---
title: "24 februari 2011 · Recht op aftrek van belasting, bewijs · Hof van beroep te Brussel"
description: "Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel. Hof van beroep te Brussel (België), 24 februari 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-bewijs-controlemaatregel-hof-van-beroep-brussel-2011-02-24-54db"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

24 februari 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

98 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 24.02.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 24/02/2011**

Nr. van de zaak : **2008/AR/574**

IN ZAKE VAN :

**De NV S.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

vertegenwoordigd door Meester **V. D. B.**, loco Meester **L. D. B.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de heer minister van Financiën, vertegenwoordigd door de leidende ambtenaar van het controlecentrum Tienen van de FOD Financiën, AOIF, sector BTW, Goossensvest 11 te 3300 Tienen, alwaar woonst gekozen wordt,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **L. V. H.**, advocaat te …, …,

---

**R. 2011/1322** **EINDARREST - ongegrond**

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 29 juni 2007 (A.R. nr. 2005/1487/A), vonnis dat werd betekend op 1 februari 2008 en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 29 februari 2008.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

\- in hoofdorde het dwangbevel nietig en ongegrond te verklaren en te horen zeggen voor recht dat het bedrag van … EUR ten titel van rechten niet verschuldigd was, dat het bedrag van … EUR ten titel van boete niet verschuldigd was en dat de interesten daaraan moeten worden aangepast;

\- in ondergeschikte orde de opgelegde geldboete kwijt te schelden, minstens te verminderen.

## I. De feiten

Appellante is als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor haar activiteit van het sorteren van fruit en groenten.

Bij haar vond op 3 mei 2004 een BTW-controle plaats betreffende de naleving van de BTW-reglementering met betrekking tot de jaren 2001 en 2002.

Op 5 oktober 2004 werd door de gevolmachtigde van appellante een correctie-opgave ondertekend, nadat een minnelijke regeling werd bereikt omtrent een aantal vastgestelde overtredingen.

Op 19 oktober 2004 werd door de BTW-administratie proces­verbaal opgesteld omtrent de twistpunten waarover geen akkoord kon worden bereikt.

In dit proces-verbaal werd omtrent de aankoop van een voertuig Mitsubishi Pajero op 4 december 2002 het volgende vermeld:

*''Het voertuig waarvan sprake werd op mijn verzoek voorgereden. Ik heb kunnen vaststellen dat er twee rijen zetels in geïnstalleerd waren en dat de lengte van de laadruimte voor de zetels. ongeveer 30 cm bedraagt.*

*Bij de Dienst voor inschrijving van Voertuigen is het voertuig ingeschreven "voor diverse doeleinden", het aankoopfactuur spreekt van een "auto voor dubbel gebruik".*

*Het gaat derhalve om een voertuig dat zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen.*

*(...)*

*De activiteit van de vennootschap bestaat uit het sorteren van fruit en bestaat derhalve niet uit een specifieke activiteit die bestaat uit de verkoop of verhuur van voertuigen, noch uit bezoldigd personenvervoer. Het voertuig maakte ook niet het voorwerp uit van een vrijgestelde levering in de zin van artikel 39bis.*

*In tegenstelling met de bepalingen van* [*artikel 45, § 2 BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) *werd de BTW op deze tweefacturen integraal afgetrokken (...)"*.

Op 17 februari 2005 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, krachtens hetwelk appellante een BTW­bedrag van … EUR en een proportionele boete van … EUR verschuldigd was, te vermeerderen met de interesten en de kosten.

Op 22 februari 2005 werd dit dwangbevel aan appellante ter kennis gebracht.

Op 25 februari 2005 tekende appellante bezwaar aan tegen dit dwangbevel.

Op 30 maart 2005 werd dit bezwaar afgewezen.

Op 24 juni 2005 legde appellante een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Bij het bestreden vonnis van 29 juni 2007 wees de rechtbank te Leuven de vordering van appellante af.

## ll. Discussie

### a) Wat de beweerde schending van de bewijswaarde van het proces-verbaal van 19 oktober 2004 betreft

Appellante houdt vooreerst voor dat het proces-verbaal foutieve vermeldingen bevat. Zij betwist immers dat geïntimeerde het voertuig Mitsubishi Pajero op 3 mei 2004 aan een onderzoek zou hebben onderworpen. Derhalve kan naar haar oordeel de bijzondere bewijswaarde, zoals bepaald in art. 59, § 1 W.BTW niet worden verleend aan de vermeende vaststellingen opgenomen in het proces­verbaal.

Verder stelt appellante dat geïntimeerde meer dan vijf maanden nodig heeft gehad om het proces-verbaal in kwestie op te stellen. Een tijdverloop van vijf maanden voor het opstellen van een summier proces-verbaal (amper drie bladzijden) is volgens haar niet redelijk te noemen. Derhalve bevat het proces-verbaal geen vaststellingen, doch hoogstens weergaven van datgene wat de opsteller zich herinnert, zodat de vermeldingen opnieuw enige bijzondere bewijswaarde ontberen.

