---
title: "31 januari 2003 · Recht op aftrek van belasting, bewijs · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 31 januari 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brussel-2003-01-31-888e"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

31 januari 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

94 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 31.01.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **KAMER**

**AR 97/6761/A**

In zake van :

**De Heer K. L.**, wonende te …, …, BTW-nummer BE …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **P.** loco Mter **L. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolgingen en benaarstigingen van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Vilvoorde, met burelen te 1800 Vilvoorde, Groenstraat, 51/57

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **A. D.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 10 januari 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van gerechtsdeurwaarder **J.-P. d. M.**, te …, betekend op 22 mei 1997, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 3 december 1997 en op 6 mei 1999;

\- de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 31 maart 1999.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 10 januari 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## ll. FEITEN EN RETROACTEN

De heer **L.**, huidig eiser, heeft wegens de werkelijke uitoefening van zijn beroepsactiviteit bestaande in het vervoer langs de weg, de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige. Hij is als belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-registratienummer ….

Op 27 mei 1994 kocht de heer **L.** een voertuig merk “*Chrysler Grand Voyager*” type “*2,5 L turbo diesel LWB SE CREW CAB*” aan.

Op 4 december 1995 verkocht de heer **L.** zijn voertuig.

Op 16 februari 1996 heeft de heer **W.**, verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Londerzeel, zich na voorafgaande aankondiging begeven naar de heer **L.**, teneinde er een controle uit te voeren op de juiste toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de BTW, voor de periode van 1 oktober 1993 tot 31 december 1995. Op grond van art. 61, § 1 W.BTW verzocht de heer **W.** hem inzage te verlenen van de boeken en stukken, die hij ingevolge of ter uitvoering van het W.BTW heeft gehouden, opgemaakt of ontvangen, evenals van de handelsboeken, boekingsstukken, bestelbons, verzendingsstukken en contracten betreffende zijn beroepswerkzaamheid.

Op 30 september 1996 maakte de heer **W.** op grond van de gedane vaststellingen een proces-verbaal op.

Op 12 december 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd op grond van dit proces-verbaal, dat op 13 december 1996 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 17 maart 1997 werd het dwangbevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. F.** te … aan de heer **L.** betekend met bevel tot betalen.

Uit dit dwangbevel en het proces-verbaal blijkt dat de heer **L.** verschuldigd is aan de Belgische Staat, huidig verweerder, het bedrag van 2.710,49 euro (109.341 BEF), meer boete en interesten, uit hoofde van verschuldigde BTW.

Op 22 mei 1997 ging de heer **L.** over tot dagvaarding in verzet tegen dit dwangbevel.

## III. IN RECHTE

### A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser vraagt zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- te zeggen voor recht dat het door hem aangekochte voertuig Chrysler Grand Voyager een lichte vrachtwagen betreft, zodat de door hem bij aankoop betaalde BTW, alsmede de betaalde BTW op facturen voor brandstof, banden, onderhoud en herstelling met betrekking tot voormeld voertuig, in zijnen hoofde volledig recupereerbaar zijn;

\- aldus de beslissing van de aangestelde van verweerder van 30 september 1996 ongegrond te horen verklaren en te vernietigen;

\- dienvolgens hem te ontlasten van het dwangbevel uitgevaardigd door de heer **S.**, ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, op 12 december 1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 december 1996 door de heer **D. M.**, hoofdcontroleur BTW te Londerzeel.

Verweerder vraagt het verzet van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en hem in zijn eis af te wijzen.

### B. BEOORDELING

#### 1) Wat de kwalificatie van het voertuig als bedrijfsvoertuig betreft :

**1.1.** Eiser verwijst in eerste instantie naar de aankoopfactuur van 27 mei 1994, die expliciet vermeldt : *'Lichte vracht*'. Verder verwijst hij naar het inschrijvingsbewijs van het voertuig bij de Directie voor Inschrijving van Voertuigen (DIV), waar onder de rubriek '*aard*' wordt vermeld : *'Lichte vracht*'. Ook in het niet gedateerde schrijven van de auditeur-generaal **V. d. W.** werd het kwestieuze voertuig gekwalificeerd als lichte vrachtwagen.

Eiser stelt dat het voertuig inderdaad als een lichte vrachtwagen dient te worden beschouwd, omdat het :

\- ten hoogste één rij zetels of één zitbank vooraan heeft;

\- een niet wegneembare vlakke laadvloer voor goederen heeft, één geheel vormend met het voertuig en minstens zo lang als de helft van de wielbasis;

\- in de laadruimte geen bevestigings-, verankerings- of aanhechtingspunten kent teneinde zetels, zitbanken of veiligheidsgordels te plaatsen;

\- een tussenschot heeft dat een volledige afscheiding vormt van de laadruimte met de rij zetels of de zitbank vooraan.

