---
title: "1 maart 2002 · Recht op aftrek van belasting, bewijs · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 1 maart 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-antwerpen-2002-03-01-14b1"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

1 maart 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 01.03.2002

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op één maart tweeduizend en twee in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**Ph J.**, adjunct-griffier.

**Inzake A.R. Nr. 98/1799/A**

**1. Meester F. D. R.,**

advocaat, kantoorhoudende te …, …,

**2. Meester E. V. C.,**

advocaat, kantoorhoudend te …, …,

**3. Meester G. V.,**

advocaat, kantoorhoudende te …, …,

\- allen handelende in hun hoedanigheid van curator over het faillissement van N.V. **A.** (ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, zelf in haar hoedanigheid van vereffenaar van de N.V . D. A., met zetel te …, …

**EISENDE PARTIJ**

\- hebbende als raadsman meester **B. S.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …;

tegen

**de BELGlSCHE STAAT,**

vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de administratie der belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

**VERWERENDE PARTIJ**

\- Hebbende als raadsman meester A v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, …;

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. C. te … op 10 maart 1998;

\- de conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie d.d. 13 juni 2001;

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

gelet op de verordeningen van de Raad van Ministers nr. 974,98 d.d. 3 mei 1998 en nr. 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en op de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 betreffende de invoering van de euro;

gelet op de rechtsmiddelen en argumenten van partijen ter zitting van 1 februari 2002;

---

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 16 december 1997, te vernietigen, te zeggen dat er geen BTW, intresten of boeten verschuldigd zijn en verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Relevante feiten

Op 3 november 1997 heeft de gedelegeerde bestuurder van de N.V. **O.** verklaard dat :

\- de leveringen die voorkomen op de pro forma facturen, die onder meer werden uitgereikt : aan de NV **D. A.**, door de NV **O.** niet werden uitgevoerd,

\- de offertes en de prijsovereenkomsten, waarnaar verwezen werd in de omschrijving van deze facturen, in bezit zijn van de firma’s waaraan gefactureerd werd,

\- de nummers die op deze facturen voorkomen nummers zijn van de offertes en geen betrekking hebben op de gebruikte nummering in de boekhouding van de NV **O.**,

\- deze facturen niet effectief werden betaald, niettegenstaande zij door hem voor voldaan werden getekend,

\- op deze facturen “betaald” werd opgeschreven met het oog op het bekomen van overheidssubsidies en bankkredieten.

Bij aangetekende brief van 24 november 1997 werd aan de N.V. **D. A.** medegedeeld dat als omschrijving op de facturen van de N.V. **O.** onder meer werd verwezen naar een offerte, specificatie, leveren en plaatsen inrichtingen en/of overeengekomen prijzen. Aan de N.V. **D. A.** werd dan ook gevraagd afschrift van voornoemde stukken te laten geworden, waaraan echter geen gevolg werd gegeven.

Bij aangetekende brief van 3 december 1997 werd aan de N.V. **O. A.** medegedeeld dat de controle van haar boekhouding heeft geleid tot de vaststelling van de inbreuken die werden vermeld in een ontwerp van proces-verbaal, dat gevoegd werd. Tevens werd hierbij een correctieopgave overgemaakt met verzoek dit aan te vullen, te ondertekenen en terug te zenden ingeval de N.V. **D. A.** met de voorgestelde regularisatie akkoord ging.

Bij gebreke aan antwoord op voornoemde brief van 3 december 1997 werd op 3 december 1997 werd op 10 december 1997 een proces-verbaal opgesteld.

Volgens dit proces-verbaal van 10 december 1997 heeft de N.V. **O.** valse facturen uitgereikt aan de N.V. **D. A.** voor een totaal bedrag van … BEF en heeft de N.V. **D. A.** aldus ten onrechte BTW afgetrokken voor een totaal bedrag van …

Bij proces-verbaal van 18 december 1997 werd vastgesteld dat :

\- de facturen niet werden opgenomen in de boekhouding van de N.V. **O.**,

\- de ordenummers die voorkomen op de facturen in het verknoopjournaal op een andere datum zijn ingeschreven,

\- onder die nummers andere afnemers en andere bedragen werden vermeld.

## Beoordeling

## Betreffende de nietigheid van het proces-verbaal en van het dwangbevel

Bij aangetekende brief van 18 december 1997 werd het dwangbevel ter kennis gegeven aan de N.V. **D. A.**, die in haar dagvaarding stelt dat hierbij een ondertekend afschrift van het proces-verbaal van 10 december 1997 was gevoegd.

Het feit, dat reeds voordien een niet ondertekend afschrift van dit proces-verbaal aan de N.V. **D. A.** zou verzonden zijn, is niet relevant en maakt dit proces-verbaal geenszins nietig.

Bijgevolg is ook het dwangbevel, om die reden, niet nietig.