Terecht merkt geïntimeerde terzake op dat appellante volkomen in gebreke blijft het bewijs te leveren van haar bewering dat de controleur een proces-verbaal opstelde zonder het voertuig in kwestie gezien te hebben. Verder wijst geïntimeerde er met reden op dat de controle van de boekhouding van appellante op 3 mei 2004 werd aangevangen met een plaatsbezoek en uiteindelijk op 23 september 2004 werd afgesloten met een plaatsbezoek, nadat ook op 30 juni 2004 een plaatsbezoek had plaatsgevonden. De correctieopgave die naar aanleiding van deze controle werd opgesteld, werd door de gevolmachtigde boekhouder van appellante, de heer **C.**, op 5 oktober 2004 gedeeltelijk voor akkoord ondertekend, terwijl de opstelling van het proces-verbaal van 19 oktober 2004 dateert.

Derhalve dient dit eerste middel van appellante te worden afgewezen.

### b) Wat de beweerde schending van de rechten van verdediging van appellante betreft

Appellante roept de volgende redenen in, die maken dat de handelwijze van geïntimeerde de vrijwaring van haar rechten van verdediging onmogelijk heeft gemaakt :

\- geïntimeerde had meer dan vijf maanden nodig om het proces-verbaal op te stellen en nog eens meer dan negen maanden om haar van dit proces-verbaal voor de eerste maal in kennis te stellen;

\- het proces-verbaal is slechts op zeer summiere wijze gemotiveerd.

Terecht wijst geïntimeerde erop dat geen enkele BTW-regel bestaat, die bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal dient te worden opgesteld of betekend. Overigens omvatte de correctie­opgave ook de verworpen BTW met betrekking tot het voertuig Mitsubishi Pajero. Uit het schrijven van de gevolmachtigde boekhouder van appellante vloeit voort dat deze rubriek in de correctie-opgave door hem niet werd weerhouden en dat deze problematiek reeds eerder mondeling werd behandeld (zie stuk 15 van geïntimeerde).

Van een schending van de rechten van verdediging van appellante kan dan ook geen sprake zijn.

### c) Wat de beweerde nietigheid van het dwangbevel wegens gebrek aan vaststaande en zekere belastingschuld betreft

Appellante houdt voor dat in deze geïntimeerde geruime tijd na het uitvaardigen van het dwangbevel voor het eerst het voertuig Mitsubishi Pajero heeft onderzocht. Zo heeft geïntimeerde pas voor het eerst op 22 maart 2005, naar aanleiding van het administratieve bezwaarschrift, een controle van het voertuig doorgevoerd. Dit feit alleen reeds toont aan dat geïntimeerde nog niet zeker kan geweest zijn van zijn vordering op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel.

Uit hetgeen hiervoor onder a) en b) werd gezegd, vloeit voort dat ook dit middel van appellante niet kan worden ingewilligd.

#### d) Wat de beweerde ongegrondheid van het uitgevaardigde dwangbevel betreft

1\. In ondergeschikte orde houdt appellante voor dat het uitgevaardigde dwangbevel ongegrond is, enerzijds wegens schending van de Zesde BTW-Richtlijn, anderzijds omwille van het feit dat het voertuig Mitsubishi Pajero aan geen enkele aftrekbeperking onderworpen is.

Appellante meent dat de aftrekbeperking bedoeld in art. 45, § 2 W.BTW in strijd is met het fundamenteel belang van het recht op aftrek voor het BTW-stelsel, zeker voor wat betreft de goederen die de essentiële uitrusting vormen van een bedrijf. Vervolgens is appellante van oordeel dat de standstill-bepaling bedoeld in [art. 17, lid 6 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) in die zin moet worden geïnterpreteerd dat een lidstaat bestaande aftrekbeperkingen die golden op het moment dat deze Richtlijn in werking trad mocht behouden, maar nadien (d.w.z. na 1 januari 1978) geen nieuwe aftrekbeperkingen meer mocht invoeren zonder Europese goedkeuring. Welnu, voor 1978 werd voor het onderscheid tussen de wel en de niet aan de aftrekbeperking onderworpen voertuigen aangenomen dat voor het bepalen of een voertuig normaal bestemd is voor personenvervoer, als criterium de bouw en de inrichting van de carrosserie van het voertuig moest worden genomen, waarbij de aftrekbeperking niet werd toegepast op de vrachtwagens, lichte vrachtwagens, bestelwagens en andere bedrijfswagens waarvan de structuur zo is dat ze normaal bestemd zijn voor goederenvervoer, zelfs als ze speciaal ingericht zijn voor personenvervoer, wat ook het aantal mag zijn van de personen die ze kunnen vervoeren. Vanaf 1 april 1978 nam de administratie een ander - strenger - standpunt in. Appellante verklaart zich te beroepen op de voor 1978 geldende regeling, toen de aftrekbeperking niet werd toegepast op voormelde categorieën voertuigen.