Slechts post factum is, volgens eiser, gebleken dat het hier een vergissing betreft en dat de sedert 1 juli 1995 verkochte voertuigen van dit type niet langer als lichte vrachtwagen kunnen worden ingeschreven. Eiser wijst er evenwel op dat zijn voertuig op 27 mei 1994 werd ingeschreven, zijnde meer dan één jaar eerder. Derhalve meent hij dat de beperking van het recht van aftrek, zoals bepaald in art. 45, § 2 W.BTW, niet van toepassing kan zijn.

**1.1.2.** Verweerder merkt op dat werd vastgesteld dat, ingevolge een administratieve misslag uitgaande van de DIV, het voertuig Chrysler Grand Voyager Crew werd ingeschreven als *'lichte vrachtwagen met dubbele cabine*' en dit in de periode van 9 mei 1994 tot 31 december 1995. Ingevolge een (mis)classificatie werd de beperking van het recht op aftrek, zoals bedoeld in art. 45, § 2 W.BTW, door eiser niet toegepast voor het betreffende type voertuig.

Verweerder wijst erop dat de zg. '*voertuigen met dubbele cabine*' slechts kunnen worden ingeschreven wanneer zij aan de criteria beantwoorden die gemeenschappelijk zijn inzake de BTW, de verkeersbelasting en de vereisten gesteld door het Ministerie van Verkeerswezen. Die gemeenschappelijke criteria liggen vervat in de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, zoals nadien gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990.

Verweerder stelt dat de voorwaarden om als lichte vrachtwagen in aanmerking te komen, zoals die terug te vinden zijn in de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, nadien gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990, de volgende zijn :

1\. het voertuig is uitgerust met ten hoogste één rij zetels vooraan of één zitbank vooraan;

2\. het voertuig heeft een niet wegneembare vlakke laadvloer voor goederen, één geheel vormend met het voertuig door middel van laswerk, rivetten, bouten met afbrekende kop of een ander procédé met gelijkwaardig resultaat en met een lengte die in principe niet kleiner mag zijn dan de helft van de wielbasis;

3\. de mogelijkheid tot het plaatsen van zetels en veiligheidsgordels in de laadruimte is onbestaande, hetgeen inhoudt dat op het laadvlak geen verankerings-, aanhechtings- of bevestigingspunten voor zetels, zitbanken en veiligheidsgordels aanwezig zijn

4\. wanneer het koetswerk is afgeleid van een model dat zal worden goedgekeurd in de categorie van de personenauto’s of auto's voor dubbel gebruik, dient een stevig en niet wegneembaar tussenschot (gebeurlijk in de vorm van een stevig traliewerk) de rij zetels vooraan of de zitbank vooraan volledig af te scheiden van de ruimte bestemd voor de goederen en dit tot op een hoogte van minstens 20 cm;

in de andere gevallen dient de bescherming van de inzittenden van het voertuig tegen het in beweging komen van de lading verzekerd te zijn door afdoende middelen.

Deze laatste vereiste werd gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990. Thans wordt bepaald dat het goederengedeelte volledig van de voorste zitplaatsen moet zijn gescheiden door een scherm bestaande uit een onbuigbare en niet wegneembare band, die ten minste 20 cm hoog moet zijn. Zo het deel van het laadvlak, dat zich tegen de voorzetels of voorbank bevindt, ten minste 20 cm lager ligt dan het niveau, is hogervermelde wand niet nodig.

Volgens verweerder volgt daaruit dat niet meer als lichte vrachtwagen wordt aangemerkt, het voertuig dat een tweede rij zetels of zitbanken heeft, zelfs niet wanneer deze geplaatst zijn tegen de zijwanden, opklapbaar zijn en uitsluitend voor het vervoer van werklui dienen.

Op deze regel, dat het voertuig slechts uitgerust mag zijn met ten hoogste één rij zetels of één zitbank, bestaat een uitzondering ten aanzien van de voertuigen met *'dubbele cabine'*, wanneer zij aan een aantal voorwaarden voldoen.

Voertuigen met dubbele cabine kunnen voortaan nog slechts als *'lichte vrachtwagen'* worden aangemerkt als ze aan de volgende bijkomende voorwaarden voldoen :

1.de bestuurdersruimte bestaat in een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen; deze passagiersruimte mag oorspronkelijk zo gebouwd zijn (type : "pick-up") ofwel door verbouwing afgeleid zijn van een gesloten bestelwagen, met uitsluiting van elke verbouwing van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik tot een "dubbele cabine".

Zo het voertuig afgeleid is van een "gesloten bestelwagen", moet een wand, niet wegneembaar gemaakt door lassen of door een ander gelijkwaardig procédé (met uitsluiting van een bevestiging met schroeven) de goederenruimte volledig van de passagiersruimte scheiden, zonder mogelijkheid tot doorgang van de ene naar de andere ruimte;

2\. de passagiersruimte moet twee rijen zetels omvatten. De achterste zetels van de "dubbele cabine" mogen naar voor gerichte of zijdelings geplaatste zetels of zitbanken zijn. In ieder geval mag deze passagiersruimte maximaal 6 zitplaatsen bevatten, de zitplaats van de bestuurder niet inbegrepen;

3\. de goederenruimte mag in de zijwanden niet met ruiten uitgerust zijn; indien er ruiten aanwezig zijn, moeten zij afgedicht worden. Hierbij zijn zelfklevende films of verf uitgesloten.

