 1, 10° van het KB de dato 31.12.1953 betreffende de inschrijving van motorvoertuigen wordt, aldus eiseres, een lichte vrachtwagen omschreven als elk voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van 3.500 kg. dat hoofdzakelijk opgevat en opgebouwd is voor het vervoer van goederen. De in casu door verweerder gehanteerde administratieve aanschrijvingen hebben volgens eiser slechts een indicatieve waarde. De rechter dient derhalve zelf de interpretatie te geven die aan een bepaalde wettekst moet worden gegeven.

Eiser besluit dan ook dat zijn voertuig van het type Toyota Landcruiser type 90 voldoet aan de kwalificatie van lichte vrachtwagen zoals bepaald in het KB d.d. 31.12.1953.

Tenslotte houdt eiser nog voor dat het kwestieus voertuig door het Ministerie van Verkeerswezen wel degelijk als lichte vrachtwagen was behandeld zodat de BTW­administratie het vertrouwensbeginsel schendt door thans het voertuig te omschrijven als een voertuig bestemd voor het vervoer van personen en goederen.

3.2.1.3. Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstill­bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Verder is het duidelijk dat de door de administratie gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

3.2.1.4. In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van "een lichte vrachtwagen" en van "een auto voor dubbel gebruik".

In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt wordt ook geen definitie van lichte vrachtwagen teruggevonden in het thans van kracht zijnde artikel 1 van het KB de dato 31.12.1953 betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. Het door eiseres geciteerde artikel 1, 10° van het KB d.d. 31.12.1953 werd immers afgeschaft en vervangen door artikel 2 van het KB d.d. 11.01.1990 (BS 26.01.1990).

Daarentegen wordt in het KB de dato 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt". Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder".

3.2.1.5. Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW, conform artikel 45, § 2 W.BTW. van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

3.2.1.6. Door de controleagent werden de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 15.04.2002 - stuk 2 van verweerder) :

- de passagiersruimte omvat twee rijen zetels; de achterste zitbank is naar voren gericht;

- er is een houten scheidingswand aangebracht tussen de passagiersruimte en de laadruimte;

- het voertuig heeft een vlakke laadvloer met een lengte die echter kleiner is dan de helft van de wielbasis (laadruimte : 975 mm, wielbasis 2665 mm volgens documentatie Toyota);

- in de goederenruimte zijn de zijwanden uitgerust met ruiten, die niet werden afgedicht.

3.2.1.7. Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de bouwactiviteit, hetgeen impliceert dat men zowel materiaal als personeel kan ter plaatse brengen. Het voertuig is uitgerust met 2 rijen zetels zodat de oppervlakte van de passagiersruimte vrij aanzienlijk is. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

De omstandigheid dat de laadruimte in de zijwanden is uitgerust met niet-afgedekte ruiten is enkel een bijkomend element ter appreciatie doch geenszins determinerend.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW. is de aftrek van BTW op facturaties beperkt tot 50 %.

3.2.1.8. Het feit dat de DIV van het Ministerie van Verkeerswezen het kwestieus voertuig als lichte vrachtwagen heeft ingeschreven, kan niet toegerekend worden aan de BTW-administratie.

Verder is het ook zo dat de overheid niet gebonden kan zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW­administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

3.2.2. nopens de boete

Op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW is een evenredige fiscale geldboete verschuldigd wegens de onrechtmatig genoten aftrek van tweemaal het bedrag van de verschuldigde rechten. Deze geldboete werd verminderd overeenkomstig de schalen in bijlage aan het KB nr. 41 van 30 januari 1987, hetzij tot 10 % van de teveel afgetrokken BTW.

Gelet op de hiervoor aangehaalde specifieke omstandigheden komt het opleggen van een boete niet opportuun voor derwijze dat deze moet worden kwijtgescholden.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt voor de eigenlijke betwisting in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste µ lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder gevorderde BTW ten bedrage van 3.419,89 EUR gegrond is.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van 340,00 EUR ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiser van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Wijst eiser van het overige af.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 349,53 EUR rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op elf april tweeduizend en vijf.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. H.