Anderzijds meent appellante dat haar voertuig Mitsubishi Pajero aan geen enkele aftrekbeperking onderworpen is, nu het is opgevat en gebouwd voor hoofdzakelijk goederenvervoer. In deze voldoet het volgens haar aan de technische kenmerken van een lichte vrachtwagen.

2\. Met reden wijst geïntimeerde erop dat de zg. standstill-bepaling, waarvan sprake in lid 2 van art. 17, lid 6 van de Zesde BTW­Richtlijn (77/388/EEG) inhoudende machtiging aan de lidstaten om alle uitsluitingen van het recht op aftrek te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze Richtlijn (op 1 januari 1978) voorzag, nog steeds van kracht is.

Nu de in art. 45, § 2 W.BTW bedoelde aftrekbeperking reeds in 1972 in de Belgische BTW-wetgeving werd opgenomen, zijnde voor de inwerkingtreding van de Zesde BTW-Richtlijn, is ze gelet op voormelde overgangsbepaling volkomen in overeenstemming met deze Richtlijn.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof (met name zijn arrest van 5 oktober 1999 in de zaak [C-305/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-305-97-arrest)) blijkt verder dat, in tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt, uit de tekst van art. 11 van de Tweede Richtlijn, en meer bepaald uit lid 4 daarvan volgt dat zij de lidstaten toestond zelfs de uitgaven met een strikt beroepsmatig karakter van het recht op aftrek uit te sluiten.

Het hof kan bijgevolg de stelling van appellante, volgens dewelke het dwangbevel ongegrond zou zijn omwille van inbreuken op de Europese Richtlijnen, niet bijtreden.

3\. De beperking van het recht op aftrek wordt geregeld door de bepalingen van art. 45, § 2 W.BTW. Volgens deze bepalingen is deze beperking van toepassing op automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen. Hieruit vloeit voort dat deze beperking niet geldt voor zg. lichte vrachtwagens.

Terecht verwijst geïntimeerde naar de omschrijving van de begrippen "lichte vrachtwagen" en "auto voor dubbel gebruik" zoals die terug te vinden zijn in het KB van 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's en hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

Zo is volgens art. 1, § 2, 3° van dit KB een auto voor dubbel gebruik "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder".

En in art. 1, § 2, 5° van hetzelfde K.B. is de volgende definitie van lichte vrachtwagen terug te vinden : "elke auto gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg. niet overschrijdt".

4\. Terecht stelt geïntimeerde dat het er in deze op aankomt aan de hand van de feitelijke omstandigheden eigen aan de zaak uit te maken of het voertuig al dan niet voldoet aan de in voornoemd KB van 15 maart 1968 geformuleerde definitie van lichte vrachtwagen.

In deze staat in het proces-verbaal van 19 oktober 1994 te lezen dat de Jeep Pajero twee rijen zetels geschikt voor het vervoer van 5 personen, bestuurder inbegrepen heeft en dat de laadruimte, die één geheel vormt met de ruimte voor de zetels, ongeveer 30 cm bedraagt. Deze feitelijke vaststellingen hebben, zoals hiervoor onder a) gezegd, op grond van art. 59, § 1 W.BTW de bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel, bewijs dat appellante niet levert.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat deze tweede rij zetels of deze zitbank uiteraard dient voor het vervoer van passagiers, hetgeen erop wijst dat het voertuig bestemd is om zowel voor h.et vervoer van passagiers als het vervoer van zaken te worden gebruikt.

Bovendien is het voertuig afgeleid van een personenauto of auto voor dubbel gebruik. De passagiersruimte is dezelfde als deze van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik, zodat de eerste rechter terecht oordeelde dat bezwaarlijk kan worden staande gehouden dat het voertuig niet zou zijn opgevat voor het vervoer van passagiers. Dit blijkt inderdaad uit de door partijen neergelegde foto's.

Los van de technische kenmerken van het voertuig in kwestie verwijst geïntimeerde terecht naar de kwalificatie van het voertuig voor de verkeersbelasting waarin er geen sprake is van een "lichte vrachtwagen", maar van "meerdere doeleinden" (zie stuk 11 van geïntimeerde). Ook de aankoopfactuur maakt melding van "auto voor dubbel gebruik" (zie stuk 12 van geïntimeerde).

Ten onrechte houdt appellante voor dat de eerste rechter had dienen na te gaan in welke mate het voertuig overheersend voor personenvervoer dan wel voor goederenvervoer werd aangewend, waarbij enkel in geval van overwegend gebruik voor personenvervoer de kwestieuze beperking van 50 % naar haar oordeel had mogen worden toegepast. Voor een dergelijke stellingname bestaat immers geen wettelijke basis.