Nu het voertuig van eiser uitgerust was met meer dan één rij zetels vooraan of meer dan één zitbank vooraan en de bestuurdersruimte niet volledig gescheiden is van de ruimte voor de goederen door een stevige en afgesloten constructie, meent verweerder dat het voertuig inzake BTW niet kan worden aangemerkt als lichte vrachtwagen.

Verweerder wijst erop dat door de DIV de voertuigen Chrysler Grand Voyager Crew Cab vanaf 9 mei 1994 tot 30 juni 1995, verlengd tot 31 december 1995, werden goedgekeurd als “*voertuigen met dubbele cabine*” ingevolge een administratieve misslag.

Voor de toepassing van de in art. 45, § 2 W.BTW bepaalde beperking van het recht op aftrek van de BTW dient de administratie zich, volgens verweerder, te houden aan de classificatiecriteria inzake BTW.

**1.1.3.** De rechtbank stelt vast dat art. 45, § 2 W.BTW bepaalt dat “*ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 % van de betaalde belasting*”.

De administratieve normen tot kwalificering van een voertuig als lichte vrachtwagen zijn terug te vinden in de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, zoals gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990.

De rechtbank meent dat verweerder op grond van voormelde administratieve aanschrijvingen terecht voorhoudt dat het door eiser aangekochte voertuig niet kan worden aangemerkt als een lichte vrachtwagen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte voorhoudt dat hij recht heeft op de volledige aftrek van de BTW met betrekking tot het door hem aangekochte voertuig.

Eiser wijst erop dat het door hem aangekochte voertuig bij de DIV werd ingeschreven als lichte vrachtwagen.

Voormelde administratieve circulaires regelen niet het geval waarin een voertuig op grond van de daarin uitgewerkte criteria voor de toepassing van de BTW niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd, terwijl het door de DIV wel als dusdanig zou worden beschouwd.

De vermelding in voormelde administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, onder nr. 4, volgens hetwelk de in deze aanschrijving uitgewerkte criteria *"geldig zijn voor de BTW, de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)"*, heeft naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet tot gevolg dat voormelde administratieve aanschrijvingen twee verschillende wijzen zouden bevatten om uit te maken of een voertuig al dan niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd : in de eerste plaats de in deze aanschrijvingen opgenomen voorwaarden, in de tweede plaats de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV.

De rechtbank meent dat het niet mogelijk is een dergelijke draagwijdte aan voormelde administratieve aanschrijvingen te geven. De enige wijze om uit te maken of een voertuig als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd, bestaat erin de criteria/voorwaarden van deze aanschrijvingen toe te passen.

Volkomen terecht houdt de administratie van de BTW zich aan deze criteria, zonder dat de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV daaraan afbreuk kan doen voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiser - voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft - niet zonder meer mocht voortgaan op het feit dat het door hem aangekochte en in het verkeer gebrachte voertuig door de DIV als een lichte vrachtwagen werd gekwalificeerd.

#### 2) Wat de geldboete betreft :

In dat verband verwijst eiser naar de volgende verklaring van de heer auditeur-generaal **V. d. W.** :

> *“Teneinde een gelijke behandeling van alle belastingplichtigen na te streven, worden de hoofdcontroleurs gevraagd om tot de nodige regularisaties over te gaan overeenkomstig hetgeen voorafgaat, met dien verstande dat, in het bijzonder voor de voertuigen die werden verkregen tussen 9 mei 1994 en 30 juni 1995, de eventuele verzoeken om kwijtschelding van boeten en vrijstelling van moratoire intresten met welwillendheid zullen worden onderzocht”*.

Met reden wijst verweerder er evenwel op dat eiser het betreffende voertuig heeft verkocht op 4 december 1995, en dat op de naar aanleiding van deze verkoop door eiser opgestelde verkoopfactuur expliciet wordt vermeld dat het een voertuig voor *'dubbel gebruik'* betreft, waardoor eiser erkent dat het voertuig niet voldeed aan de voorwaarden van *'lichte vrachtwagen'*.

Verweerder wijst erop dat op het ogenblik van de verkoop de administratieve misslag, waarvan hiervoor sprake, nog bestond, zodat er op zijn zachtst gezegd twijfels rijzen omtrent de goede trouw van eiser.

De rechtbank sluit zich hierbij aan, en meent dat er in die omstandigheden van enige kwijtschelding of vermindering van de geldboete geen sprake kan zijn.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, **na tegenspraak**.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de heer **L.** ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt de heer **L.** tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van de Belgische Staat op 419,54 euro, en in zijnen hoofde op 355,80 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **31 januari 2003**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V. J.**, alleenrechtsprekend rechter, en

mevrouw **B. R.**, afgevaardigde adjunct-griffier.

**B.** **V.**