## Betreffende de motivering van het dwangbevel

Uit geen enkel objectief element blijkt dat het dwangbevel verkeerd werd gemotiveerd zodat het, om die reden, evenmin nietig is.

## Betreffende de schending van de regels van behoorlijk bestuur en van de rechten van verdediging

Uit geen enkel objectief element blijkt dat de regels van behoorlijk bestuur en/of de rechten van verdediging werden geschonden.

## Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal en het bewijs dat de facturen vals zijn

Eisende partij stelt dat de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal zich slechts uitstrekt tot de reële vaststellingen welke de ambtenaar doet, doch geenszins tot de deducties hieruit, en dat een taxatie, die enkel steunt op loutere verklaringen van derden welke niet verder werden geverifieerd, manifest onjuist is en de bewijsrechtelijke regels schendt.

Krachtens artikel 59, § 1 van het Wetboek van BTW kunnen :

\- overtredingen van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen,

\- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen,

\- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen

door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.

Krachtens artikel 59 § 1 van het Wetboek van BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.

De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter door vermoedens worden bewezen en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.

De vermelding in het proces-verbaal dat de facturen vals zijn werd door de ambtenaren niet vastgesteld, maar is slechts een gegeven dat hij afleidt uit de verklaringen van de gedelegeerde bestuurder van de N.V. **O.** en uit het onderzoek bij de N.V. **D. A.** zodat deze vermelding dan ook slechts als vermoeden geldt en aldus aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen.

Tot bewijs van het tegendeel dient enkel aanvaard te worden dat de gedelegeerde bestuurder van de N.V. **O.** een verklaring heeft afgelegd, doch de inhoud van deze verklaring moet niet als waarachtig beschouwd worden tot bewijs van het tegendeel.

De vaststelling is het feit van de verklaring, doch er werd niets vastgesteld omtrent de waarachtigheid van deze verklaring zodat de inhoud van de verklaring nog te bewijzen blijft door de administratie.

De verklaring van de gedelegeerde bestuurder van de N.V. **O.** biedt op zichzelf dan ook onvoldoende zekerheid dat de aan de N.V. **D. A.** uitgereikte facturen vals zijn.

Zijn verklaring, dat de nummers van deze facturen geen betrekking hebben op de gebruikte nummering in de boekhouding van de N.V. **O.**, wordt echter bevestigd door de vaststelling dat de nummers en de data die op de facturen voorkomen niet overeenstemmen met de inschrijvingen in het verkoopjournaal van deze vennootschap.

Bovendien werd op de facturen van de N.V. O. onder meer verwezen naar een offerte, specificatie, leveren en plaatsen inrichtingen en/of overeengekomen prijzen en heeft eisende partij tot op heden geen afschrift van deze stukken laten geworden, niettegenstaande zij :

\- bij aangetekende brief van 24 november 1997 hiertoe verzocht werd,

\- krachtens artikel 60 § 1, eerste lid van het Wetboek van BTW sinds 1 januari 1993 de boeken en stukken, waarvan het Wetboek van BTW of de uitvoeringsbesluiten het houden, het opmaken of het uitreiken voorschreven, diende te bewaren gedurende tien jaar (voor 1 januari 1993 gedurende vijf jaar) te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft of op hun datum wat stukken betreft en zij krachtens artikel 60 § 1, tweede lid van het Wetboek van BTW tot die verplichting ook gehouden was ten aanzien van de handelsboeken, boekingsstukken, bestelbons, verzendingsstukken en contracten betreffende haar beroepswerkzaamheid,

\- krachtens artikel 62 § 1 van het Wetboek van BTW gehouden was, op ieder verzoek van de ambtenaren van de BTW, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die haar gevraagd werden teneinde de juiste heffing van de belasting in hare hoofde of in hoofde van derden na te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, elkaar aanvullen en een rechtsgeldig vermoeden uitmaken en voldoende zekerheid bieden dat de N.V. **O.** aan de N.V. **D. A.** voor een totaal bedrag van … BEF valse facturen heeft uitgereikt en dat de leveringen, die op deze facturen voorkomen, niet werden uitgevoerd.

Op grond van deze vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens is het dan ook bewezen dat de N.V. **D. A.** ten onrechte voor een totaal bedrag van … BEF BTW in aftrek heeft gebracht.

Krachtens artikel 45 § 1 van het Wetboek van BTW is de aftrek van BTW immers slechts toegestaan, die geheven werd aan de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten.

Aangezien het bewezen is dat er geen goederen werden geleverd aan de N.V. **D. A.** en dat de facturen vals zijn, heeft de N.V. **D. A.** dan ook geen recht op aftrek.

## Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

**OM DIE REDEN,**

### Beschikkend gedeelte

**De RECHTBANK,**

Recht doende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend;

verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af;

veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding tot op heden door verwerende partij begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffende op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**P. J.** **P. W.**