5\. Het hof sluit zich verder nog bij de eerste rechter aan wanneer hij stelt dat de betwisting tussen partijen betreffende :

\- de mogelijke goedkeuring door het ministerie van Verkeerswezen als lichte vrachtwagen;

\- de inschrijving op het ogenblik van de eerdere ingebruikname als lichte vrachtwagen;

\- de vraag of er een vaste of wegneembare scheidingswand was tussen de laadruimte en de bestuurdersruimte, zodat het voertuig al dan niet eenvoudig kan worden omgevormd voor personenvervoer;

\- de vraag of het verzekeringsbewijs van het voertuig onder code C vermeldt : C MITUBISHI PAJERO 3,5 T, en

\- de vermeldingen op de technische fiche van het voertuig, zich niet relevant is en geen afbreuk doet aan het feit dat het voertuig in kwestie gebouwd en opgevat is zowel voor personenvervoer als goederenvervoer. Net zomin als de rechtbank is het hof op generlei wijze door deze gegevens gebonden.

6\. Nu het hof tot het besluit is gekomen dat het voertuig van appellante een voertuig is dat gebouwd en opgevat is zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer, heeft de administratie de aftrek van BTW terecht beperkt in toepassing van art. 45, § 2 W.BTW.

### e) Wat de opgelegde boete betreft

Appellante meent dat haar geen enkel verzuim kan worden verweten, zodat de geldboete haar ten onrechte werd opgelegd.

Ondergeschikt meent appellante dat de geldboete niet evenredig is met het verzuim. Appellante dringt er in dat verband bij het hof op aan dat de opgelegde boete in toepassing van art. 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 zou worden kwijtgescholden, minstens gevoelig zou worden verminderd.

Met reden merkt geïntimeerde in dat verband op dat het geciteerde art. 9 dat zich richt tot de Minister van Financiën, een rechtsgrond uitmaakt op basis waarvan een administratieve beslissing kan worden gevraagd. Wanneer de belastingplichtige niet akkoord gaat met de genomen administratieve beslissing, kan hij zich nadien tot de rechter wenden. Hij kan dat niet rechtstreeks doen zonder eerst het georganiseerde administratief verhaal te doorlopen, zoals appellante in deze tracht te doen.

#### f) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare zitting van het hof van 23 december 2011 verklaarde appellante de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten en hetzelfde bedrag voor de procedure in eerste aanleg te vorderen. Geïntimeerde van zijn kant verklaarde de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het maximumbedrag van … EUR te begroten. Hij meent dat de situatie als onredelijk kan worden bestempeld ingevolge het tergende en roekeloze karakter van het hoger beroep.

Op het verzoek van appellante om een bedrag van … EUR toegekend te krijgen als rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg gaat het hof niet in, nu deze rechtsplegingvergoeding definitief werd begroot door de eerste rechter.

Verder werpt geïntimeerde met reden op dat de factuur, de door appellante zelf voorgelegde foto's, de inschrijving op de dienst van het wegvervoer en de visuele vaststellingen duidelijk aantonen dat het voertuig Mitsubishi Pajero een voertuig is dat valt onder de beperking van de BTW-aftrek ingevolge art. 45, § 2 W.BTW. Daarnaast blijft appellante beweren dat het proces-verbaal ten onrechte zou vermelden dat de betrokken ambtenaar het voertuig zou hebben gezien, zonder daarvan ook maar het minste bewijs bij te brengen. Deze elementen maken inderdaad dat het hoger beroep als tergend en roekeloos dient te worden beschouwd. Daardoor dient de situatie inderdaad, zoals appellant terecht voorhoudt, als onredelijk te worden bestempeld, hetgeen de toekenning van een rechtsplegingvergoeding in hoger beroep begroot op het maximumbedrag van … EUR verantwoordt.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt appellante tot de beroepskosten, begroot op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **6****de** **fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **24 februari 2011**

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.**, alleenzetelend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **J. V.**

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

Tweede richtlijn 67/228 art. 11 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 1 voorkomen

[C-305/97, arrest van 5 oktober 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-305-97-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van het gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsmatig-gebruik-gebouw-rechtbank-bergen-2020-10-15-3d88) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele fiscale geldboeten, Beroepsmatig gebruik van de woning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-beroepsmatig-gebruik-rechtbank-brussel-2021-05-03-5bda) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Niet belastingplichtige rechtspersoon](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-belastingplichtige-rechtspersoon-hof-van-beroep-brussel-2022-09-13-905e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-btw-gemengde-cassatie-brussel-2021-05-21-a623) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-btw-gemengde-cassatie-brussel-2021-05-21-c531) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen
